Strafrecht overig
Oplichting en valsheid in geschrifte met huurovereenkomsten
ECLI:NL:GHDHA:2023:45 · Gerechtshof Den Haag · 19 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2023-45
Zaakgegevens
Op 19 januari 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 januari 2023
- Datum publicatie
- 19 januari 2023
- Zaaknummer
- 22-001541-20
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:45
Samenvatting
Oplichting en valsheid in geschrifte met huurovereenkomsten
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-001541-20
Parketnummer: 10-052003-20
Datum uitspraak: 19 januari 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Tevens is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2019 tot en met 26 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,
(telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van €2.400 en/of 1.600,- (huur en borg), althans geld,
hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- op internet (de website Facebook) advertentie(s) geplaatst, waarin te kennen werd gegeven dat een woonruimte (appartement) aan de [straat 1] te Rotterdam te huur was en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] te kennen gegeven dat het appartement van [slachtoffer 3] was en dat die [slachtoffer 3] voor langere tijd naar Zuid-Afrika was en/of dat hij, verdachte, de bonafide verhuurder van dat appartement was (namens die [slachtoffer 3]) en/of
- die [slachtoffer 2] te kennen gegeven dat [slachtoffer 3] zijn accountant was en/of
- ( vervolgens) een valselijk opgemaakt huurcontract aangeboden voor voornoemd appartement en/of
- ( vervolgens) overeen gekomen met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dat de eerste huurbetaling en/of borg ten behoeve van voornoemd appartement contant zou worden betaald aan hem, verdachte
waardoor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
2.
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2019 tot en met 26 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, een of meer geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer huurovereenkomsten aangaande woonruimte aan de [adres 1] te Rotterdam
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of van voornoemde geschriften gebruik heeft gemaakt, als ware dat/die geschriften echt en onvervalst,
immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- voornoemde huurovereenkomsten valselijk gemaakt als ware deze echt en/of
- voornoemde huurovereenkomsten voorzien van de naam en gegevens van [slachtoffer 3] en/of (een) valse handtekening(en) met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
3.
hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2020 tot en met 26 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van € 3.000,- (huur en borg), althans geld,
hebbende hij, verdachte, toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- op internet (de website Facebook) advertentie(s) geplaatst, waarin te kennen werd gegeven dat een woonruimte (appartement) aan de [straat 1] te Rotterdam te huur was en/of
- ( vervolgens) zich aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] voorgesteld als bonafide verhuurder van dat appartement en/of die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te kennen gegeven het appartement te huur te hebben voor € 1.000,- per maand met een borg van €2.000,- en/of
- ( vervolgens) een valselijk opgemaakt huurcontract aangeboden voor voornoemd appartement en/of
- ( vervolgens) overeen gekomen met die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] dat de eerste huurbetaling en/of borg ten behoeve van voornoemd appartement contant zou worden betaald aan hem, verdachte
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2019 tot en met 26 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 1.700,- en/of €1.600,- (huur en/of borg), althans geld,
hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
-op internet (de website Facebook) advertentie(s) geplaatst en/of via Facebook Messenger een bericht geplaatst, waarin te kennen werd gegeven dat een kamer (appartement) aan de [straat 2] te Rotterdam te huur was en/of
- ( vervolgens) die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] te kennen gegeven dat het appartement door buitenlandse studenten bewoond was maar dat die studenten de woning spoedig zouden verlaten en/of dat zijn vader de eigenaar van de woning was en/of dat hij, verdachte, de bonafide verhuurder van dat appartement was en/of
- ( vervolgens) een valselijk opgemaakt huurcontract aangeboden voor voornoemd appartement en/of
- ( vervolgens) overeen gekomen met die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] dat de eerste huurbetaling en/of borg ten behoeve van voornoemd appartement contant zou worden betaald aan hem, verdachte en/of aan hem direct overgemaakt zou worden
waardoor die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;
5.
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2019 tot en met 27 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,
een of meer geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een of meer huurovereenkomsten aangaande woonruimte aan de [adres 2] te Rotterdam valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of van voornoemde geschriften gebruik heeft gemaakt, als ware dat/die geschriften echt en onvervalst,
immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- voornoemde huurovereenkomsten valselijk gemaakt als ware deze echt en/of
- voornoemde huurovereenkomsten voorzien van zijn gegevens en handtekening en/of
- zichzelf in die huurovereenkomst aangemerkt als de verhuurder van voornoemd pand met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], en dat in dier voege opnieuw recht zal worden gedaan als hierna te melden.
Het vonnis waarvan beroep en de behandeling in hoger beroep
Getuigen gehoord in hoger beroep
In hoger beroep is op verzoek van de verdediging een achttal getuigen gehoord. Deze getuigen hebben tijdens hun verhoren – kort gezegd – zonder uitzondering hun eerder afgelegde verklaringen bevestigd. Deze verhoren leiden naar het oordeel van het hof derhalve niet tot andere conclusies dan hetgeen de eerste rechter uit hun eerdere verklaringen heeft afgeleid.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat in alle door de rechtbank bewezen verklaarde gevallen hij de persoon was die de aspirant huurders heeft rondgeleid en dat hij wist dat hij bezig was met oplichting. In zoverre heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd.
Zijn eveneens ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, namelijk dat anderen willens en wetens aan de oplichtingen hebben meegewerkt door hun woningen aan hem ter beschikking te stellen/te verhuren en dat hij het behaalde voordeel met hen heeft gedeeld, leidt, naar het oordeel van het hof, wat daar ook van zij, op zich zelf bezien niet tot andere bewezenverklaringen. Het is evenmin van invloed op de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen/de opgelichte aspirant huurders.
Het hof voegt hier aan toe dat het deze verklaring van de verdachte niet geloofwaardig acht.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hiervoor gegeven aanvullingen aanbrengt.
Redelijke termijn
Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep weliswaar niet binnen een termijn van twee jaren na het op 29 juni 2020 ingestelde hoger beroep is afgerond, maar dat deze overschrijding voor rekening van de verdediging dient te komen vanwege de omstandigheid dat de verdediging eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2021 - op welke zitting in beginsel een inhoudelijke behandeling van de zaak was gepland - de verzoeken tot het horen van de genoemde acht getuigen heeft ingediend.
Verbetering kwalificatie
Het hof verbetert de in het vonnis waarvan beroep opgenomen kwalificaties als volgt.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Conclusie
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.830,-. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 240,- (voor zover ziend op materiële) schade. Hij heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade gehandhaafd tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 750,-.
De advocaat-generaal heeft, naar het hof meent te mogen opvatten, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 240,- ter zake van materiële schade (het hof neemt aan dat het door de advocaat-generaal genoemde bedrag van € 360,- op een vergissing berust), en van € 750,- ter zake van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte (in elk geval voor zover deze ziet op immateriële schade) betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 240,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 490,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 490,00 (vierhonderdnegentig euro) bestaande uit € 240,00 (tweehonderdveertig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 490,00 (vierhonderdnegentig euro) bestaande uit € 240,00 (tweehonderdveertig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 26 februari 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. V.M. de Winkel en mr. R.M. Hermans, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 januari 2023.