Strafrecht overig

OM-appel. Met een geringe aanvulling van gronden bevestigt het hof de eerdere vrijspraak door de rechtbank…

Gerechtshof Den Haag, 11 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 11 oktober 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
11 oktober 2024
Datum publicatie
20 november 2024
Zaaknummer
22-001931-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2181
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

OM-appel. Met een geringe aanvulling van gronden bevestigt het hof de eerdere vrijspraak door de rechtbank ter zake van opzettelijke brandstichting. De rechtbank overwoog dat zij niet buiten gerede twijfel kon vaststellen of twee kleine brandjes door de verdachte dan wel door diens medeverdachte waren gesticht en dat er evenmin voldoende bewijs voor medeplegen was. Het hof voegt daaraan toe dat zelfs niet onomstotelijk vaststaat dat de oorzaak van de grote brand (die een aanzienlijke schade aan onder meer bouwkeet heeft veroorzaakt) is gerelateerd aan het stichten en niet goed blussen van de twee kleine brandjes.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 28 juni 2021

    ECLI:NL:RBROT:2021:7591
  2. Gerechtshof Den Haag · 11 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2024:2181

    Overig

Uitspraak

Rolnummer: 22-001931-21

Parketnummer: 10-700337-19

Datum uitspraak: 11 oktober 2024

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [woonadres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partij [benadeelde partij] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 juni 2019 te [plaats 1], gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht op een bouwlocatie, gelegen aan de [straat] te [plaats 1],

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk (in of nabij een bouwkeet) een of meer voorwerpen en/of brandbare/ontvlambare (vloei)stoffen aangestoken,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer voorwerpen, althans met (een) brandbare/ontvlambare (vloei)stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan in en/of nabij een of meer bouwke(e)t(en) op die locatie en/of deze bouwke(e)t(en) en/of de inboedel van (één of meer van) die bouwke(e)t(en) en/of een nabij gelegen spoorwegviaduct en/of een bovenleiding van het nabij gelegen spoor geheel of gedeeltelijk is verbrand en/of waardoor/ terwijl daarvan gemeen gevaar voor die bouwke(e)t(en) en/of een of meer aangrenzende bouwke(e)t(en) en/of het aangrenzende spoorwegviaduct en/of spoor, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 20 augustus 2019 te [plaats 2], gemeente Albrandswaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 20 augustus 2019 te [plaats 2], gemeente Albrandswaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad 15 stekken van hennepplanten en/of 6 hennepplanten en/of (ongeveer) 40 gram henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel van 5 juli 2021 richt het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zich uitsluitend tegen de bij vonnis van 28 juni 2021 gegeven vrijspraak van feit 1, te weten de brandstichting.

Aan de hand van de akte rechtsmiddel van 19 juli 2021 heeft het hof vastgesteld dat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep zich uitsluitend richt tegen de bij vonnis van 28 juni 2021 genomen beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Namens de verdachte is op 19 juli 2021 hoger beroep tegen de op 28 juni 2021 gegeven einduitspraak ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, Sv dient het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld.

Nu het hoger beroep niet binnen de termijn van veertien dagen na de einduitspraak is ingesteld, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep – in het bijzonder hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht – heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter. Wel vult het hof de overweging van de rechtbank dat het voor de hand ligt dat ofwel de verdachte, ofwel de medeverdachte de twee brandjes heeft gesticht, maar dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld wie van de twee dit is geweest, aan met de overweging dat het weliswaar zeer waarschijnlijk is dat de oorzaak van de grote brand is gerelateerd aan het stichten en niet goed blussen van de twee kleine brandjes, maar dat zelfs dit niet onomstotelijk vaststaat.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, voorzitter, mr. B. Stapert en mr. K.I. de Jong, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 oktober 2024.