Strafrecht overig

Tussenarrest. Schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van…

Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
22-002895-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3034
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenarrest. Schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf(fen). Belangenafweging. Aan het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive kan in voldoende mate tegemoet worden gekomen. Geen wettelijke regeling die zich verzet tegen schorsing. Praktische bezwaren tegen wisseling van vrijheidsbenemende titel niet aannemelijk geworden.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 18 september 2025

    ECLI:NL:RBROT:2025:11082
  2. Gerechtshof Den Haag · 9 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3034

Uitspraak

Rolnummer: 22-002895-25

Parketnummer: 10-376428-24, 03-340897-23 en 03-340897-23 (herroeping V.I.)

Datum uitspraak: 9 oktober 2026

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen naar aanleiding van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met bovenvermeld rolnummer tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in [naam penitentiaire inrichting] ,

Onderzoek ter zitting naar aanleiding van het verzoek

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 augustus en 25 september 2026.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte in het kader van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis naar voren is gebracht.

Procesgang

In de zaak met parketnummers 10-376428-24 is de verdachte op 27 november 2024 in verzekering gesteld. De verdachte is aansluitend op 29 november 2024 in voorlopige hechtenis gesteld. De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst geweest van

26 juni 2025 tot 19 december 2025 in verband met de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde onherroepelijke gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 02-033768-20.

De verdachte is vervolgens bij vonnis van de rechtbank 18 september 2025 ter zake van het aan hem in de zaken met parketnummers 10-376428-24 en 03-340897-23 tenlastegelegde veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van een jaar, met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

In raadkamer van dit gerechtshof van 5 februari 2026 is het bevel gevangenhouding van de verdachte verlengd met een periode van 120 dagen. De zaak is vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep aangebracht op de pro forma zittingen van 27 augustus en 25 september 2026.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2026 is door en namens de verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met bovenvermeld rolnummer ten behoeve van de tenuitvoerlegging van aan de verdachte opgelegde en inmiddels onherroepelijk geworden gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers

03-136516-17 (TUL voorw. gev.straf) en 16-653446-17 (TUL voorw. gev.straf )

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis overeenkomstig zijn overgelegde en bij de stukken gevoegde schriftelijke standpunt.

Beoordeling van het verzoek

Bij de beoordeling van een gemotiveerd verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het persoonlijk belang van de verdachte bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis en anderzijds het belang van strafvordering dat wordt gediend bij het voortduren van de voorlopige hechtenis.

Een dergelijke belangenafweging is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging dient, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, te worden betrokken of op een andere, voor de verdachte minder bezwarende manier tegemoet kan worden gekomen aan het belang van strafvordering dat word gediend bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.

Niet ter discussie staat dat de verdachte persoonlijk belang heeft bij de schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het resterende deel van aan hem onherroepelijk opgelegde gevangenisstraffen. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof ervan uit dat het gaat om een resterende onherroepelijke gevangenisstraf voor de duur van 389 dagen, terwijl in de onderhavige zaak, waarin om schorsing van de voorlopige hechtenis is verzocht, nog geen datum voor de inhoudelijke behandeling is bepaald en ook niet te verwachten valt dat die behandeling op korte termijn zal plaatsvinden. De duur van de voorlopige hechtenis overtreft reeds de duur van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van één jaar. In eerste aanleg is daarnaast tevens de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd. In het geval aan de verdachte ook in hoger beroep de maatregel van tbs, al dan niet met bevel tot dwangverpleging, zal worden opgelegd, zal de tijd die de verdachte verder nog in voorlopige hechtenis zal doorbrengen tot aan de uitspraak in hoger beroep niet op de duur van de eventueel op te leggen maatregel in mindering kunnen worden gebracht. Daarnaast zal de verdachte in geval van oplegging van de tbs-maatregel er belang bij hebben zo snel mogelijk met de behandeling te kunnen beginnen.

Evenmin staat ter discussie dat daartegenover staan de gronden van de voorlopige hechtenis, in dit geval het veroordelend vonnis en – kort gezegd – recidivegevaar. Voor de weging daarvan – de weging van het strafvorderlijk belang - neemt het hof in aanmerking de aard en ernst van het feiten waarop de voorlopige hechtenis betrekking heeft, in dit geval belaging en bedreiging van meerdere slachtoffers. Ook weegt het hof mee dat de verdachte weliswaar momenteel is geplaatst in het regime van een afdeling voor intensief toezicht (AIT), maar dat er volgens de advocaat-generaal op dit moment geen aanwijzing is dat de verdachte, indien hij een straf zou gaan uitzitten, in een ander regime terecht zou komen. Ten slotte weegt het hof mee dat in geval ook in hoger beroep tbs zal worden opgelegd, een spoedige aanvang van de behandeling ook ten goede kan komen aan het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive.

Het hof is van oordeel dat in dit geval aan het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen door aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zodanige voorwaarden te verbinden, dat wordt verzekerd dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in detentie blijft, zij het tijdelijk onder een andere titel, en daarbij geen vrijheden geniet die aan de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf kunnen zijn verbonden, zoals strafonderbreking, kortdurend verlof of deelname buiten de inrichting aan een penitentiair programma. Die verzekering kan worden geboden door te bepalen dat in daarvan afwijkend geval de schorsing van de voorlopige hechtenis zal eindigen.

Aan het schorsen van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf staat geen wettelijke regeling in de weg. Artikel 1.4 van de ministeriële Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen ziet op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, niet op de beslissingen zelf.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof daartegen ook geen principiële bezwaren. Een dergelijke beslissing doorkruist niet de bevoegdheidsverdeling omtrent de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, zoals de advocaat-generaal heeft betoogd. De beslissing tot (tijdelijke) schorsing ziet op de voorlopige hechtenis. Zodra en zolang deze is geschorst, is de tenuitvoerlegging daarvan niet aan de orde. Het is de wet, niet vorenbedoelde beslissing, die de Minister vervolgens verplicht tot tenuitvoerlegging van (het restant van) de onherroepelijk opgelegde straf (artikel 6:1:1, eerste lid, Sv).

De advocaat-generaal heeft nog gesteld dat de wisseling van vrijheidsbenemende titel stuit op praktische bezwaren. Op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd is echter niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval sprake is van zodanig zwaarwegende praktische bezwaren, dat de belangenafweging daardoor – alles overziend – een andere uitkomst zou moeten krijgen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis, mits tijdelijk en onder de na te noemen voorwaarde, dient te prevaleren boven het belang van strafvordering bij het voortzetten van de voorlopige hechtenis.

Het hof zal het verzoek derhalve toewijzen zoals hierna wordt beslist, waarbij het hof het

aangewezen acht om een datum te bepalen waarop de schorsing van de voorlopige hechtenis ingaat, zodat die datum niet wordt overgelaten aan de executerende instantie. Het hof zal daarbij veiligheidshalve rekening houden met een termijn van enkele werkdagen om een naadloze wisseling van de vrijheidsbenemende titel mogelijk te maken.

BESLISSING

Het hof:

Schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met rolnummer 22-002895-25

met ingang van 15 oktober 2026

ten behoeve en onder de voorwaarde van aansluitende tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraffen in de zaken in de zaken met parketnummers 03-136516-17 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf) en 16-653446-17 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf), een en ander voor zover die gevangenisstraffen nog niet eerder, al dan niet deels, zijn tenuitvoergelegd, totdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen eindigt of de verdachte in het kader van die tenuitvoerlegging in aanmerking zou komen voor enige vrijheden in de vorm van voorwaardelijke invrijheidsstelling, penitentiair programma, detentiefasering, (re-integratie)verlof en/of strafonderbreking of de verdachte om enige andere reden op vrije voeten zou komen.

Dit tussenarrest is gewezen door mr. B. Stapert, voorzitter,

mr. M.A.J. van de Kar en mr. W.B.M. Tomesen, leden,

in bijzijn van de griffier mr. E. Mulder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 oktober 2026.

Mr. W.B.M. Tomesen is buiten staat dit tussenarrest te ondertekenen.