Strafrecht overig

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan wederrechtelijke…

Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
22-001560-22
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3066
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en afpersing. Verweer op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM in verband met het niet horen van de aangever verworpen. Vrijspraak diefstal en

poging doodslag c.q. zware mishandeling. Schending redelijke termijn. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. Toewijzing vordering van de benadeelde partij voor immateriële schade.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 1 juni 2022

    ECLI:NL:RBROT:2022:5453
  2. Gerechtshof Den Haag · 14 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3066

Uitspraak

Rolnummer: 22-001560-22

Parketnummer: 10-661048-18

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1983,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 september 2018 - tenlastegelegd dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s)

- de armen en/of benen en/of voeten van die [het slachtoffer] vastgebonden/vastgetaped en/of vastgebonden/vastgetaped gehouden en/of

- de mond van die [het slachtoffer] met tape afgeplakt en/of

- een intimiderende en dreigende sfeer gecreëerd en/of behouden waardoor die [het slachtoffer] werd belet te gaan waarheen hij zich wilde begeven;

2.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[het slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht)

- in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] te slaan/stompen en/of schoppen/trappen en/of

- op de rug van die [het slachtoffer] te stampen en/of

- die [het slachtoffer] over de grond te slepen en/of

- met (de achterkant van) een hakbijl en/of een messenslijper in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] te slaan en/of

- die [het slachtoffer] te dwingen om wit poeder te snuiven;

3.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten zijn (pin)code(s) van zijn pinpas(sen) en/of telefoon en/of internetbankierenapp, in elk geval enig goed of enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan die [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen) (met kracht)

- slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] en/of

- afsnijden van het haar van die [het slachtoffer] en/of

- aan die [het slachtoffer] toevoegen van de de woorden - zakelijk weergegeven - dat zijn vingers eraf gehakt worden als hij zijn codes niet zou geven en/of dat hij geld moest geven omdat hij anders zou worden vermoord, althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking;

4.


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 februari 2018 tot en met

13 februari 2018 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 4026,20 euro), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehorende aan [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van een valse sleutel, te weten zonder toestemming gebruik maken van een of meer bankpas(sen) op naam van die [het slachtoffer] (met bijbehorende pincode(s));

5.


hij op of omstreeks 11 februari 2018, althans in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met (met kracht) met een moersleutel op het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 4 en onder 5 impliciet primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 en 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 464 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Vrijspraak

Feit 4

Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich – al dan niet samen met (een) ander(en) – schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 1] op verzoek en in aanwezigheid van [medeverdachte 2] na de onder 3 tenlastegelegde afpersing en derhalve zonder toestemming van [het slachtoffer] (hierna ook: aangever) met diens bankpas en bijbehorende (pin)code(s) geldbedragen van diens bankrekening heeft gepind. Hoewel de verdachte, op de wijze zoals hierna bewezen is verklaard, betrokkenheid heeft gehad bij deze afpersing van de aangever, is de verdachte zelf niet bij het pinnen aanwezig geweest. Daarnaast blijkt uit het dossier niet van onderling gemaakte afspraken omtrent deze pinhandelingen en evenmin dat de verdachte heeft gedeeld in de opbrengst van de gepinde geldbedragen. Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ten aanzien van de diefstal zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht en evenmin dat de verdachte op andere wijze een bijdrage van zodanig gewicht heeft geleverd dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 5

Anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging acht het hof het onder 5 impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Het hof overweegt in dit verband dat de verklaring van aangever dat hij meermalen met een moersleutel op onder meer zijn achterhoofd is geslagen onvoldoende steun vindt in de zich in het dossier bevindende stukken. Zo is er geen letsel op het achterhoofd van aangever geconstateerd en is er evenmin een moersleutel aangetroffen in de woning waar hij werd vastgehouden. De enkele verklaring van [getuige 1] dat ‘zij wel weet dat wij een moersleutel hadden’ acht het hof onvoldoende. De verdachte zal dan ook van het onder 5 impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Nadere (bewijs)overwegingen

Verklaringen [het slachtoffer]

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich – op gronden als nader omschreven in haar per e-mail aan het hof toegezonden en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [het slachtoffer] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat de bewezenverklaring uitsluitend, of in ieder geval in beslissende mate, is gebaseerd op de verklaringen van aangever, terwijl de verdediging in geen enkel stadium van de procedure in de gelegenheid is gesteld om de aangever te kunnen ondervragen. Het ontbreken van de reële ondervragingsmogelijkheid wordt niet op enigerlei wijze gecompenseerd in deze procedure, zodat dient te worden gekeken naar de “overal fairness of the trial” en of er sprake zal zijn van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) indien de verklaring van aangever wordt gebezigd voor het bewijs. De conclusie van de verdediging luidt dat van een dergelijke schending sprake is, zodat integrale vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt hieromtrent – met de rechtbank – als volgt.

De verdediging heeft op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM het recht om getuigen te ondervragen. Hierbij dient het te gaan om een effectieve ondervragingsmogelijkheid. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad (HR) volgt dat het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, niet automatisch tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden. Indien is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces hoeft het niet effectueren van het ondervragingsrecht ondanks het nodige initiatief daartoe, het gebruik van een door een getuige afgelegde verklaring niet in de weg staan.

De verdediging heeft in eerste aanleg verzocht de aangever als getuige te horen. Dit verzoek is door de rechtbank gehonoreerd en zij heeft de rechter-commissaris belast met de uitvoering daarvan. De rechter-commissaris heeft in zijn processen-verbaal van respectievelijk 6 augustus 2019 en 20 september 2021 geconcludeerd dat gelet op alle inspanningen het niet aannemelijk wordt geacht dat de getuige binnen afzienbare tijd gehoord kan worden. De rechter-commissaris heeft het onderzoek daartoe vervolgens gesloten. In hoger beroep is het verzoek van de verdediging om de aangever als getuige te horen eveneens gehonoreerd. De raadsheer-commissaris heeft het evenwel – net als de rechter-commissaris – onaannemelijk geacht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn gehoord kan worden.

Het hof stelt gelet hierop vast dat de verdediging het ondervragingsrecht dat haar toekomt ten aanzien van de aangever niet heeft kunnen uitoefenen. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangever onder deze omstandigheden in het licht van de jurisprudentie van het EHRM en de HR mogen worden gebruikt voor het bewijs. Daartoe dienen kort gezegd de volgende vragen te worden beantwoord, waarbij de aangever op één lijn met een getuige wordt gesteld:

1) Zijn er voldoende inspanningen verricht om de toegewezen getuige te horen?

2) Wordt het bewijs in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van de getuige?

3) En zo ja; wordt het ontbreken van het uitoefenen van het ondervragingsrecht in

voldoende mate gecompenseerd?

Ad 1)

Het hof stelt vast dat op 3 september 2018 een rechtshulpverzoek is gestuurd aan de

Japanse autoriteiten. Bij dit verzoek is een vertaling in de Japanse taal van de wettelijke artikelen die voor de onderhavige zaak van belang zijn gevoegd. In het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 20 september 2021 is in chronologische volgorde uiteengezet

welke verdere inspanningen door de rechter-commissaris zijn verricht, die evenwel zonder

concreet resultaat zijn gebleven. Ook de raadsheer-commissaris heeft in haar proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2024 beschreven welke inspanningen zijn verricht om te trachten de aangever als getuige te horen. Dit heeft evenwel niet tot het gewenste resultaat geleid. Op 28 september 2026, kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep, is op verzoek van het hof door de raadsheer-commissaris nog een zoekslag gedaan naar de verblijfgegevens van de getuige, echter tevergeefs.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel de rechter-commissaris als de raadsheer-commissaris in redelijkheid tot de conclusie hebben kunnen komen dat men het onaannemelijk acht dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Naar het oordeel van het hof zijn voldoende inspanningen verricht om de toegewezen getuige te horen.

Ad 2)

Het hof stelt vast dat de verklaringen van de aangever de basis vormen van de

verdenkingen ten aanzien van de verdachte. Naast deze verklaringen bevinden zich in het

dossier ook verklaringen van andere getuigen, te weten: de getuige [getuige 1] en de getuige

[getuige 2] . [getuige 1] heeft verklaard dat zij bij de aangever letsel heeft gezien en dat de politie voor deze feiten bij de mensen moet zijn die bij de aangever in de kamer waren, waarbij zij de namen van de verdachte en zijn medeverdachten noemt. [getuige 2] heeft verklaard omtrent de toestand van de aangever, waaronder bij hem geconstateerd letsel en door de aangever benoemde geweldshandelingen die jegens hem zouden zijn verricht. Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard over de lichaamstaal van de beide mannen die met de aangever op de hoek van de straat stonden waarbij hij hun lichaamstaal beschreef als heel dreigend en agressief waarbij zij dingen riepen in de trant van “je hebt geluk gehad” en “hou je mond maar”. Beide getuigenverklaringen bieden naar het oordeel van het hof steun voor de verklaringen van de aangever en voor de betrokkenheid bij het tenlastegelegde van de verdachte en zijn medeverdachten [namen medeverdachten] . Daarnaast vinden belastende onderdelen van de verklaringen van de aangever ook in belangrijke mate steun in de volgende, uit de bewijsmiddelen blijkende, feiten en omstandigheden:

- de letselverklaringen van de (forensische) artsen te Antwerpen en Rotterdam;

- de overboekingen van het geld van de bankrekeningen van de aangever en de

pintransacties met de pas van de aangever;

- de aanwezigheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de momenten dat geld met de pinpas

van de aangever werd opgenomen op 12 en 13 februari 2018, zoals te zien is op de

camerabeelden;

- het verblijf van de aangever in (de omgeving van) de woning van [getuige 1] (zendmastgegevens) vanaf 11 februari 2018 om 20.51 uur en het daarna ontbreken van

telefoongesprekken;

- het aantreffen van een hakbijltje in de woning van [getuige 1] ;

- het brengen van de aangever naar Antwerpen door de medeverdachte [medeverdachte 1] ;

- het aantreffen van de aangever in Antwerpen/Merksum door de Belgische politie.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat het bewijs in deze zaak niet in beslissende mate – in de zin en betekenis van de eisen die hieraan worden gesteld bij het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht – is gebaseerd op louter de verklaringen van de aangever.

Ad 3)

Het hof stelt vast dat geen compensatie anderszins is geboden voor het niet kunnen

uitoefenen van het ondervragingsrecht van de verdediging. Het hof heeft de verklaringen van de aangever kritisch bezien en is tot de conclusie gekomen dat deze concreet, gedetailleerd en consistent zijn, hetgeen de betrouwbaarheid ervan versterkt.

Het hof is gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien van oordeel dat

ook bij gebruikmaking van de verklaringen van de aangever nog steeds wordt voldaan aan de eisen van het recht op een eerlijk proces. Het hof zal de verklaringen van de aangever dan ook bezigen voor het bewijs van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 1]

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door de getuige [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaringen. Het hof overweegt in dit verband dat de verklaringen van de getuige steun vinden in de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Zo komt de waarneming van de getuige dat zij letsel zag bij de aangever en dat zij zag dat de aangever klappen op en tegen zijn hoofd had gehad overeen met de geweldshandelingen die door de aangever in zijn aangifte zijn omschreven. Het enkele feit dat de getuige in eerste instantie zelf als verdachte is aangemerkt, maakt nog niet dat de door haar afgelegde verklaringen bij de politie als onbetrouwbaar dienen te worden beschouwd. Het hof acht de door de getuige afgelegde verklaringen bij de politie dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Medeplegen

Uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s)

- de armen en/of benen en/of voeten van die [het slachtoffer] vastgebonden/vastgetaped en/of vastgebonden/vastgetaped gehouden en/of

- de mond van die [het slachtoffer] met tape afgeplakt en/of

- een intimiderende en dreigende sfeer gecreëerd en/of behouden waardoor die [het slachtoffer] werd belet te gaan waarheen hij zich wilde begeven;

2.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [het slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht)

- in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] te slaan/stompen en/of schoppen/trappen en/of

- op de rug van die [het slachtoffer] te stampen en/of

- die [het slachtoffer] over de grond te slepen en/of

- met (de achterkant van) een hakbijl en/of een messenslijper in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] te slaan en/of

- die [het slachtoffer] te dwingen om wit poeder te snuiven;

3.


hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 15 februari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te weten zijn (pin)code(s) van zijn pinpas(sen) en/of telefoon en/of internetbankierenapp, in elk geval enig goed of enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan die [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen) (met kracht)

- slaan/stompen en/of schoppen/trappen in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] en/of

- afsnijden van het haar van die [het slachtoffer] en/of

- aan die [het slachtoffer] toevoegen van de de woorden - zakelijk weergegeven - dat zijn vingers eraf gehakt worden als hij zijn codes niet zou geven en/of dat hij geld moest geven omdat hij anders zou worden vermoord, althans woorden van gelijkende dreigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en afpersing. De verdachten hebben het slachtoffer enkele dagen in een door hem gehuurde kamer vastgehouden en hem door middel van geweld en bedreiging met geweld gedwongen om zijn (pin)codes af te geven. Deze kamer bevond zich in de woning van de verdachte. Het slachtoffer is hierbij geslagen en met verder fysiek geweld, zoals het afhakken van zijn vingers, bedreigd. Na enkele dagen is het slachtoffer met de auto naar Antwerpen gebracht, alwaar hij op straat uit de auto is gezet en met verwondingen is achtergelaten.

Dit betreffen buitengewoon ernstige feiten. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke vrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat deze situatie voor het slachtoffer bijzonder beangstigend moet zijn geweest, staat dan ook buiten kijf. Uit zijn verklaring blijkt dat hij niet alleen fysiek pijn heeft geleden, maar ook doodsangsten heeft uitgestaan. Hierbij neemt het hof de verdachte ook kwalijk dat het slachtoffer iemand is die kort ervoor vanuit het buitenland naar Nederland was gekomen, de Nederlandse taal niet machtig is en in zoverre extra kwetsbaar was. De verdachte was daarvan op de hoogte en heeft hier samen met zijn medeverdachten op laffe wijze misbruik van gemaakt. Daarnaast dragen dergelijke misdrijven ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Gezien de aard en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden een passende en geboden reactie. Deze straf is lager dan hetgeen door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, dit mede omdat het hof de verdachte vrijspreekt van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Die termijn bedraagt twee jaren, aangezien de verdachte minder dan 16 maanden gedetineerd is geweest. De vervolging van de verdachte is op 16 april 2018 aangevangen met zijn inverzekeringstelling. Door de rechtbank is op 1 juni 2022 vonnis gewezen. De redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg is hiermee met twee jaren en anderhalve maand overschreden. Nu door de verdediging op 3 juni 2022 hoger beroep is ingesteld en het hof op 14 oktober 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn voor deze behandeling eveneens overschreden. Deze overschrijding in hoger beroep bedraagt ongeveer twee jaren en vier maanden. Het hof heeft ook de gehele duur van de procedure in ogenschouw genomen.

Het hof zal de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf. In plaats van de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden opleggen. Deze strafoplegging brengt mee dat de verdachte – na aftrek van het ondergane voorarrest – niet opnieuw in detentie zal worden genomen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In eerste aanleg heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 85.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat de vordering aan de orde is tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde. Immers heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen waaronder een botbreuk aan de onderzijde van de linker oogkas. Daarnaast is sprake van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving van een aantal dagen en de gewelddadige omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving en de afpersing plaatsvonden, brengen in dit geval mee dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot voornoemd bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 282, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 en onder 5 - impliciet primair en impliciet subsidiair - tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

15 februari 2018.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter, mr. V. Mul en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mr. E.A. Poppe-Gielesen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.