Strafrecht overig

Vreedzame manifestatie beschermd door art. 11 EVRM

Gerechtshof Den Haag, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
22-002112-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3171
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vreedzame manifestatie beschermd door art. 11 EVRM

Uitspraak

Rolnummer: 22-002112-24

Parketnummer: 13-737019-12

Datum uitspraak: 4 november 2026

TEGENSPRAAK

Arrest in herziening van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden, op voet van artikel 472, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), van het arrest van 31 augustus 2015 van het gerechtshof Amsterdam, in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres 1] , [woonplaats] .

Procesgang

1. De procedure voorafgaand aan de herziening

1.1

Kantonrechter Amsterdam

De zaak heeft in eerste aanleg gediend voor de kantonrechter in Amsterdam. Bij vonnis van 14 juni 2013 heeft de kantonrechter de verdachte ter zake van het onder tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging.

Namens de officier van justitie is op 21 juni 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

1.2

Gerechtshof Amsterdam

In hoger beroep heeft de zaak voor het gerechtshof te Amsterdam gediend. De zittingen vonden plaats op 28 februari 2014, 15 augustus 2014 en 17 augustus 2015.

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 31 augustus 2015 ter zake van het eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van tweemaal € 50,-, subsidiair 1 dag hechtenis.

Namens de verdachte is op 3 september 2015 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

1.3

Hoge Raad

Bij arrest van 11 april 2017 heeft de Hoge Raad der Nederlanden met toepassing van art. 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep in cassatie verworpen. Daarmee is het arrest van het hof Amsterdam van 31 augustus 2015 onherroepelijk geworden.

1.4

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Namens de verdachte is vervolgens een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), die kort gezegd inhield dat haar vrijheid van vreedzame vergadering is geschonden door de veroordeling van 31 augustus 2015. Bij uitspraak van 21 november 2023 heeft het EHRM vastgesteld dat art. 11 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid.

2. De procedure tot herziening

2.1

Verzoek tot herziening

Namens de verdachte is op 28 november 2023 een herzieningsaanvraag ingediend gebaseerd op de grond van art. 457 lid 1 sub b Sv. Dit artikellid sub b houdt - kort weergegeven - in dat een onherroepelijke veroordeling kan worden herzien op grond van een uitspraak van het EHRM waarin is vastgesteld dat het EVRM is geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in artikel 41 van dat verdrag.

2.2

Hoge Raad

Bij arrest van 11 juni 2024 heeft de Hoge Raad de vordering tot herziening gegrond verklaard en de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 472 lid 1 Sv verwezen naar het gerechtshof Den Haag.

3. De procedure in herziening bij het gerechtshof Den Haag

3.1

De grondslag voor de herziening en de opdracht aan het gerechtshof Den Haag

Het dictum van het laatstgenoemde arrest van de Hoge Raad luidt:

“verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;

beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van

voormeld arrest van het gerechtshof;

verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, om - met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad - hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.”

3.2

Te beoordelen feiten

“De zaak” in de opdracht van de Hoge Raad wordt gevormd door de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, zoals die ter beoordeling aan het hof te Amsterdam voorlagen, een en ander overeenkomstig de tenlastelegging.

3.3

De omvang van het onderzoek van het gerechtshof na herziening

Ingevolge art. 476, vierde lid, Sv geschieden het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen 348 en 350, zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad. Dat betekent dat onderzoek kan worden ingesteld naar alle feiten en omstandigheden, die van belang zijn voor het oordeel over de tenlastegelegde feiten.

Gelet op art. 472, eerste lid, Sv staat het hof in beginsel een aantal mogelijke beslissingen open, te weten:

  • het geheel of gedeeltelijk vernietigen van de onherroepelijke uitspraak en opnieuw rechtdoen, met inachtneming van art. 472, eerste lid, Sv, hetzij

  • het handhaven van de onherroepelijke uitspraak, al dan niet met aanvulling of verbetering van gronden ex artikel 476, vijfde lid, Sv.

3.4

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, het onderzoek ter terechtzitting in cassatie en het onderzoek op de terechtzitting in de procedure in herziening.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De geldigheid van de dagvaarding (feit 2)

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het tweede tenlastegelegde feit nietig is. Hiertoe heeft hij, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van dit feit innerlijk tegenstrijdig is, nu het feitelijke deel van de tenlastelegging niet aansluit op de “zogenoemde kwalificatieve vingerwijzing”.

De tenlastegelegde deelneming aan een samenscholing dan wel een openbare ordeverstoring betreft in feite deelneming aan een betoging zoals bedoeld in de Wet openbare manifestaties, aldus de raadsman. Ten aanzien van dergelijke betogingen bepaalt artikel 2.2 lid 4 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam (hierna: de APV) echter dat de in artikel 2.2 APV genoemde verboden niet van toepassing zijn.

Het hof verwerpt dit verweer. Een tenlastelegging is innerlijk tegenstrijdig als twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet naast elkaar kunnen bestaan. In dat geval is de dagvaarding nietig. Uit de onderhavige tenlastelegging blijkt duidelijk welk strafbaar feit ten laste wordt gelegd en welke voor dat strafbare feit relevante feitelijke gedragingen de verdachte in dat verband worden verweten. Dat hetgeen ten laste is gelegd mogelijk niet tot een veroordeling kan leiden, doet aan de geldigheid van de dagvaarding niet af.

De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van het hof aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt en is geldig.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft voorts een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Tijdens de behandeling van de zaak is namelijk gebleken dat camerabeelden (genaamd [camerabeeld 1] en [camerabeeld 2]) die tot het strafdossier behoorden – en blijkens de stukken gedurende de behandeling bij het hof Amsterdam en bij het EHRM ook zijn bekeken – zich nu niet meer in het dossier bevinden.

Naar het oordeel van de verdediging zijn deze beelden relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake was van een demonstratie met een vreedzaam karakter en daarmee of de verdachten aanspraak kunnen maken op bescherming van artikel 11 EVRM.

In verband met het onmiddellijkheidsbeginsel zou het hof de mogelijkheid moeten hebben om de beelden zelf te bekijken en zich aldus ter zake zelf een oordeel te vormen, aldus de verdediging. Nu de beelden niet meer beschikbaar zijn levert dat naar het oordeel van de verdediging schending van een behoorlijke procesorde en van artikel 6 EVRM op, althans een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv.

Het hof verwerpt dit verweer. Niet is gebleken, en door de verdediging is dat ook niet gesteld, van enig opzettelijk of verwijtbaar handelen van het Openbaar Ministerie dat heeft geleid tot het niet meer beschikbaar zijn van de camerabeelden.

Naar het oordeel van het hof belemmert de afwezigheid van de camerabeelden de verdachte in dit stadium van de procedure niet in haar verdediging.

Uit niets is gebleken dat de verdachte tijdens de demonstratie zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan een groep die geweld heeft gebruikt of daartoe heeft aangezet. Het Openbaar Ministerie en de verdediging stellen zich beide op het standpunt dat de verdachte daarom aanspraak kan maken op bescherming van artikel 11 EVRM, hetgeen overigens ook volgt uit de uitspraak van het EHRM van 21 november 2023 in de zaak van de verdachte.

Het hof neemt dit standpunt over. De camerabeelden zijn dus niet meer nodig ter onderbouwing daarvan. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of van artikel 6 EVRM, noch is sprake van enig onherstelbaar vormverzuim.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 05 juli 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) bij een gebeurtenis die tot toeloop van publiek aanleiding gaf en/of bij enig voorval waardoor ongeregeldheden ontstonden of dreigden te ontstaan (te weten de (voorbereiding en uitvoering van de) ontruiming van een of meer pand(en) gelegen aan de [adres 2] en/of [adres 3] aldaar, in elk geval één of meer de(e)len van die/dat pand(en), door één of meer ambtenaren van politie) aanwezig was/waren en/of zich in de richting van die gebeurtenis of dat voorval begaf/begaven, niet op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn/hun weg heeft/hebben vervolgd in de aangegeven richting, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) geen gevolg gegeven aan drie, in elk geval één of meer, vordering(en) van de politie om zich te verwijderen in de richting van de Prinsengracht;

en/of

zij op of omstreeks 05 juli 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de weg, te weten de Passeerdersgracht, heeft deelgenomen aan een samenscholing en/of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen heeft lastiggevallen en/of heeft gevochten en/of op andere wijze de orde heeft verstoord, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) deel uitgemaakt van een groep mensen (van ongeveer 150 personen), door en/of vanwege welke groep

-op diverse openbare gebouwen en bruggen spandoeken zijn aangebracht en/of tafels en/of andere voorwerp(en) over/op de rijbaan van de Passeerdersgracht zijn geplaatst en/of die rijbaan werd geblokkeerd aan de zijde van één of meer op die dag door één of meer ambtenaren van politie te ontruimen pand(en) (gelegen aan de [adres 2] en/of [adres 3]) en/of

-(kennelijk op versterkte wijze en/of luide) muziek werd voortgebracht en/of (op andere wijze) veel geluid werd geproduceerd en/of

- ( nadat er door de politie (drie maal) was gevorderd dat verdachte en/of haar mededader(s) zich moest(en) verwijderen) massaal werd gejoeld en/of geschreeuwd en/of

- één of meer (bier)flessen, in elk geval één of meer harde en/of zware en/of scherpe voorwerp(en) werd(en) gegooid in de richting van (een) (politie)voertuig(en) en/of

- werd gescandeerd: "Kraken gaat door" en/of "Jullie marionetten van de overheid", in elk geval één of meer leu(s)z(en) en/of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- ( terwijl die groep (over de Passeerdersgracht) door ambtenaren van politie werd verdreven en/of bewogen in de richting van de Prinsengracht) werd gegooid met diverse voorwerpen, te weten een verfbom en/of één of meer stok(ken) en/of flesje(s), in elk geval één of meer (hard(e) en/of scherp(e) en/of zwa(a)r(e)) voorwerpen en/of

-schopbewegingen werden gemaakt naar en/of in de richting van één of meer ambtena(a)r(en) van politie (die zich in de onmiddellijke nabijheid van voornoemde groep bevond(en)).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de bewezenverklaring en de kwalificatie zoals beslist in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 augustus 2015 worden gehandhaafd en, met vernietiging van het arrest voor het overige, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het arrest waarvan herziening

Het hof handhaaft het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 augustus 2015 voor zover het de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen betreft. Het hof vernietigt het arrest voor het overige en doet opnieuw recht, omdat het tot een andere beslissing komt.

Bewijsverweren

Namens de verdachte heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van het eerste en van het tweede ten laste gelegde feit.

In dit verband gaat de verdediging ervan uit dat sprake was van een betoging.

Ten aanzien van het eerste feit voert de raadsman aan dat de betreffende vorderingen aan de aanwezigen op de Passeerdersgracht zich te verwijderen onbevoegd – en derhalve onrechtmatig – zijn gegeven. Vanuit de (grond)wettelijke beperkingssystematiek van betogingen is de vraag aan de orde of de politie bevoegd was tot het doen van de tenlastegelegde vorderingen. Naar het oordeel van de verdediging was die bevoegdheid er niet en dient dat tot vrijspraak te leiden.

Het hof verwerpt dit verweer. Wat er zij van de juistheid van het gestelde, het ontbreken van de bevoegdheid zoals betoogd leidt gelet op het tenlastegelegde waarin de rechtmatigheid van de vordering geen bestanddeel van is niet tot vrijspraak maar zou leiden tot het ontbreken van strafbaarheid van het betreffende feit.

Ten aanzien van het tweede feit voert de raadsman aan dat deelneming aan een betoging op grond van de APV niet kan worden gekwalificeerd als samenscholing of openbare ordeverstoring als bedoeld in de APV.

Het hof verwerpt ook dit verweer. De onmogelijkheid om het bewezenverklaarde te kwalificeren leidt immers evenmin tot vrijspraak.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof neemt tot uitgangspunt de vaststelling door het EHRM in zijn beslissing van 21 november 2023 in de zaak van de verdachte dat aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde bescherming toekomt van artikel 11 EVRM.

Beperking van het uit artikel 11 EVRM voortvloeiende recht op vreedzame vergadering (‘peaceful assembly’) is slechts toegestaan voorzover noodzakelijk in een democratische samenleving (‘necessary in a democratic society’).

Ten aanzien van de verdachte is geen sprake van laakbaar gedrag (‘reprehensible act’) nu niet is gebleken dat in verband met het tenlastegelegde van de verdachte enige daad van geweld is uitgegaan.

De strafrechtelijke vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde is daarom niet noodzakelijk in een democratische samenleving (‘necessary in a democratic society’).

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbare feiten oplevert. De verdachte moet derhalve ter zake van deze feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 augustus 2015 – behalve ten aanzien van de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen – en doet opnieuw recht:

Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. A.E. Harteveld en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 november 2026.