Strafrecht overig
Veroordeling subsidiair tenlastegelegde mishandeling na eerdere integrale vrijspraak in eerste aanleg…
Gerechtshof Den Haag, 24 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:360 · Gerechtshof Den Haag · 24 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-360
Zaakgegevens
Op 24 februari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 februari 2026
- Datum publicatie
- 10 maart 2026
- Zaaknummer
- 22-001165-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:360
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling subsidiair tenlastegelegde mishandeling na eerdere integrale vrijspraak in eerste aanleg. Oplegging schadevergoedingsmaatregel zonder voorliggende vordering benadeelde partij. Aanschaf camerasysteem bij de woning van het slachtoffer kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade
Uitspraak
Rolnummer: 22-001165-24
Parketnummer: 10-055755-24
Datum uitspraak: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
20 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 14 februari 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen: - die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen het hoofd en/of bovenlichaam, althans lichaam heeft geslagen, - een of meerdere malen een baksteen, althans een voorwerp in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid en/of - een plantenpot, althans een voorwerp in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 14 februari 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- een of meerdere malen tegen het hoofd en/of het bovenlichaam, althans het lichaam te slaan.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en zal worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe dat het dossier weliswaar aanknopingspunten biedt dat er in, dan wel naar (de hal van) de woning met een baksteen en plantenpot is gegooid, maar dat onvoldoende is vast te komen staan op welke wijze en met welke kracht dat naar/in de richting van aangever is gegaan. Het hof concludeert dan ook dat op basis van het dossier onvoldoende is gebleken of sprake was van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel of van aanvaarding van die kans door de verdachte, zodat van opzet op het toebrengen van dergelijk letsel in voorwaardelijke zin ook geen sprake kan zijn.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 14 februari 2024 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- een of meerdere malen tegen het hoofd en/of het bovenlichaam, althans het lichaam te slaan;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde
In de avond van 14 februari 2024 is er bij de woning van de aangever aangebeld, waarna hij van een man klappen kreeg. Aangever heeft daarna vrijwel onmiddellijk van het incident bij de politie melding gemaakt en wees de verdachte direct aan als de dader door zijn, verdachtes, voor- en achternaam te noemen en een signalement op te geven. De aangever verklaart bij de politie de verdachte (uit het verleden) te kennen.
De verdachte ontkent elke betrokkenheid bij het tenlastegelegde. De verdachte meent in het eerste politieverhoor dat sprake is van speculaties en dat hij aangever niet persoonlijk kent. In een tweede politieverhoor verklaart de verdachte wel dat er een aantal jaren geleden een ‘akkefietje’ was met aangever en een vriend van aangever. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaart de verdachte dat hij de dader niet kan zijn geweest, omdat hij ten tijde van de mishandeling bij zijn broertje verbleef en nadien bij de woning van zijn, verdachtes, ouders is afgezet. Het hof merkt daarbij op dat de woning van de ouders van de verdachte zich op zo’n 300 meter van de woning van de aangever bevindt.
Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ), de partner van de aangever, ondersteunt de verklaring van de aangever. [getuige] heeft verklaard op de avond van 14 februari 2024 de bel van de voordeur te hebben gehoord, waarna [getuige] zag dat de aangever naar de voordeur liep en hem hoorde vervolgens hoorde zeggen ‘tuurlijk ken ik je nog’. Hierna hoorde [getuige] een man zeggen ‘jij gaat mij smartengeld betalen of ik maak je dood’. [getuige] heeft hierna gezien dat de verdachte de aangever meermaals sloeg. Het signalement van de verdachte die [getuige] opgeeft, sluit grotendeels aan op het door de aangever opgegeven signalement. [getuige] heeft de verdachte vervolgens aan de hand van de haar getoonde politiefoto van de verdachte herkend.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij niet de persoon is geweest die de aangever heeft mishandeld en dat hij een alibi heeft ongeloofwaardig. Hierbij betrekt het hof dat de verklaring van de verdachte over dit alibi geen objectief verifieerbare details bevat en dat deze verklaring overigens ook niet zou uitsluiten dat hij op de plaats delict was, Het hof schuift deze verklaring dan ook terzijde.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Aldus handelende heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij naar het huis van het slachtoffer is gekomen en hem daar heeft mishandeld. Dat is bij uitstek een plek waar het slachtoffer zich veilig dient te voelen. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat de mishandeling geestelijk en lichamelijk wonden heeft achtergelaten.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De verdacht heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij nog veelvuldig in de woonplaats van het slachtoffer komt, omdat zijn ouders daar wonen en hij daar werkt.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. De voorwaardelijk gevangenisstraf dient ertoe om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof stelt vast dat het slachtoffer zich niet als benadeelde in deze strafzaak heeft gevoegd. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat het slachtoffer in eerste aanleg weliswaar tijdig zijn wensen als slachtoffer kenbaar heeft gemaakt, maar dat de vordering om onbekend gebleven redenen niet tijdig is binnengekomen bij de politierechter en hierom niet in eerste aanleg is behandeld. Ter terechtzitting in eerste aanleg was het slachtoffer niet verschenen.
De politierechter heeft hierom geen beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij.
De advocaat-generaal heeft gevorderd om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen van in totaal een bedrag van € 1.356,38 dat bestaat uit € 356,38 materiële schade (medische kosten: eigen risico) en € 1.000 aan immateriële schade. De advocaat-generaal baseert zich hierbij op de op 20 maart 2024 ingekomen vordering benadeelde partij van het slachtoffer die zich bij de stukken bevindt.
De verdediging heeft verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen nu het slachtoffer zich niet in het strafproces heeft gevoegd en vanwege de bepleite vrijspraak van de verdachte.
Het hof stelt voorop dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof verzet het feit dat het slachtoffer niet (tijdig) een vordering tot schadevergoeding in de strafzaak heeft ingediend zich in dit geval niet tegen de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Hierbij betrekt het hof dat de wens van het slachtoffer om zich als benadeelde partij tijdig te voegen er was en dat het slachtoffer hiertoe ook een vordering heeft ingediend, maar dat deze om onbekend gebleven redenen niet tijdig bij de politierechter is binnengekomen. Het hof neemt bij de oplegging van deze maatregel voorts het volgende in aanmerking.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die hem ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is toegebracht. Het hof is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat het slachtoffer materiële schade heeft geleden– te weten de gemaakte medische kosten van het eigen risico maar ook de kosten voor de aanschaf van camera’s bij zijn woning van € 599,00– en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Het hof overweegt dat uit de stukken overgelegd door het slachtoffer blijkt dat hij medische kosten heeft gemaakt, die in direct verband staan met de bewezenverklaarde mishandeling.
Wat betreft de kosten voor de aanschaf van camera’s neemt het hof in aanmerking dat de verdachte weet waar het slachtoffer woont en de verdachte zich met regelmaat in de woonplaats van het slachtoffer bevindt, nu de ouders van de verdachte daar woonachtig zijn en hij, de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring ter terechtzitting tevens werkzaam is in diezelfde woonplaats. Uit het schadeonderbouwingsformulier volgt dat het slachtoffer enorm is aangetast in zijn gevoel van veiligheid in zijn eigen woning. Mede op aanraden van de politie heeft dit hem er toegebracht een camerasysteem te installeren, zodat hij een veiliger gevoel kan hebben in zijn eigen huis.
Het hof zal ter zake van de materiële schade de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 955,38.
Voorts is het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit het schadeonderbouwingsformulier blijkt dat het slachtoffer als gevolg van het gepleegde strafbare feit fysiek letsel en pijn heeft gehad. Het hof zal ter zake van de immateriële schade de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag € 750,00. Hierbij heeft het hof gekeken naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen.
Concluderend zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen ter hoogte van een bedrag van € 1.705,38, te vermeerderen met de wettelijke rente met de hierna te noemen ingangsdatum.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.705,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd, ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.705,38 (zeventienhonderdvijf euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de schadevergoedingsmaatregel op 14 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. F. Pouleijn, als voorzitter,
en mr. C. Fetter en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 februari 2026.