Strafrecht overig
Whatsappfraude. Hof veroordeelt voor schuldwitwassen tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De…
ECLI:NL:GHDHA:2026:574 · Gerechtshof Den Haag · 13 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-574
Zaakgegevens
Op 13 april 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 april 2026
- Datum publicatie
- 14 april 2026
- Zaaknummer
- 22-001468-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:574
Samenvatting
Whatsappfraude. Hof veroordeelt voor schuldwitwassen tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De verdachte heeft (kort) de beschikking gehad over de frauduleus verkregen geldbedragen en is voorts degene geweest die de bedragen heeft opgenomen met zijn pinpas en pincode. Hij had in het licht van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moeten vermoeden dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.
Het alternatieve scenario inhoudende dat de pinpas en pincode van de verdachte buiten zijn weten zijn misbruikt door een ander, acht het hof niet aannemelijk geworden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-001468-24
Parketnummer: 09-044372-22
Datum uitspraak: 13 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 19 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 mei 2020, te Zoetermeer, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van in totaal 1458,85 euro, althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 13 mei 2020, te Kollum, gemeente Noardeast-Fryslân, althans in Nederland (van) een geldbedrag van in totaal 924 euro, althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3.
hij op of omstreeks 13 mei 2020, te Kruisland, gemeente Steenbergen, althans in Nederland (van) een een geldbedrag van in totaal 4939,96 euro, althans een of meer voorwerpen
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.
Aanvulling van de bewijsoverweging
Net als in eerste aanleg, is door de raadsman in hoger beroep primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het de verdachte was die de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De verdachte heeft verklaard dat zijn bankrekening, pasje en pincode buiten zijn weten om door een ander zijn misbruikt om de geldbedragen wit te wassen. De verdachte was op het moment van kasopname in Amsterdam en er zijn geen camerabeelden waaruit blijkt dat dit anders was. Wegens gebrek aan voldoende bewijs, dient de verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van WhatsApp-berichtjes die de aangevers ontvingen van – door hen verondersteld – ‘hun kinderen’, maakten zij de tenlastegelegde bedragen over naar een bankrekeningnummer dat aan de verdachte toebehoorde. Vrijwel direct nadat de betreffende bedragen naar dit rekeningnummer waren overgemaakt, werden bedragen (van soortgelijke grootte) van de rekening opgenomen bij een pinautomaat in Den Haag. Uit de in het dossier opgenomen bankafschriften en de tijdsgegevens over de geldopnames blijkt dat er steeds slechts luttele minuten zaten tussen de storting van het geld op de rekening van de verdachte en de geldopname bij de geldautomaat.
Gelet op deze korte intervallen tussen het moment van storten en het moment van geldopname, moet degene die gepind heeft, hebben geweten dat er kort tevoren niet alleen bedragen op die rekening gestort waren maar ook op de hoogte zijn geweest van de grootte van de bedragen die vervolgens werden opgenomen en daarmee dus exacte beschikking over/inzicht in de ‘real time’ bankrekeninggegevens hebben gehad. Het beschikken over de pinpas van de verdachte is daarvoor niet voldoende.
De bedragen zijn voorts opgenomen met de pinpas en de pincode van de verdachte. Gelet op het voorgaande, blijkt dat de verdachte in ieder geval beschikking heeft gehad over het geld – ook al was dat steeds heel kort – en dat het de verdachte is die de bedragen vervolgens heeft opgenomen. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat alleen hij en zijn ex-vrouw beschikten over zijn pincode. De verdachte had bij dit alles in het licht van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moeten vermoeden dat het om ‘verkeerd’ geld ging.
Het door en namens de verdachte aangevoerde alternatieve scenario dat hij zijn pinpas kwijt was en dat deze is misbruikt, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden, nu de verdachte deze pas nooit heeft geblokkeerd noch aangifte bij de politie heeft gedaan. Ook de verklaring dat iemand zijn pincode misschien heeft afgekeken en de verklaring dat de verdachte op de pleegdatum in Amsterdam was, zijn door of namens de verdachte niet verder onderbouwd en dus niet aannemelijk geworden.
Aanvulling van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht
Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit gepleegd is opnieuw tot een straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Aanvulling ten aanzien van de vordering van [de benadeelde partij]
Volledigheidshalve merkt het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij op dat het gevorderde bedrag verschilt van het onder 2 ten laste gelegde bedrag, waarmee die vordering verband houdt. Nu geld een soortzaak is en de vordering bovendien een lagere geldsom bedraagt dan het bedrag zoals genoemd in de tenlastelegging, vormt dit naar het oordeel van het hof geen belemmering voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Het vonnis waarvan beroep moet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder aanvulling van gronden worden bevestigd.
Aanvulling strafmotivering
Anders dan de politierechter heeft overwogen is in onderhavige zaak het taakstrafverbod van art. 22b Wetboek van Strafvordering niet van toepassing. Weliswaar is aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 juni 2019 een taakstraf opgelegd voor een vermogensdelict, maar deze taakstraf is blijkens de Justitiële Documentatie van 19 maart 2026 voldaan in de periode 4 juli 2019 - 27 november 2020 en dus pas na de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten afgerond.
Deze vaststelling leidt echter niet tot een andere strafoplegging nu op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, als voorzitter, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. R. Appels, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2026.
Mr. R. Appels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.