Bestuursstrafrecht
Gerechtshof Leeuwarden · Hoger beroep · Bestuursstrafrecht
Gerechtshof Leeuwarden, 21 februari 2001
ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0109 · Gerechtshof Leeuwarden · 21 februari 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghlee-2001-zj0109
Zaakgegevens
Op 21 februari 2001 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 februari 2001
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- WAHV 00-00284
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0109
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
WAHV 00/00284
21 februari 2001
CJIB 27281344
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter te Utrecht
van 25 juli 2000
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 20 april 2000 uitgevaardigde kennisgeving van verhaal niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Na afloop van de daartoe gestelde termijn heeft de betrokkene schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge art. 27, zesde lid, jo art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht. Bij brief van 22 augustus 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling het griffierecht te betalen door storting van het verschuldigde bedrag op de bankrekening ten name van het Arrondissement Utrecht. Uit een brief d.d. 11 september 2000 van de arrondissementale stafdienst Utrecht, financiële en economische zaken, aan het kantongerecht blijkt evenwel dat binnen die termijn geen griffierecht is betaald.
Gelet hierop dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.2. De reactie op het verweerschrift is binnengekomen na afloop van de daartoe gestelde termijn. Derhalve kan op de inhoud van de nadere reactie - die overigens niet afdoet aan het vorenoverwogene - geen acht worden geslagen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 februari 2001.