Bestuursstrafrecht

Gerechtshof Leeuwarden · Hoger beroep · Bestuursstrafrecht

Gerechtshof Leeuwarden, 11 juli 2001

Zaakgegevens

Op 11 juli 2001 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
11 juli 2001
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
WAHV 01-00215
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0169
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

WAHV 01/00215

11 juli 2001

CJIB 20241575

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Alkmaar

van 28 september 2000

betreffende

[naam BV] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter is – gelet hierop – niet toegekomen aan een beoordeling van het verzoek van de betrokkene om een proceskostenveroordeling. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een proceskostenveroordeling.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn – in hoger beroep niet bestreden – vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene voert in zijn beroepschrift – zakelijk weergegeven – aan, dat deze beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven nu – voor zover hier van belang – het eisen van een zekerheidstelling voorafgaand aan het beroep bij de kantonrechter in strijd is met art. 6 EVRM en met name in strijd is met de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie.

3.3. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 november 1993 (NJ 1994, 198) geoordeeld, dat de verplichting tot het op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep stellen van zekerheid niet in strijd is met het in art. 6, tweede lid, EVRM vervatte vermoeden van onschuld. Hij overwoog daartoe, dat de verplichting tot zekerheidstelling niet vooruit loopt op de door de rechter te beantwoorden vraag of een betrokkene een gedraging in de zin van de WAHV heeft verricht en dat deze verplichting tot zekerheidstelling evenmin de verdedigingsmogelijkheden beperkt waarover een betrokkene kan beschikken.

3.5. Uit hetgeen onder 3.4. is overwogen, vloeit voort, dat het verweer van de betrokkene dient te worden verworpen.

3.6. Nu het hof ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die nopen tot de conclusie dat de betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest tijdig zekerheid te stellen, heeft de kantonrechter terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.7. Het voorgaande brengt mee, dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden bevestigd.

3.8. Nu de betrokkene in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof het – in hoger beroep gedane – verzoek van de betrokkene om een proceskostenveroordeling afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr Vellinga, in tegenwoordigheid van de heer Jongeling als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.