Bestuursstrafrecht

Gerechtshof Leeuwarden · Hoger beroep · Bestuursstrafrecht

Gerechtshof Leeuwarden, 17 april 2002

Zaakgegevens

Op 17 april 2002 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
17 april 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 02-00090
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2601
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Uitspraak

WAHV 02/00090

17 april 2002

CJIB 39277114

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Emmen

van 22 november 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Assen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

3.2. Het beroepschrift is gedateerd 12 januari 2002 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 16 januari 2002 ter griffie van de kantonrechter ingekomen. Aangezien de bestreden beslissing blijkens een daarop gestelde aantekening op 22 november 2001 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift, gelet op het voorgaande, niet tijdig ingediend.

3.3. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.4. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat in zijn geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, nu hij eerst op 8 januari 2002 in Nederland terugkwam na een verblijf van 2,5 maanden in [naam land] hierdoor niet in staat was op tijd in hoger beroep te gaan.

3.5. De door de betrokkene aangevoerde omstandigheid komt geheel voor zijn rekening - van de betrokkene mag immers verwacht worden dat hij bij langdurig verblijf in het buitenland adequate voorzieningen treft om kennis te kunnen nemen van aan hem gerichte en op zijn adres in Nederland binnenkomende post - en leidt mitsdien niet tot het oordeel dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de betrokkene in verzuim is geweest.

3.6. De betrokkene dient gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.