Strafrecht overig
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens verjaring van de overtredingen. Tussen de betekening…
ECLI:NL:GHLEE:2011:BU1953 · Gerechtshof Leeuwarden · 21 oktober 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghlee-2011-bu1953
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2011 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 24-000332-07
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHLEE:2011:BU1953
Samenvatting
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens verjaring van de overtredingen. Tussen de betekening aan verdachte van de dagvaarding in hoger beroep en de betekening van de aanzegging hoger beroep zijn meer dan drie jaren verstreken, zodat het recht tot strafvordering voor de behandeling in hoger beroep is verjaard. De verjaringstermijn is niet gestuit of geschorst.
Uitspraak
Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-000332-07
Uitspraak d.d.: 21 oktober 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Groningen van 5 februari 2007 in de strafzaak tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 oktober 2011.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging vanwege verjaring. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,
mr. C. Grondsma, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De aan verdachte ten laste gelegde overtredingen zouden zijn gepleegd in de periode van
22 september 2006 (oudste feit) tot en met 24 oktober 2006 (jongste feit).
Artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht bepaalde tot
1 februari 2008 dat het recht tot strafvordering voor overtredingen vervalt door verjaring indien er twee jaren zijn verstreken. Door een wetswijziging, welke op 1 februari 2008 in werking is getreden, bepaalt voornoemd artikel nu dat het recht tot strafvordering voor overtredingen vervalt door verjaring indien er drie jaren zijn verstreken.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij verandering van wetgeving met betrekking tot verjaring in strafzaken als uitgangspunt geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. De laatste daad van vervolging vóór de wijziging van de termijn, te weten de betekening aan verdachte van de aanzegging hoger beroep d.d. 4 juli 2007, heeft de verjaring ingevolge artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht gestuit. Hierdoor is een nieuwe verjaringstermijn aangevangen. Op het moment van de inwerkingtreding van voornoemde wijziging was de verjaring in deze zaak nog niet voltooid, zodat de nieuwe wetgeving van toepassing is en de verjaringstermijn van drie jaren geldt.
Het hof stelt vast dat tussen de betekening aan verdachte van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 augustus 2011 en de betekening van de aanzegging hoger beroep aan verdachte d.d. 4 juli 2007 meer dan drie jaren zijn verstreken, zodat het recht tot strafvordering voor de behandeling in hoger beroep is verjaard. De verjaringstermijn is noch door een daad van vervolging gestuit, noch ingevolge artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht geschorst, zodat het hof het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zal verklaren.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.J. Beswerda, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. E. de Witt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 21 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J. Hielkema en mr. I.N. Koers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.