Strafrecht overig

Verdachte heeft appel ingesteld tegen de afwijzingen van de verzoeken tot opheffing en schorsing van de…

Zaakgegevens

Op 1 oktober 2012 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
1 oktober 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
000710-12
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9450
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte heeft appel ingesteld tegen de afwijzingen van de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissingen zijn genomen op de openbare terechtzitting van de rechtbank.

Ter zitting in raadkamer heeft de verdachte een mondeling verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan.

Verdachte heeft eerder bij het gerechtshof appel ingesteld tegen een afgewezen verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, zodat hij op grond van het bepaalde in artikel 87, tweede lid, Sv. niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

De beslissing tot afwijzing van het verzoek tot schorsing is ter openbare terechtzitting gegeven en waartegen op grond van het bepaalde in artikel 406, eerste lid Sv. alleen hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak. Op grond hiervan kan de verdachte ook niet in zijn appel gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis worden ontvangen.

Gelet op voorgaande kan het hof niet toekomen aan het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zoals in raadkamer gedaan.

Uitspraak

Raadkamernummer: 0710-12

Parketnummer eerste aanleg: 18-630505-11

1 oktober 2012

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Voorlopige hechtenis

Blijkens de akte van de griffier van de rechtbank Groningen van 6 september 2012 is namens:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de [inrichting],

hoger beroep ingesteld van de beslissingen zoals vermeld in het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van voormelde rechtbank d.d. 3 september 2012, waarbij het verzoek tot opheffing en het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte werd afgewezen.

Het hof heeft gezien de beslissingen, waarvan beroep.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Dam,

advocaat te Amsterdam.

Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman van verdachte een mondeling verzoek tot schorsing gedaan.

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt het hof als volgt. In artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is als hoofdregel bepaald dat de verdachte éénmaal bij het gerechtshof in hoger beroep kan komen van een afwijzende beslissing op een verzoek tot schorsing dan wel een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Voorts is het volgende van belang. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt het tweede lid van

artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering een regeling te geven voor de termijn voor het

instellen van het hoger beroep, indien de verdachte op de terechtzitting wordt geconfronteerd met een

bevel tot gevangenneming of indien zijn verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding wordt afgewezen. De wetgever heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen dat met de invoering van het tweede lid van artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering niet is beoogd een nieuwe beroepsmogelijkheid te creëren (Kamerstukken II 1996-1997, 24219, nr. 12, p. 8).

Uit de stukken blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het onderhavige verzoek in beroep is gekomen tegen onder meer een afgewezen verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft het hoger beroep tegen die beschikking van de rechtbank (d.d. 23 mei 2012) op

25 juni 2012 afgewezen en voormelde beschikking bevestigd.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat de verdachte, ingevolge het bepaalde in artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet in zijn hoger beroep, gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, kan worden ontvangen.

Voorts overweegt het hof ten aanzien van het hoger beroep, gericht tegen het afgewezen verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, als volgt.

De beslissing van de rechtbank waarbij het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen is een beslissing die ter terechtzitting is gegeven en waartegen op grond van het bepaalde in artikel 406, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering alleen hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak. Verdachte zal op grond hiervan dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het voorgaande brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zoals in raadkamer gedaan.

Beslissing

Het gerechtshof,

beschikkende in hoger beroep:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Aldus gewezen op 1 oktober 2012 door mr. W.M. van Schuijlenburg als voorzitter, mrs. K. Lahuis en

D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, in tegenwoordigheid van J.G. Terhell als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

Leeuwarden,

de advocaat-generaal,