Belastingrecht
Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Belanghebbende heeft ter zitting voor het eerst het standpunt ingenomen…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1640 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1640
Zaakgegevens
Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Datum publicatie
- 24 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/578
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1640
Samenvatting
Naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Belanghebbende heeft ter zitting voor het eerst het standpunt ingenomen dat hij de kostenraming in zijn geheel bestrijdt. Het hof verklaart dit nieuwe standpunt van belanghebbende tardief en laat dit standpunt buiten beschouwing.
Verder is tussen partijen in geschil of verschillende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van de naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht. De totale kosten van de naheffing worden echter al gedekt door de personeelskosten en overheadkosten. Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom deze posten op een te hoog bedrag zouden zijn vastgesteld.
Uitspraak
Inhoudsopgave
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/578
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 april 2024, nummer SHE 22/3288, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven ,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, [naam] en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Het hof heeft na sluiting van het onderzoek nog een stuk van de heffingsambtenaar ontvangen. Het hof heeft de inzending van het stuk opgevat als een verzoek om heropening van het onderzoek. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.0.1 vermelde gronden afgewezen.
2 Feiten
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op 24 september 2022 omstreeks 13:59 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] , terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
De naheffingsaanslag bestaat uit een bedrag aan parkeerbelasting van € 3,50 en kosten naheffing van € 66,50. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11, lid 1, Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening) en is gelijk aan het voor het jaar 2022 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag als bedoeld in artikel 3 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, tekst 2022 (hierna: het Besluit).
In het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Eindhoven staat de volgende onderbouwing voor de kosten die ten grondslag liggen aan het in artikel 11, lid 1, van de Verordening neergelegde bedrag:
Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022
De kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag worden geraamd op € 81,80 per aanslag.
|
- Informatie verwerkingskosten |
€ 352.279 |
|
- Kosten afschrijving + interest |
€ 78.314 |
|
- Personeelskosten |
€ 2.522.621 |
|
- Overheadkosten |
€ 1.228.350 + |
|
Totale kosten |
€ 4.181.564 |
Aantal inbare naheffingsaanslagen: 51.118
Aan de posten “informatie verwerkingskosten” en “Kosten afschrijving + interest” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag:
[afbeelding niet beschikbaar]Aan de posten “Personeelskosten” en “Overheadkosten” ligt voor het jaar 2022 de volgende onderbouwing ten grondslag:
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de volgende kosten ten onrechte zijn gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening mogen worden gebracht:
- kosten voor invordering;
- kosten voor parkeerautomaten;
- kosten voor kleding;
- kosten van politie en handhaving.
Verder is in geschil of de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd omdat de beroepsgrond met betrekking tot de kostenraming niet is behandeld.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf
Stukken na sluiting onderzoek
Het hof merkt het onder 1.7 vermelde stuk aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het verzoek van belanghebbende is immers niet gemotiveerd. Het hof rekent het stuk van belanghebbende niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
Nieuw standpunt op zitting
Belanghebbende heeft zich ter zitting voor het eerst op het standpunt gesteld dat niet alleen de kosten die hij heeft vermeld in zijn hogerberoepschrift in geschil zijn, maar dat hij de kostenraming in zijn geheel bestrijdt.
In beginsel kan een partij in een belastingzaak gedurende de gehele procedure in hoger beroep nieuwe standpunten en geschilpunten aan de orde stellen, tenzij de behandeling ervan niet in overeenstemming is met de goede procesorde. Daarvan kan onder meer sprake zijn als de wederpartij door die behandeling (ter zitting) overvallen zou worden en zich niet adequaat zou kunnen verweren en dat de partij die het nieuwe geschilpunt aanvoert dit in een eerder stadium van de procedure had kunnen doen.
Naar het oordeel van het hof had belanghebbende zijn ter zitting ingenomen standpunt redelijkerwijs eerder in de procedure kunnen en moeten inbrengen. Het hof heeft al op 16 januari 2026 laten weten voornemens te zijn om onder andere deze zaak op 21 mei 2026 ter zitting te behandelen. Verder zijn de uitnodigingen voor de zitting ruime tijd geleden, op 16 februari 2026, verzonden zodat belanghebbende voldoende de gelegenheid heeft gehad om zich daarop voor te bereiden. Van de heffingsambtenaar kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij tijdens de zitting nog inhoudelijk op het nieuwe standpunt van belanghebbende reageert, aangezien belanghebbende met zijn nieuwe standpunt de volledige kostenraming ter discussie stelt. Een afweging van het belang van belanghebbende bij de behandeling van het nieuwe standpunt tegenover het algemene belang van een doelmatige procesgang leidt tot de conclusie dat de behandeling van het nieuwe standpunt in strijd zou komen met de goede procesorde. Het hof verklaart het nieuwe standpunt van belanghebbende dan ook tardief en laat dit standpunt buiten behandeling.
Ten aanzien van het geschil
Is de kostenlimiet naheffing overschreden?
In artikel 234, lid 5, Gemeentewet staat, voor zover hier relevant, dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening worden gebracht.
In artikel 2, lid 1, van het Besluit staat dat de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, lid 5, Gemeentewet ten hoogste kunnen bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
-
vaste informatieverwerkingskosten;
-
variabele informatieverwerkingskosten;
-
kosten van afschrijving;
-
kosten van interest;
-
personeelskosten;
-
overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
In lid 2 van dat artikel staat, voor zover hier relevant, dat op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht.
Tussen partijen is in geschil of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie en handhaving mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht. In dit geval worden de in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 66,50 echter al gedekt door de geraamde kostenposten ‘personeelskosten’ en ‘overheadkosten’. De heffingsambtenaar heeft daarvan een gespecificeerde onderbouwing overgelegd (zie 2.5.) waarmee hij voldoende inzicht heeft gegeven in deze posten. Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom deze posten op een te hoog bedrag zouden zijn vastgesteld.
Bij een geraamd aantal op te leggen naheffingsaanslagen van 51.118 worden de totale in rekening gebrachte kosten van naheffing van € 3.399.347 door de voornoemde posten al gedekt. Het hof hoeft in deze zaak dan ook niet te beoordelen of de kosten voor invordering, voor parkeerautomaten, voor kleding en van politie en handhaving mogen worden gerekend tot de gemeentelijke kosten die ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening worden gebracht: zelfs indien belanghebbende op deze punten volledig in het gelijk zou moeten worden gesteld, kan dit gelet op het voorgaande niet leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Heeft de rechtbank terecht de stelling van belanghebbende met betrekking tot de kostenraming niet behandeld?
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat de rechtbank zijn gronden met betrekking tot de kostenraming ten onrechte niet heeft behandeld omdat hij deze beroepsgrond pas vijftien dagen voor de zitting bij de rechtbank heeft aangedragen. Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat dit tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank moet leiden met betrekking tot dit punt, maar dat geen terugwijzing hoeft te volgen en het hof de zaak inhoudelijk kan afdoen.
De rechtbank heeft ten aanzien van dit punt als volgt geoordeeld:
“7. Eiser heeft ten slotte vijftien dagen voor de zitting een aanvullend beroepschrift ingediend. Eiser stelt dat het in rekening gebrachte bedrag van € 66,50 aan naheffingskosten onjuist is, omdat de kostenberekening van de naheffingsaanslag niet overeenstemt met artikel 2 van het Besluit. Het aanvullend beroepschrift is weliswaar vijftien dagen voor de zitting bij de rechtbank ingediend en dat is binnen de tiendagentermijn die in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht wordt genoemd, maar deze termijn is niet bedoeld om volledig nieuwe gronden aan te voeren. Of de aanvullende grond toelaatbaar is, toetst de rechtbank aan de hand van de goede procesorde. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar uitgelegd dat hij zijn best heeft gedaan om nog op deze grond te kunnen reageren, maar dat hij daarin afhankelijk is van andere afdelingen binnen de gemeente Eindhoven. Het duurt wel een tijd voordat hij de juiste informatie heeft. Het komt er dus op neer dat de heffingsambtenaar zich niet kan verweren tegen deze grond. Doordat eiser deze beroepsgrond pas vijftien dagen voor de zitting heeft aangedragen, ontneemt hij de heffingsambtenaar de mogelijkheid om daar adequaat op te kunnen reageren. Dit is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank schorst de behandeling van het onderzoek om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen alsnog op de beroepsgrond te reageren niet, omdat dit de behandeling van de zaak onevenredig zou vertragen. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het bezwaarschrift op 18 oktober 2022 is ingediend en het einde van de redelijke termijn waarbinnen de rechtbank in deze zaak uitspraak zou moeten doen in zicht komt. Ten overvloede merkt de rechtbank ook nog op dat het beroepschrift al op 29 december 2022 is ingediend en eiser geen enkele reden heeft gegeven voor de late indiening van het aanvullend beroepschrift. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing.”
Het hof begrijpt de klacht van belanghebbende zo dat hij van mening is dat het niet-behandelen van zijn stelling door de rechtbank tot een gegrond hoger beroep dient te leiden. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank het standpunt van belanghebbende als tardief mogen aanmerken (zie ook 4.0.3). De rechtbank heeft in zijn overweging betrokken waarom het verloop van het onderzoek zoals dat zich ontwikkelde voor en tijdens de zitting van 28 maart 2024 niet een omstandigheid was die kon rechtvaardigen dat dit standpunt pas is ingenomen tijdens het onderzoek ter zitting op die datum.
Tussenconclusie
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep ongegrond;
-
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.