Belastingrecht

Artikel 8:24, lid 2, Awb Gesteld gemachtigde overlegde machtiging uit 2022. Het hof vroeg tweemaal om een…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
2 september 2026
Zaaknummer
24/1038
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2343
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 8:24, lid 2, Awb

Gesteld gemachtigde overlegde machtiging uit 2022. Het hof vroeg tweemaal om een nieuwe machtiging, maar gesteld gemachtigde meende te kunnen volstaan met oude machtiging. Hof oordeelt dat het om een nieuwe machtiging kon vragen en verklaart hoger beroep niet ontvankelijk nu gesteld gemachtigde geen nieuwe machtiging wil overleggen.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 29 mei 2024

    ECLI:NL:RBOBR:2024:2250
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2343

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1038

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummer SHE 23/598, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag rioolheffing voor het jaar 2022 (hierna: de aanslag) ten aanzien van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

[gemachtigde] van [kantoornaam] (hierna: [kantoornaam] ) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.

2.2.

[kantoornaam] heeft op 10 juli 2024 een hogerberoepschrift ingediend. Bij dit hogerberoepschrift is geen machtiging overgelegd.

2.3

Op 25 juli 2024 heeft het hof [kantoornaam] een bericht gezonden met de volgende inhoud:

“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd: (…)

- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;

Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 22 augustus 2024 te herstellen.

Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. (…)”.

2.4.

In een brief van 22 augustus 2024 schrijft [kantoornaam] :

“Hierbij wordt het hoger beroep met kenmerk BK-SHE 24/1038 gemotiveerd.

Eveneens gaan hierbij (…)

- de verlangde machtiging (…)”.

Bij deze brief overlegt [kantoornaam] een machtiging gedateerd op 12 juli 2022.

2.5.

In een bericht van 18 december 2024 van het hof aan [kantoornaam] is onder meer opgenomen:

“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:

- een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hoger beroepschrift;

Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 15 januari 2025 te herstellen.

Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. (…)”.

2.6.

In een bericht van 15 januari 2025 geeft [kantoornaam] aan:

“In uw bericht van 18 december 2024 verzoekt u toezending van stukken.

Deze stukken zijn u met bericht van 22 augustus 2024 reeds toegezonden.”.

2.7.

De aanslag is vastgesteld naar een bedrag van € 125,74.

2.8.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.9.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden aan belanghebbende van immateriële schade van € 50 en proceskosten van € 218,75.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- heeft de heffingsambtenaar het bezwaar voldoende gemotiveerd?

- is de opbrengstlimiet overschreden?

- heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade en wettelijke rente?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de beslissing op bezwaar en de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

4.1.

Het hof zal allereerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.

4.2.

Bij deze beoordeling gaat het hof uit van het volgende rechtskader. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Zo mag de bestuursrechter vragen om een recente machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging van de volmachtgever vraagt. Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb geldt wat hiervoor is overwogen ook in hoger beroep.

4.3.

Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] van [kantoornaam] advocaat is. Het hof heeft [kantoornaam] tweemaal om een recente machtiging gevraagd en erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn wordt aangeleverd. Het hof constateert dat [kantoornaam] vanaf de eerste keer dat het hof op het geconstateerde verzuim heeft gewezen (op 25 juli 2024; zie 2.3) bijna 6 maanden (tot en met 15 januari 2025; zie 2.5) de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen. [kantoornaam] heeft de verlangde machtiging niet overgelegd. [kantoornaam] heeft daarmee het verzuim niet tijdig hersteld.

4.4.

Ter zitting heeft [kantoornaam] aangegeven bewust niet gereageerd te hebben op het verzoek om overlegging van een recente machtiging, omdat het hof in zijn opvatting niet om een nieuwe machtiging had mogen vragen. [kantoornaam] stelt dat het kon volstaan met de eerder overgelegde machtiging uit 2022, omdat het hof tot het arrest van 17 april 2026 niet zonder goede reden om een recente machtiging mocht vragen. Aangezien de verzoeken van het hof om een recente machtiging dateren van vóór 17 april 2026, hoefde niet te worden voldaan aan de verzoeken, aldus [kantoornaam] .

4.5.

Het hof verwerpt die stelling. Naar het oordeel van het hof kan uit het arrest van 17 april 2026 niet de conclusie worden getrokken dat het hof vóór die datum niet een recente machtiging kon opvragen, zeker voor het geval, zoals hier, waar het hoger beroep aanvankelijk zonder overlegging van een machtiging is ingesteld. Dat het hof deze bevoegdheid heeft blijkt bijvoorbeeld ook uit een arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2022.

4.6.

Er is geen reden voor het hof om aan te nemen dat er omstandigheden zijn die het niet overleggen van een machtiging verschoonbaar maken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het hof komt dan ook niet toe aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.

Tussenconclusie

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx J. Rietveld

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556. Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556. Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558.
ECLI:NL:GHSHE:2026:2343 – Artikel 8:24, lid 2, Awb Gesteld gemachtigde overlegde… | Uitspraken.nl