Arbeidsrecht

Arbeidsrecht; onderwijsrecht; recht op hoogleraarschap; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk…

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 oktober 2025
Datum publicatie
28 oktober 2025
Zaaknummer
200.346.015_01
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R.S Vriend te Middelburg, mr. S van Waegeningh te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2971
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Arbeidsrecht; onderwijsrecht; recht op hoogleraarschap; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

hoger beroep van https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:2581

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 13 juni 2024

    ECLI:NL:RBOBR:2024:2581
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 oktober 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2025:2971

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.346.015/01

arrest van 28 oktober 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het voorwaardelijke incident,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.S. Vriend te Middelburg,

tegen

Stichting University College Roosevelt,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het voorwaardelijke incident,

hierna aan te duiden als UCR,

advocaat: mr. S. van Waegeningh te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 november 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10794817 \ CV EXPL 23-5255 gewezen vonnis van 13 juni 2024.

5 Het verloop van de procedure

5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenarrest van 5 november 2024 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • het proces-verbaal van comparitie van 19 december 2024;

  • de memorie van grieven tevens voorwaardelijk incidentele vordering tot overlegging van bescheiden;

  • de memorie van antwoord tevens antwoord op de voorwaardelijk incidentele vordering met producties;

  • de op 1 oktober 2025 gehouden mondeling behandeling, waarbij beide partijen spreeknotities hebben overgelegd.

5.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

De samenvatting

6.1.

[appellant] is in dienst van UCR. Volgens [appellant] heeft hij recht op de titel en functie van hoogleraar. Volgens UCR is dat niet zo: [appellant] is weliswaar eerder benoemd tot bijzonder hoogleraar maar die benoeming gold voor een bepaalde tijd en deze is inmiddels verstreken. Volgens [appellant] is hij gewoon hoogleraar. De kantonrechter heeft UCR in het gelijk gesteld. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant] tegen het oordeel van de kantonrechter niet slaagt. Het hof zal hierna uitleggen waarom dat zo is.

De feiten

6.2.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

6.2.1.

UCR is een financieel onafhankelijke organisatie voor hoger onderwijs die in academische zin verbonden is aan de Universiteit van Utrecht (hierna: de UU). UCR biedt geen masteropleiding aan.

6.2.2.

Het Familiefonds Hurgronje heeft op 27 februari 2012 een voorstel ingediend bij de UU tot instelling van een bijzondere leerstoel ten behoeve van onderwijs en onderzoek met betrekking tot de invloed van Zeeland in internationaal perspectief vanaf de middeleeuwen. De UU heeft in maart 2012 een structuurrapport opgesteld ter instelling van de bijzondere leerstoel ‘De geschiedenis van Zeeland in de Wereld’. In het structuurrapport wordt vermeld welke resultaten moeten worden behaald gedurende de vestigingstermijn van de bijzondere leerstoel en welke eisen worden gesteld aan de leerstoelhouder. Bij brief van 10 mei 2012 heeft het college van bestuur (hierna: CvB) van de UU aan het Familiefonds Hurgronje bericht dat zij heeft besloten het Familiefonds Hurgronje bevoegd te verklaren tot vestiging van de hiervoor genoemde bijzondere leerstoel, voor een periode van vijf jaar.

6.2.3.

In september 2012 heeft de benoemingsadviescommissie rapport uitgebracht en [appellant] voorgedragen voor benoeming. Na adviezen te hebben ontvangen van zusterfaculteiten en een voordracht van het Familiefonds Hurgronje heeft de decaan van de UU bij brief van 28 november 2012 aan het CvB van de UU het benoemingsvoorstel aangeboden. Bij brief van 7 januari 2013 heeft het CvB van de UU aan het Familiefonds Hurgronje laten weten dat het CvB, na ingewonnen advies van het college van promoties, besloten heeft in te stemmen met de benoeming [appellant] op deze leerstoel voor een periode van vijf jaar. In deze brief wordt verder vermeld:

“Graag ontvangen wij een afschrift van het benoemingsbesluit van uw bestuur dat tevens de datum van benoeming vermeldt. Na ontvangst van dit benoemingsbesluit zal [appellant] door ons bestuurssecretariaat worden uitgenodigd voor een kennismaking met de rector magnificus.”

Bij brief van 12 januari 2013 heeft het Familiefonds Hurgronje aan [appellant] medegedeeld:

“(…) Gezien de positieve reactie van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht d.d. 7 januari 2013 op het voornemen van het Familiefonds Hurgronje om u te benoemen tot houder van de bijzondere leerstoel De geschiedenis van Zeeland in de Wereld, de Hurgronjeleerstoel, benoem ik

[appellant] (…)

tot hoogleraar en bekleder van de bijzondere leerstoel De geschiedenis van Zeeland in de Wereld, de Hurgronjeleerstoel.

De benoeming per 1 januari 2013 gedurende een periode van 5 jaar tot en met 31 december 2018 vindt plaats met een 0,2 fte aanstelling.

Uw benoeming vindt plaats aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht, terwijl uw rechtspositionele aanstelling geschiedt vanwege de Stichting Roosevelt Academy.

De bijzondere leerstoel wordt formeel ingesteld bij de Faculteit Geesteswetenschappen ten behoeve van de Roosevelt Academy in [A] . Daar wordt u aangesteld en worden alle taken die bij de leerstoel horen verricht. Benoeming op deze leerstoel, voor 5 jaar, geschiedt bij de faculteit Geesteswetenschappen. U voert jaarlijks functioneringsgesprekken met de Head of Department of Arts and Humanities en de Dean van de Roosevelt Academy. Daarnaast zal een curatorium worden ingesteld ter bewaking van de leeropdracht.”

Bij brief van 8 februari 2013 heeft het Familiefonds Hurgronje aan het CvB van de UU een afschrift gestuurd van het benoemingsbesluit.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft het Familiefonds Hurgronje aan de Dean van UCR laten weten dat is besloten tot verlenging en financiering van de leerstoel voor een periode van vijf jaar. Bij brief van 20 november 2017 heeft het CvB van de UU aan het Familiefonds Hurgronje laten weten dat het heeft besloten het Familiefonds Hurgronje opnieuw bevoegd te verklaren tot vestiging van de bijzondere leerstoel Geschiedenis van Zeeland in de Wereld, voor een periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2023 en met de herbenoeming van [appellant] op die leerstoel voor die periode. De benoeming door het Familiefonds Hurgronje heeft vervolgens ook plaatsgevonden

6.2.4.

In een ‘Employment Contract’ van 24 december 2012 tussen UCR en [appellant] is vermeld:

Article 1

Employee is, as of January 1, 2013, employed as Professor of History – Endowed Chair in regional history – Zeeland and the world (…)

Article 1a

(…) This employment contract will be valid under the condition of the appointment as full Professor at Utrecht University.

Article 2

The employment terms have been set for a period of five years and will end (…) December 31, 2017.

Article 4

The agreed upon employment period on a weekly basis consists of 0.2 fte.(…)

6.2.5.

Partijen zijn naast bovenstaand contract nog een tweede contract overeengekomen. In dit ‘Employment Contract tussen UCR en [appellant] van 6 juni 2014 is vermeld:

Article 1

Employee is, as of January 1, 2015, employed as Full Professor within the Arts & Humanities

Department. Employee will be teaching two courses per year. (…)

Article 2

The employment terms have been set for a period of three years and will end by law and without mandatory notice of dismissal on December 31, 2017.

Article 3

The salary will be paid in accordance with scale HL1 grade 1 (…)

Article 4

The agreed upon employment consists of 0.3 fte. Working hours are to be determined by employee in consultation with the department head.

6.2.6.

Voormeld contract is gewijzigd in een contract voor onbepaalde tijd. In een ‘Employment Contract tussen UCR en [appellant] van 19 april 2016 is vermeld:

Article 1

Employee is, as of January 1, 2015, employed as Full Professor within the Arts & Humanities

Department. Employee will be teaching two courses per year.

Article 2

The employment terms have been set for an indefinite period of time.

Article 3

The salary will be paid in accordance with scale HL2 grade 6 (…)

Article 4

The agreed upon employment consists of 0.3 fte. Working hours are to be determined by employee in consultation with the department head.

6.2.7.

In 2017 is het contract wederom aangepast. In het ‘Employment Contract’ tussen UCR en [appellant] van 21 september 2017 is vermeld:

Article 1

Employee is, as of September 1, 2017, employed as Associate Professor within the Arts & Humanities Department.

Article 2

The employment terms have been set for an indefinite period of time.

Article 3

The salary will be paid in accordance with scale HL2 grade 8 (…)

Article 4

The agreed upon employment consists of 0.3 fte. Working hours are to be determined by employee in consultation with the department head.

De vorderingen, het oordeel van de kantonrechter en de vorderingen in hoger beroep

6.3.1.

[appellant] heeft gevorderd dat de kantonrechter (samengevat weergegeven):

1. voor recht verklaart dat tussen hem en UCR een arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd en inhoudt een vaste aanstelling van in totaal 0,5 fte, meer specifiek onderverdeeld in een vaste aanstelling voor 0,2 fte als hoogleraar en een vaste aanstelling voor 0,3 fte als universitair hoofddocent;

2. UCR veroordeelt om de aanstelling als hoogleraar te herstellen en hem in staat stelt om de werkzaamheden als hoogleraar op de gebruikelijke wijze voort te zetten met alle bevoegdheden en faciliteiten;

3. UCR veroordeelt om het loon te betalen in de schaal van hoogleraar (HL1) en niet als Universitair Hoofddocent (UHD1);

met veroordeling van UCR in de proceskosten.

6.3.2.

De kantonrechter heeft alle vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] geen belang heeft bij zijn eerste vordering voor zover deze ziet op de arbeidsomvang en de vaste aanstelling als universitair hoofddocent omdat dit tussen partijen niet in geschil is. Verder heeft de kantonrechter (samengevat) overwogen dat [appellant] niet is benoemd tot gewoon hoogleraar maar tot bijzonder hoogleraar op een bijzondere leerstoel voor een beperkte periode en dat een onjuiste vermelding in de arbeidsovereenkomst niet maakt dat hij daaraan rechten kan ontlenen op de functietitel van hoogleraar.

6.3.3.

[appellant] wil in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen alsnog volledig toewijst, met veroordeling van UCR in de proceskosten van beide instanties.

6.3.4.

[appellant] heeft daarnaast (voorwaardelijk) gevorderd dat UCR bescheiden moet overleggen op straffe van een dwangsom.

De overlegging van bescheiden

6.4.1.

[appellant] heeft gevorderd dat UCR bescheiden in het geding brengt op grond van de artikelen 194, 195, 195a en 22 Rv. Het hof begrijpt dat [appellant] doelt op het door hem tussen haakjes vermelde artikel 843a (oud) Rv (en artikel 22 Rv), aangezien de artikelen 194-195a Rv pas op 1 januari 2025 in werking zijn getreden, terwijl [appellant] al op 2 september 2024 in hoger beroep is gekomen.

6.4.2.

UCR heeft in reactie op de voorwaardelijk incidentele vordering van [appellant] nieuwe producties in het geding gebracht (genummerd 18 tot en met 28).

6.4.3.

Volgens UCR heeft zij met deze aanvullende producties alle relevante stukken in het geding gebracht. [appellant] heeft dat niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. Het hof zal de incidentele vordering daarom afwijzen en de proceskosten (die moeten worden begroot op nihil) compenseren.

Kern van het geschil: bijzonder of gewoon hoogleraar

6.5.

Volgens [appellant] is de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel gekomen dat hij geen recht heeft op het hoogleraarschap. Het hof verwerpt het hoger beroep van [appellant] en zal zijn grieven gezamenlijk beoordelen.

6.5.1.

In artikel 9.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: Wet Howo) is het volgende bepaald:

1 Tot het personeel van de universiteit behoren in elk geval de hoogleraren. In het benoemingsbesluit wordt vermeld het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn onderwijs- en onderzoektaken uitoefent.

2 De hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17.

3 Eervol ontslagen hoogleraren behouden nog gedurende vijf jaren na hun ontslag het recht als promotor op te treden.

4 De hoogleraren zijn gerechtigd de titel professor te voeren. De oud-hoogleraren aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, zijn eveneens gerechtigd deze titel te voeren.

In artikel 9.53 Wet Howo is bepaald:

Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzonder hoogleraar onderwijs zal worden gegeven.

In een bijlage bij de Wet Howo wordt een overzicht gegeven van de in artikel 1.8 lid 1 genoemde bekostigde instellingen voor hoger onderwijs.

6.5.2.

Het hof is van oordeel dat uit de bepalingen van de Wet Howo, in onderling verband bezien, volgt dat het alleen mogelijk is om hoogleraar te zijn nadat daartoe een benoemingsbesluit is genomen, ofwel door een college van bestuur van een universiteit, ofwel door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die daartoe bevoegd is verklaard door het college van bestuur van een openbare universiteit. UCR staat niet op de bijlage bij de Wet Howo. Het hof is van oordeel dat daaruit volgt dat UCR zelf niet bevoegd is om hoogleraren te benoemen.

6.5.3.

Volgens [appellant] blijkt uit de arbeidsovereenkomsten die hij met UCR heeft gesloten dat hij wel de functie heeft van hoogleraar. Hij heeft met name gewezen op de tekst van de verschillende overeenkomsten en naar termen waaruit volgens hem duidelijk blijkt dat hij hoogleraar is, zoals full professor, endowed chair, scale HL.

Voor zover [appellant] hiermee heeft bedoeld dat hij met UCR is overeengekomen dat hij hoogleraar is (wat overigens geen steun vindt in de feiten), leidt dat niet tot het rechtsgevolg dat [appellant] ook daadwerkelijk hoogleraar is. Anders gezegd, ook als [appellant] dit zou zijn overeengekomen met UCR, dan wil dat niet zeggen dat hij daadwerkelijk hoogleraar is geworden. Uit hetgeen hiervoor in 6.5.2 is overwogen, volgt dat een overeenkomst met die inhoud zonder een bevoegd genomen benoemingsbesluit er niet toe kan leiden dat [appellant] hoogleraar is geworden. Voor zover [appellant] heeft bedoeld dat de arbeidsovereenkomsten moeten worden gezien als benoemingsbesluiten, leidt dat niet tot een ander oordeel, want UCR was niet bevoegd om dergelijke benoemingsbesluiten te nemen.

6.5.4.

UCR is in wetenschappelijk opzicht verbonden met de UU, die wel de bevoegdheid heeft om een hoogleraar te benoemen. [appellant] heeft geen benoemingsbesluit van het CvB van de UU.

Uit de in 6.2.2. en 6.2.3. genoemde documenten blijkt dat het CvB van de UU gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 9.53 van de Wet Howo en het Familiefonds Hurgronje de bevoegdheid heeft gegeven om een bijzondere leerstoel te vestigen en een bijzonder hoogleraar te benoemen. Uit die documenten blijkt dat het Familiefonds Hurgronje gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid en [appellant] heeft benoemd tot hoogleraar in de bijzondere leerstoel.

6.5.5.

In het ‘Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid’ van de UU is het benoemingsproces van hoogleraren beschreven. Uit artikel 2.3 van de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid volgt dat een bijzonder hoogleraar kan worden benoemd op een door een externe instantie gevestigde bijzondere leerstoel. Volgens dat artikel kan de bevoegdverklaring en de benoeming van de kandidaat voor zo’n leerstoel gelden voor vijf jaar en kan de benoeming slechts éénmaal worden verlengd. Het hof leidt uit de in 6.2.2 en 6.2.3 genoemde documenten af dat dit precies is wat er is gebeurd. Het CvB van de UU heeft het Familiefonds Hurgronje de bevoegdheid gegeven [appellant] te benoemen in de door het Familiefonds Hurgronje gevestigde bijzondere leerstoel en vervolgens is zijn benoeming éénmalig verlengd met vijf jaar. Uit de in 6.2.3 geciteerde brief van 12 januari 2013 volgt duidelijk dat [appellant] niet door het CvB van de UU maar door het Familiefonds Hurgronje is benoemd, dat hij is benoemd op de door het Familiefonds Hurgronje gevestigde bijzondere leerstoel en dat het een benoeming is voor vijf jaar. [appellant] was hiervan ook op de hoogte, aangezien hij destijds deze brief ook heeft ontvangen.

[appellant] heeft erop gewezen dat in artikel 2.3 van de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid wordt vermeld dat een bijzonder hoogleraar werkzaam is op basis van een gastvrijheidsovereenkomst. [appellant] heeft nooit op basis van een gastvrijheidsovereenkomst gewerkt, maar op basis van met UCR gesloten arbeidsovereenkomsten.

Het hof is van oordeel dat dit onvoldoende relevant is. Dat dit zo is vermeld in de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, moet worden gezien als een praktische uitwerking van de manier waarop het hoogleraarschap kan worden uitgevoerd. De Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid kunnen niet de wettelijke eisen die gelden voor de benoeming van een hoogleraar opzij zetten en dat is daarmee overigens ook niet gebeurd. Dat UCR in dit opzicht is afgeweken van de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, maakt dus niet dat daarom wél sprake is van een benoeming tot hoogleraar.

6.5.6.

De Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid bevatten ook bepalingen voor een zogenaamde endowed chair waarvoor ook een benoeming van vijf jaar geldt en die ook door een externe instantie wordt gesponsord. Een endowed chair wordt volgens de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid bekleed door een vooraanstaande hoogleraar van de universiteit en de endowed chair wordt gesponsord door een externe instantie (artikel 2.2). Volgens [appellant] is duidelijk dat hij een endowed chair bekleedt. Dat is met zoveel woorden in de arbeidsovereenkomst vermeld (zie 6.2.4) en het Familiefonds Hurgronje heeft de endowed chair gesponsord. Volgens [appellant] is hij een gewoon hoogleraar, aangezien een endowed chair volgens de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid wordt bekleed door een gewoon hoogleraar. Een extra aanwijzing voor dit standpunt volgt volgens [appellant] uit de formulering van de arbeidsovereenkomst. Daarin is vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan op voorwaarde van een benoeming als full professor (volgens [appellant] is dat een gewoon hoogleraar) aan de UU.

Het hof is van oordeel dat voor deze argumenten hetzelfde geldt als hiervoor al is overwogen. Voor zover in de arbeidsovereenkomsten is afgeweken van de hiervoor genoemde voorschriften van de Wet Howo, dan heeft dat niet het door [appellant] gestelde rechtsgevolg. UCR kon niet met een afspraak afwijken van de wettelijke eisen die worden gesteld aan de benoemingsvoorschriften voor een hoogleraar, ook niet als zij die bedoeling had en ook niet als de bedoeling van [appellant] daarmee overeenstemde. Hetzelfde geldt voor de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid, ook daarmee kan niet worden afgeweken van de wettelijke eisen ter zake de benoemingsvoorschriften. Overigens is het hof van oordeel dat dit ook niet is gebeurd in de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid. In de Hoofdlijnen Hooglerarenbeleid is vermeld dat een endowed chair wordt bekleed door een vooraanstaande hoogleraar van de universiteit, dus door een persoon die al hoogleraar is en zijn sporen als zodanig ook al heeft verdiend. [appellant] was geen hoogleraar voordat hij bij UCR in dienst trad, dus een “vooraanstaande hoogleraar”, voor wie zo’n endowed chair bestemd is, was hij niet. [appellant] heeft geen benoemingsbesluit van het CvB van de UU tot gewoon hoogleraar. Hij is door het Familiefonds Hurgronje benoemd, niet als gewoon hoogleraar (want die bevoegdheid had het Familiefonds Hugronje niet) maar als bijzonder hoogleraar. [appellant] mocht in de gegeven omstandigheden aan de vermelding endowed chair in zijn arbeidsovereenkomst dan ook geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat sprake was van gewoon hoogleraarschap.

6.5.7.

Kortom, alle argumenten van [appellant] stuiten erop af dat niet is voldaan aan de eisen die in de Wet Howo zijn vastgelegd om de titel van hoogleraar te mogen voeren. Hij heeft geen benoemingsbesluit van het CvB van de UU en de benoemingsbesluiten die hij heeft van het Familiefonds Hurgronje waren in tijd beperkt en voor een bijzondere leerstoel (twee maal vijf jaar). Die maximale periode is inmiddels verstreken.

6.5.8.

Voor de duidelijkheid overweegt het hof nog het volgende. Hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over de salarisbetaling en de salarisschaal, heeft hij aangevoerd in het kader van zijn standpunt dat hij recht heeft op het hoogleraarschap en de daarbij horende faciliteiten. Hij heeft niet aangevoerd dat hij ook los van het hoogleraarschap recht heeft op een salaris overeenkomend met het salaris van een hoogleraar. Dat blijkt in elk geval niet uit de memorie van grieven en zo is dat ook niet opgevat door UCR.

De slotsom

6.6.

Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van [appellant] faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van UCR zullen vastgesteld worden op:

  • griffierechten € 798,00

  • salaris advocaat € 3.642,00 (3 punt(en) x tarief II)

  • nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.618,00

7 De uitspraak

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af onder compensatie van proceskosten;

in de hoofdzaak:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 4.618,00, te betalen binnen veertien dagen na vandaag; als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.M.H. Schoenmakers en C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025.

griffier rolraadsheer