Burgerlijk procesrecht
127Rv / 3 Wgbz. Het verschuldigde griffierecht is niet binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 juli 2013
ECLI:NL:GHSHE:2013:3351 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2013-3351
Zaakgegevens
Op 23 juli 2013 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 23 juli 2013
- Datum publicatie
- 23 juli 2013
- Zaaknummer
- HD 200.122.448-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. S.C Blommendaal, mr. W.J.Th.B Gerlag
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2013:3351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
127Rv / 3 Wgbz. Het verschuldigde griffierecht is niet binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak betaald. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv wegens betalingsonmacht faalt. De heffing van het griffierecht tast het recht op toegang tot de appelrechter niet in de kern aan, derhalve geen strijd met artikel 6 EVRM.
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.122.448/01
arrest van 23 juli 2013
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. S.C. Blommendaal,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.J.Th.B. Gerlag,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 16 januari 2013, verbeterd bij herstelvonnis van 6 februari 2013, tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.
1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/169523/HA ZA 12-98)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van de rechtbank Maastricht van 9 mei 2012 waarbij een comparitie van partijen is gelast.
2 Het geding in hoger beroep
[appellante] heeft bij voormeld exploot [geïntimeerde] opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 februari 2013.
[appellante] heeft de zaak aangebracht ter rolzitting van 26 februari 2013. Voor ieder van partijen heeft zich een advocaat gesteld.
Zowel [appellante] als [geïntimeerde] zijn in de gelegenheid gesteld om het verschuldigde griffierecht, voor ieder van partijen een bedrag van € 299,-, binnen vier weken na de eerste rolzitting, derhalve uiterlijk op 26 maart 2013, te voldoen. Geconstateerd is dat [appellante] het griffierecht niet tijdig heeft voldaan.
Ieder van partijen heeft een akte genomen.
Hierna is bepaald dat arrest wordt gewezen.
3 De motivering
Op grond van artikel 3 lid 1 jo. 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) en artikel 353 jo. 127a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien de appellant het door hem verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig (binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak) heeft voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (art. 127a lid 3 Rv).
Volgens opgave van de financiële administratie heeft [appellante] het griffierecht op 3 april 2013, derhalve te laat, betaald.
[appellante] heeft bij akte niet betwist dat zij het griffierecht te laat is betaald, maar zij doet een beroep op de hardheidclausule van artikel 127a lid 3 Rv. [appellante] voert daartoe aan dat haar inkomen slechts bestaat uit een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand naar de alleenstaandennorm ten bedrage van € 879,70 per maand en dat het voor haar onoverkomelijk was om het verschuldigde griffierecht (ongeveer een derde deel van haar maandelijkse inkomen) binnen de korte termijn van vier weken te voldoen. Het onverkort toepassen van artikel 127a lid 2 Rv - het verlenen van ontslag van instantie indien het griffierecht niet (tijdig) is voldaan - is daarom in strijd met artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) op grond waarvan een effectieve toegang tot de rechter moet worden gewaarborgd, aldus [appellante].
De in artikel 6 lid 1 EVRM geregelde vrijheid van toegang tot de rechter is niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor de appelinstanties en de cassatie-instantie, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken. De heffing van griffierechten is dus weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast (HR 27 januari 2012, LJN: BV2020).
Aan [appellante] is het griffierecht voor onvermogenden in rekening gebracht, gelet op het belang van de zaak € 299,- in plaats van € 1.553,- voor niet-onvermogenden. In zoverre is er rekening gehouden met de draagkracht van [appellante]. Ook kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht niet in verhouding staat tot het belang van de zaak, blijkens het bestreden vonnis € 80.000,- en € 227.949,60, te vermeerderen met rente en kosten. Voorts wordt overwogen dat uit de door [appellante] als productie bij akte overgelegde uitkeringsspecificatie van de gemeente Heerlen blijkt dat aan [appellante] in de maand januari 2013 bijzondere bijstand is toegekend ten bedrage van € 241,- ter zake van rechtsbijstand. Gelet op een en ander kan naar het oordeel van het hof kan niet worden geconcludeerd dat de heffing van het bedrag van € 299,- aan griffierechten het recht van [appellante] op toegang tot de appelrechter in de kern aantast. Het feit dat het griffierecht te laat is betaald dient derhalve voor rekening en risico van [appellante] te komen. Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule.
[geïntimeerde] heeft bij akte laten weten dat hij tegen het bestreden vonnis zijnerzijds geen incidenteel appel wenst in te stellen. Gelet daarop zal het hof [geïntimeerde] van deze instantie ontslaan. [appellante] dient in de proceskosten te worden veroordeeld.
5 De uitspraak
Het hof:
ontslaat [geïntimeerde] van deze instantie;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,- ter zake van griffierecht en op € 447,- ter zake van salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 juli 2013.