Burgerlijk procesrecht
Zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv. Verlenging van de termijn om zekerheid te stellen ex…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juli 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:2880 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2019-2880
Zaakgegevens
Op 30 juli 2019 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 juli 2019
- Datum publicatie
- 30 juli 2019
- Zaaknummer
- 200.247.136_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.A T Schroots te Rotterdam, mr. M. Littooij te Breda
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2880
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zekerheidstelling voor proceskosten ex artikel 224 Rv. Verlenging van de termijn om zekerheid te stellen ex artikel 616 lid 4 Rv.
Procesgang
Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:1794Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:7197Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 25 juni 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:2285Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 juli 2019deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2019:2880
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 februari 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:347Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 januari 2021
ECLI:NL:PHR:2021:55Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 februari 2022
ECLI:NL:PHR:2022:151Hoge Raad · 9 september 2022
ECLI:NL:HR:2022:1181(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.247.136/01
beschikking van 30 juli 2019
in de zaak van
Industrial Projects Management of Iran,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Iran),
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna aan te duiden als: IPMI,
advocaat: mr. M.A. T Schroots te Rotterdam,
tegen
[de vennootschap] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M. Littooij te Breda.
1. Het verzoek om termijnverlenging ex artikel 616 lid 4 Rv en de beoordeling daarvan
Bij arrest in het incident tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv van 25 juni 2019 heeft het hof IPMI bevolen om op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, uiterlijk op 6 augustus 2019 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 25.754,50 voor de proceskosten waarin IPMI in deze zaak kan worden veroordeeld.
Bij H16-formulier van 17 juli 2019 en het daarbij gevoegde faxbericht heeft IPMI op de voet van artikel 616 lid 4 Rv verzocht om verlenging van de termijn tot het stellen van zekerheid met zes weken na 6 augustus 2019, althans met vier weken, althans met een in goede justitie te bepalen termijn. Kort gezegd heeft zij daartoe aangevoerd dat het door handelssancties en restricties voor IPMI, als zijnde gevestigd in Iran, complex en tijdrovend is om betalingen te verrichten aan partijen in bijvoorbeeld Nederland en dus ook om ervoor te zorgen dat het geld tijdig op de kwaliteitsrekening van de notaris is bijgeschreven.
Bij H16 formulier van 18 juli 2019 heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij zich niet verzet tegen een verlenging van de termijn met vier weken en dat zij zich te dien aanzien refereert aan het oordeel van het hof.
Het hof stelt vast dat het verzoek tijdig is gedaan aangezien het is ingediend voordat de in het arrest bepaalde termijn is verstreken. Omdat het verzoek van IPMI op goede gronden is gedaan en [geïntimeerde] geen bezwaren naar voren heeft gebracht tegen het (primair) verzochte uitstel van zes weken, zal het verzoek van IPMI worden ingewilligd. Het hof zal de termijn waarbinnen IPMI zekerheid moet stellen verlengen met zes weken na 6 augustus 2019, derhalve tot 17 september 2019. Als gevolg van deze verlenging van de termijn zal ook een nieuwe datum worden bepaald voor het nemen van de memorie van grieven.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2. De beslissing
Het hof:
verlengt de termijn waarbinnen IPMI de bij het arrest in het incident van 25 juni 2019 aan haar opgelegde zekerheid moet hebben gesteld met zes weken na 6 augustus 2019 en bepaalt dat IPMI derhalve uiterlijk op 17 september 2019 deze zekerheid moet hebben gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, waarna [geïntimeerde] binnen twee weken de gestelde zekerheid dient te accepteren of te weigeren;
verwijst de hoofdzaak naar de rol van 1 oktober 2019 voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juli 2019.
griffier rolraadsheer