Burgerlijk procesrecht

Artikel 339 lid 2 Rv. Appeldagvaarding te laat uitgebracht. Niet-ontvankelijk.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 september 2024

Zaakgegevens

Op 3 september 2024 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
3 september 2024
Datum publicatie
3 september 2024
Zaaknummer
200.341.844_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. L.N Hermans te Kerkrade, mr. C.L.C O'Connor te Nijmegen
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:2805
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 339 lid 2 Rv. Appeldagvaarding te laat uitgebracht. Niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.341.844/01

arrest van 3 september 2024

in de zaak van

BEBU Bewindvoering B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. L.N. Hermans te Kerkrade,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.L.C. O'Connor te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 25 april 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 11010400 / CV EXPL 24-1599)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • de rolbeslissing van 11 juni 2024;

  • de akte van appellant van 9 juli 2024;

  • de akte ontvankelijkheid in hoger beroep van geïntimeerden van 23 juli 2024.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

In de rolbeslissing van 11 juni 2024 heeft de rolraadsheer geconstateerd dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv voor korte gedingen voorgeschreven termijn van vier weken.

Appellante is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep waarna geïntimeerden in de gelegenheid zijn gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren.

3.2.

In de akte van appellante wordt enkel vermeld dat appellante de appelprocedure intrekt gezien de voor appellante negatieve uitspraak in de voorlopige voorziening betreffende de executie van het vonnis in eerste aanleg.

3.3.

Geïntimeerden refereren zich aan het oordeel van het hof.

3.4.

Op grond van artikel 339 lid 2 Rv bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak.

In de onderhavige zaak dateert het vonnis waarvan beroep van donderdag 25 april 2024. De termijn van vier weken begint derhalve op vrijdag 26 april 2024 (als eerste dag) en eindigt aan het eind van de dag op donderdag 23 mei 2024 (als achtentwintigste dag). Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op vrijdag 24 mei 2024, is de appeldagvaarding te laat uitgebracht en is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

In de onderhavige zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op de strikt te handhaven appeltermijn van artikel 339 lid 2 Rv.

3.5.

De conclusie is dat appellante niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Het hof komt niet toe aan de intrekking van het hoger beroep.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal appellante worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart appellante niet ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van geïntimeerden op € 349,- aan griffierecht en op € 607,- aan salaris advocaat (½ punt liquidatietarief II).

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 september 2024.

griffier rolraadsheer