Civiel recht overig
achterstallige pensioenpremies
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 juli 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:3228 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 26 juli 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2016-3228
Zaakgegevens
Op 26 juli 2016 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 26 juli 2016
- Datum publicatie
- 26 juli 2016
- Zaaknummer
- 200.105.695_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C Staudt-Bos te Eindhoven, mr. J.A Trimbach te De Meern
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2016:3228
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
achterstallige pensioenpremies
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.105.695/01
arrest van 26 juli 2016
in de zaak van
1 [appellante 1] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. [appellante 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. C. Staudt-Bos te Eindhoven,
tegen
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.A. Trimbach te De Meern,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 juni 2012, 4 maart 2014, 10 februari 2015 en 26 april 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 787025 rolnummer 11-10419 gewezen vonnis van 5 januari 2012.
15 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 26 april 2016;
-
de akte van [appellanten] met producties van 31 mei 2016;
-
de akte van de Stichting met producties van 28 juni 2016.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
16 De verdere beoordeling
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten welke betalingen zij wanneer hebben gedaan ten behoeve van welke nota’s en waaruit dat blijkt (en indien van toepassing ook waaruit blijkt op welke schuld moest worden toegerekend) met betrekking tot hun stelling dat zij
€ 23.420,- (door deelbetalingen) hebben voldaan ter zake premies over het jaar 2009 (r.o. 13.6) en
€ 18.345,38 (door deelbetalingen) hebben voldaan ter zake premies over het jaar 2010 (r.o. 13.12),
waarbij het moet gaan om andere betalingen dan de betaling van € 14.041,83 van 21 januari 2009 en de betaling van € 25.000,- van 4 juni 2009 (r.o. 13.7-13.8) en de in r.o. 13.13 genoemde betalingen.
Daarbij heeft het hof [appellanten] opgedragen mede te delen of zij bewijs willen leveren door middel van getuigen (met opgave van aantal en namen van de te horen getuigen) wanneer zij niet over schriftelijk bewijsmateriaal beschikken (r.o. 13.19).
[appellanten] hebben aangevoerd dat zij te weinig tijd hebben gehad om aan deze opdracht te voldoen en dat het onredelijk is dat zij zijn gehouden aan de strikte termijnen van het onderhavige procesreglement, terwijl zij zeer lange tijd op genoemd tussenarrest hebben moeten wachten.
Het hof constateert dat de termijn (te) kort is geweest voor de opdracht die het heeft gegeven aan [appellanten] Het hof gaat voorbij aan het bezwaar van de Stichting tegen het verlenen van een nieuwe termijn. Zoals in het tussenarrest van 10 februari 2015 al is overwogen, is het debat in wezen eerst in hoger beroep gevoerd (r.o. 10.3). Daarbij komt dat de Stichting meerdere producties in het geding heeft gebracht waarop [appellanten] nog niet hebben kunnen reageren.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 6 september 2016.
[appellanten] mogen dan een memorie nemen, zodat zij in hun processtuk gemotiveerd uiteen kunnen zetten waarop de betalingen betrekking hebben. Daarbij kunnen zij tevens ingaan op hetgeen de Stichting in haar antwoordakte heeft aangevoerd en op de producties die daarbij in het geding zijn gebracht. De Stichting mag daarna een antwoordmemorie nemen.
17 De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 6 september 2016 voor een memorie aan de zijde van [appellanten] met de in 13.19 van het tussenarrest van 26 april 2016 en de in 16.4 van dit tussenarrest genoemde doeleinden, waarna de Stichting een antwoordmemorie mag nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 juli 2016.
griffier rolraadsheer