Civiel recht overig

voegen met ECLI:NL:GHSHE:2018:3351

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 juli 2018

Zaakgegevens

Op 3 juli 2018 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
3 juli 2018
Datum publicatie
3 juli 2018
Zaaknummer
200.228.612_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. W.M.J Saes te Roermond, mr. Ph.C.M van der Ven te 's-Hertogenbosch
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2018:2803
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:RBLIM:2014:237
  2. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:RBLIM:2017:7464
  3. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 3 juli 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2018:2803

  4. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 augustus 2018

    ECLI:NL:GHSHE:2018:3351
  5. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 3 september 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:3265

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.228.612/01

arrest van 3 juli 2018

gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [holding] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [de vennootschap 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. [de vennootschap 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. Holding [de holding 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

7. Holding [de holding 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

8. [de vennootschap 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

9. [de vennootschap 4] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

10. [de vennootschap 5] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

11. [onroerend goed 1] Onroerend Goed B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

12. [de vennootschap 6] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

13. [onroerend goed 2] onroerend Goed B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. W.M.J. Saes te Roermond,

tegen

De coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 augustus 2017, gewezen tussen appellanten – [appellanten c.s.] – als eisers in conventie, verweerders in reconventie en onder meer geïntimeerde – de Rabobank – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/123213/HA ZA 13-164)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande vonnis in het incident van 15 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep;

  • de memorie van grieven met eiswijziging en producties;

  • de memorie van antwoord, tevens incidentele memorie tot voeging met producties;

  • de memorie van antwoord in het incident houdende een verzoek tot voeging.

Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest in het incident.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

De vordering van de Rabobank strekt tot voeging van de onderhavige procedure met de bij dit hof onder zaaknummer 200.231.860/01 aanhangige procedure tussen [appellanten c.s.] als appellanten en de Staat als geïntimeerde. Ter onderbouwing van haar vordering stelt de Rabobank kort gezegd dat beide geschillen (deels) over hetzelfde feitencomplex gaan en beroept zij zich op artikel 353 jo artikel 222 Rv.

3.2.

[appellanten c.s.] hebben geen bezwaar tegen de gevorderde zaakvoeging wegens verknochtheid.

3.3.

Omdat beide procedures betrekking hebben op hetzelfde vonnis en (deels) hetzelfde feitencomplex is naar het oordeel van het hof sprake van verknochtheid. Nu verder [appellanten c.s.] geen bezwaar hebben tegen de gevorderde voeging, zal de incidentele vordering tot voeging worden toegewezen.

Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat de vorderingen, ondanks de formele voeging, hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500) en wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904). Dat betekent dat partijen door vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke procedure hun memories en/of akten betrekking hebben. Ook betekent dat, anders dan Rabobank kennelijk veronderstelt, partijen in de ene gevoegde zaak niet automatisch de beschikking krijgen over de processtukken van de andere gevoegde zaak.

3.4.

Omdat geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

3.5.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor beraad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

beveelt de voeging van de onderhavige zaak met zaaknummer 200.228.612/01 met de bij dit hof aanhangige zaak met zaaknummer 200.231.860/01 tussen [appellanten c.s.] als appellanten en de Staat als geïntimeerde.

compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 17 juli 2018 voor beraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 juli 2018.

griffier rolraadsheer