Civiel recht overig
vordering gericht op schadevergoeding weduwen- en wezenuitkering na beëindiging dienstverband door werknemer…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 april 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:1622 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2020-1622
Zaakgegevens
Op 21 april 2020 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 april 2020
- Datum publicatie
- 19 mei 2020
- Zaaknummer
- 200.243.293_01 H
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.G.W Leysen te Nijmegen, mr. M. Bouman te Eindhoven
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1622
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vordering gericht op schadevergoeding weduwen- en wezenuitkering na beëindiging dienstverband door werknemer. Ontbreken van wil gericht op beëindiging ?
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBOBR:2017:5806Uitspraak · 2018
ECLI:NL:RBOBR:2018:1889Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 april 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:1370Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 april 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2020:1622
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juli 2021
ECLI:NL:PHR:2021:689Hoge Raad · 12 november 2021
ECLI:NL:HR:2021:1669Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.243.293/01
arrest van 19 mei 2020 strekkende tot VERBETERING in de zin van artikel 31 Rv van het arrest, gewezen op 21 april 2020
in de procedure in hoger beroep die bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch aanhangig is geweest tussen
[appellante q.q.] voor zich en in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon [de minderjarige] ,
wonend te [woonplaats] , Duitsland,
appellante,
advocaat: mr. A.G.W. Leysen te Nijmegen,
tegen:
TÜV NEDERLAND QA B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Bouman te Eindhoven.
Bij het anonimiseren van het hiervoor bedoelde arrest van 21 april 2020 in deze zaak is het hof gebleken dat in de rechtsoverwegingen 3.1 onder (vi) en (vii) een tweetal verschrijvingen zijn opgenomen, die reeds uit het oogpunt van piëteit verbetering behoeven, en die zich ambtshalve lenen voor eenvoudig herstel, te weten onder (iv) dat [de echtgenoot van appellante] door zelfdoding is overleden en onder (vii) dat [de echtgenoot van appellante] uit dienst is gegaan bij TÜV en dat [de echtgenoot van appellante] is overleden.
Een noodzaak om partijen zich hierover nader te laten uitlaten acht het hof gezien de aard van de verschrijvingen niet aanwezig.
Vermeld arrest zal mitsdien op de volgende wijze worden verbeterd.
Het hof:
bepaalt dat onderdeel 3.1 onder (vi) en (vii) van het tussen bovenvermelde partijen gewezen arrest van 21 april 2020 moet worden verbeterd en gewijzigd in:
“(vi) [de echtgenoot van appellante] is op 14 januari 2013 door zelfdoding overleden.
(vii) Tijdens het dienstverband van [de echtgenoot van appellante] bij TÜV was er op risicobasis een partner- en wezenpensioen verzekerd. Op 31 december 2011 bedroeg het partnerpensioen € 9.053,00 per jaar en het wezenpensioen € 1.811,00 per jaar. Het partner- en wezenpensioen verviel op het moment dat [de echtgenoot van appellante] bij TÜV uit dienst ging en daarvoor in de plaats kwam een overlijdensdekking van 90% van het beleggingstegoed dat aanwezig was bij het overlijden van [de echtgenoot van appellante] . De overlijdensdekking waarop [appellante] aanspraak kan maken bedraagt € 420,00 per jaar.
bepaalt dat deze verbetering onder vermelding van de datum van 19 mei 2020 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 21 april 2020.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, R.A. van der Pol en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 mei 2020.
griffier rolraadsheer