Civiel recht overig
verzoek in hoger beroep tot het onder meer verstrekken van de jaarcijfers en de bescheiden / bij vonnis van 1…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 juli 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:2409 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20 juli 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2023-2409
Zaakgegevens
Op 20 juli 2023 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 20 juli 2023
- Datum publicatie
- 20 juli 2023
- Zaaknummer
- 200.324.434_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.A.A Maat te Goes, mr. K. van Overloop te Goes
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2409
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzoek in hoger beroep tot het onder meer verstrekken van de jaarcijfers en de bescheiden / bij vonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van de vorderingen in het incident ex artikel 843a Rv en in de hoofdzaak kennis te nemen / een onbevoegd verklarend vonnis is een eindvonnis / de appeltermijn van drie maanden (artikel 358 Rv) is derhalve op 1 juni 2022 gaan lopen / nu het beroepschrift is ingediend op 20 maart 2023, en dus na het verstrijken van de beroepstermijn, zijn appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van dit deel/
verzoek in hoger beroep tot benoeming van drie arbiters krachtens de vennootschapsakte / hoger beroep mogelijk van zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid en zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft / geen hoger beroep mogelijk van welwillendheidsbeslissingen / de beschikking van de kantonrechter – waarin het verzoek tot het benoemen van drie arbiters is afgewezen – is geen rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 261 Rv (jo artikel 358 Rv) / geen hoger beroep mogelijk wegens ontbreken van rechtsmacht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 20 juli 2023
Zaaknummer : 200.324.434/01
Zaaknummers eerste aanleg : C/02/395542 / HA ZA 22-129
Zaaknummer eerste aanleg : 9976432 OV VERZ 22-4515
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
beiden handelend in hun hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellant 1] , [appellant 2] en [betrokkene 1] en gezamenlijk: [appellanten] of appellanten,
advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,
tegen
1 [verweerder 1] ,
2. [verweerder 2],
3. [verweerder 3],
allen wonende te [woonplaats] ,
verweerders,
hierna te noemen: [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] en gezamenlijk: de firmanten of verweerders,
advocaat: mr. K. van Overloop te Goes.
1 Het verloop van de procedure
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van dit hof op 20 maart 2023, hebben [appellanten] het hof verzocht om de beschikking van 21 december 2022 (zaaknummer 9976432 OV VERZ 22-4515) en ook het vonnis van 1 juni 2022 (zaaknummer C/02/395542 / HA ZA 22-129), beide van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, te vernietigen en - opnieuw rechtdoende -:
a. de vordering in het incident, als in eerste aanleg ingesteld door verweerders (de firmanten), strekkende tot onbevoegdverklaring niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen;
b. de vorderingen, als ingesteld door appellanten in het door hen ingestelde incident in eerste aanleg, alsnog toe te wijzen;
c. de bij dagvaarding in eerste instantie onder J ingestelde vordering althans de ten aanzien van deze tot verzoek geconverteerde vordering, het gevorderde / verzochte alsnog toe te wijzen;
een en ander;
d. onder terugverwijzing naar de rechtbank teneinde door te procederen in de hoofdzaak ter beslechting van de bij dagvaarding ingestelde vorderingen (behoudens ten aanzien van de vordering die werd ingesteld onder J),
e. kosten rechtens.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 8 mei 2023 en op 10 mei 2023 (wel adequaat, namelijk door een advocaat, ondertekend), hebben de firmanten het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van appellanten af te wijzen, voor zover het verzoek ziet op de benoeming van drie arbiters, met inachtneming van de verweren van verweerders, en het vonnis van 1 juni 2022 en de beschikking van 21 december 2022 (voor het overige) in stand te laten en/of appellanten niet-ontvankelijk te verklaren, althans alle door appellanten ingestelde (overige) verzoeken af te wijzen, met veroordeling van appellanten in de kosten.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zaaknummer 9976432 OV VERZ 22-4515), gehouden op 23 november 2022 en
-
de op de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde volmacht waarmee [verweerder 3] zijn zoon [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) heeft gevolmachtigd om namens hem op te treden op de mondelinge behandeling in hoger beroep.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
[appellant 1] en [appellant 2] , bijgestaan door mr. Maat en
-
[verweerder 1] , [verweerder 2] en [betrokkene 2] , bijgestaan door mr. Van Overloop.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld het hof uiterlijk 22 juni 2022 te berichten of er een regeling is getroffen.
Op 19 juni 2023 heeft mr. Maat het hof laten weten dat door verweerders geen voorstel is gedaan en dat er (nog) geen overeenstemming is bereikt zodat appellanten het hof verzoeken een beschikking te geven.
Op 21 juni 2023 heeft mr. Van Overloop namens verweerders het hof bericht dat er wel degelijk een voorstel is gedaan en dat er onderhandelingen plaatsvinden.
Omdat er (tot op heden) geen regeling is getroffen, althans het hof ter zake niet nader is bericht, is de beschikking bepaald op heden.
2 De beoordeling
In deze procedure neemt het hof, voor zover van belang in hoger beroep, de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in onderdeel 2 van het bestreden vonnis van 1 juni 2022 en van de bestreden beschikking van 21 december 2022 tot uitgangspunt. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.
-
[appellanten] en de firmanten zijn familie van elkaar in de vierde en vijfde graad.
-
Blijkens de gegevens van de kamer van koophandel waren [betrokkene 1] en de firmanten medio 2020 geregistreerd als (enige) firmanten van de vennootschap onder firma Firma [VOF] (verder te noemen: “de [firma] ”).
-
Op 23 december 1993 is de vennootschapsakte van de [firma] voor het laatst integraal herzien door de toenmalige firmanten. In deze akte is onder meer het volgende arbitraal beding opgenomen:
“ Artikel 14 .
1. Alle geschillen die terzake van deze vennootschap tussen partijen rijzen, worden beslist door drie arbiters, die als goede mannen of vrouwen naar billijkheid rechtspreken in hoogste ressort.
2. Een geschil is aanwezig zodra één partij de aanwezigheid hiervan heeft aangenomen.
3. De arbiters worden door partijen benoemd in onderling overleg of, bij gebreke van overeenstemming, door de rechter van het kanton waar de vennootschap gevestigd is, op verzoek van één der vennoten.
(…)”
-
[betrokkene 1] heeft in 2017 een herseninfarct gehad.
-
Bij brief van 26 oktober 2018 heeft hij de vennootschap onder firma opgezegd.
-
Bij beschikking van 9 januari 2020 van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is [betrokkene 1] onder bewind gesteld waarbij [appellant 1] en [appellant 2] zijn benoemd tot bewindvoerders.
-
Tussen [betrokkene 1] en verweerders zijn - kort gezegd - geschillen ontstaan over het uittreden van [betrokkene 1] uit de [firma] .
De procedure bij de rechtbank (zaaknummer C/02/395542 / HA ZA 22-129)
-
[appellanten] hebben bij dagvaarding van 2 maart 2022, tevens houdende incident ex artikel 843a Rv, – kort weergegeven – gevorderd de firmanten te veroordelen tot het verstrekken van de (concept)jaarrekening over het gebroken boekjaar 2019/2020 van de [firma] en van de onderliggende boekhoudkundige stukken. [appellanten] hebben in de hoofdzaak onder meer gevorderd de benoeming van drie arbiters op grond van artikel 14 lid 3 van de vennootschapsakte om de geschillen met betrekking tot de verslaglegging, waardering en afwikkeling van de vennootschap onder firma op te lossen.
-
De firmanten hebben in het door hen opgeworpen incident tot onbevoegdheid gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, zowel in het door [appellanten] opgeworpen incident als in de hoofdzaak. De firmanten hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de rechtbank onbevoegd is van de vorderingen kennis te nemen vanwege het arbitragebeding in artikel 14 van de vennootschapsakte.
-
De rechtbank heeft in het vonnis van 1 juni 2022 overwogen dat het geschil dat is ontstaan over het verstrekken van de jaarcijfers en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden onder het arbitraal beding moet worden begrepen en dat [betrokkene 1] niet heeft gesteld dat een beslissing in arbitrage niet of niet tijdig kan worden verkregen (artikel 1022c Rv). Ten aanzien van de vorderingen over de “mei-deal” en de woning heeft de rechtbank geoordeeld dat dit ook geschillen zijn ten aanzien van de [firma] waarop geschilbeslechting via arbitrage van toepassing is verklaard. In het incident tot onbevoegdheid heeft de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaard van de vorderingen in het incident ex artikel 843a Rv en in de hoofdzaak kennis te nemen.
In de hoofdzaak heeft de rechtbank bepaald dat de procedure ten aanzien van de vordering zoals weergegeven onder 3.2 sub j van het vonnis – ter zake van de benoeming van drie arbiters – in de stand waarin de procedure zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kantonzaken, locatie Middelburg. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“5.6. [betrokkene 1] vordert ten slotte dat de rechtbank drie arbiters benoemt op grond van artikel 14 lid 3 van de vennootschapsakte maar ook ten aanzien van deze vordering is de rechtbank onbevoegd. Gelet op artikel 1027 Rv dient benoeming van arbiters te gebeuren op de wijze zoals partijen zijn overeengekomen. In de vennootschapsakte is overeengekomen dat arbiters, bij gebreke van overeenstemming over die benoeming tussen partijen, dienen te worden benoemd door de kantonrechter. Aangezien een verzoek tot benoeming van arbiters dient te worden gedaan middels een verzoekschriftprocedure zal de rechtbank de zaak ten aanzien van deze vordering, met inachtneming van artikel 69 Rv, verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank. De procedure zal vervolgens in de stand waarin deze zich bevindt worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding te bepalen dat [betrokkene 1] de dagvaarding waarmee de procedure thans is ingeleid dient te verbeteren of aan te vullen.”
De procedure bij de kantonrechter (zaaknummer 9976432 OV VERZ 22-4515)
- Bij beschikking van 21 december 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, het verzoek tot het benoemen van drie arbiters afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat uit artikel 14 lid 3 van de vennootschapsakte volgt dat slechts bij gebreke van overeenstemming tussen partijen over de benoeming van de arbiters de kantonrechter de arbiters benoemt. Van een dergelijk gebrek aan overeenstemming tussen partijen is volgens de kantonrechter namelijk onvoldoende gebleken, om de navolgende redenen:
“3.4 Verzoeker stelt bij dagvaarding (onder 157) er vrede mee te hebben om alle geschilpunten ter fine van arbitrage in volle omvang voor te leggen aan de deskundigen van het Nederlands Arbitrage Instituut. Hij wenst arbiters met de volgende expertise (dagvaarding onder 159):
- een ervaren registeraccountant, tevens werkzaam als business valuator dan wel waarderingsdeskundige van ondernemingen,
- een advocaat met ten minste tien jaar ervaring in de procespraktijk op het gebied van ondernemingsrecht,
- een deskundige op het gebied van (waardering van) agrarische ondernemingen met affiniteit met fruitteelt.
Verweerders wensen, gelet op de omvang en complexiteit van de gerezen geschillen, dat de kantonrechter drie arbiters benoemt. Zij sluiten zich aan bij het verzoek van verzoeker, met aanvulling dat de te benoemen arbiters ten minste tien jaar ervaring hebben, werkzaam zijn binnen een straal van 100 kilometer van [woonplaats] en een uurtarief hanteren van hooguit € 250,-- (exclusief BTW).
Beide partijen stellen voorts de vanzelfsprekende eis dat de arbiters niet verbonden of gelieerd zijn aan de andere partij of aan het voor die partij werkzame accountantskantoor ( [accountantskantoor 1] en [accountantskantoor 2] ).
Ten overvloede wijst de kantonrechter erop dat partijen zich kunnen wenden tot het Nederlands Arbitrage Instituut.”
De procedure bij het hof
Appellanten kunnen zich met het vonnis en de beschikking niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Appellanten zijn in hun beroepschrift inhoudelijk op de zaak ingegaan en zij hebben – kort weergegeven – aangevoerd dat en waarom hun oorspronkelijke vorderingen/verzoeken tot onder meer afgifte van de jaarcijfers en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden en het verzoek tot benoeming van drie arbiters.
moeten worden toegewezen.
Verweerders hebben zowel bij verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de stellingen van appellanten. Voor zover relevant zal het hof bij de beoordeling hierop ingaan.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof bij aanvang de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gesteld, met betrekking tot het vonnis in het licht van de beroepstermijn en met betrekking tot de beschikking in het licht van de aard van de beslissing.
Door appellanten is aangegeven dat men ervan uitging dat hoger beroep – ter zake van de vorderingen/verzoeken tot onder meer afgifte van de jaarcijfers en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden – tegen het vonnis van 1 juni 2022 (nog) mogelijk was nu de rechter zich in het incident onbevoegd heeft verklaard en de procedure doorliep. Dit gold blijkens het ingediende verweerschrift blijkbaar evenzeer aan de zijde van verweerders, gezien de omstandigheid dat door verweerders de niet-ontvankelijkheid betreffende het vonnis vanwege de appeltermijn ogenschijnlijk terloops en na allerlei inhoudelijke verweren is opgeworpen (pas op pagina 11 van 11).
Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van arbiters is namens appellanten voorts aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter wel aan te merken is als een rechterlijke beslissing.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn
Bij vonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank zich onbevoegd geacht kennis te nemen van de vorderingen/verzoeken ter zake van onder meer afgifte van de jaarcijfers en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden vanwege het arbitragebeding. In het dictum staat dat de rechtbank in het incident tot onbevoegdheid zich “onbevoegd” verklaart “van de vorderingen in het incident ex artikel 843a Rv en in de hoofdzaak kennis te nemen” – hieronder valt blijkens het dictum niet de vordering zoals weergegeven onder 3.2 sub j van het vonnis ten aanzien van de benoeming van drie arbiters –.
Hiermee is een einde gemaakt aan de instantie en aan de tussen de partijen aanhangige procedure voor de overheidsrechter (vergelijk artikel 232 lid 1 Rv). Het dictum houdende onbevoegdverklaring is dan ook een eindvonnis waartegen hoger beroep openstaat. Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/35 en Meijer, in: T&C Rv, commentaar op art. 1022 Rv, aant. 9. Dat de rechtbank in het dictum de zaak – in de hoofdzaak – voorts heeft verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor de behandeling van de aparte vordering/het verzoek tot benoeming van drie arbiters, maakt het voorgaande naar het oordeel van het hof niet anders.
Van een eindvonnisgedeelte van een vonnis moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden (artikel 358 Rv). Ten aanzien van het vonnis tot onbevoegdverklaring van 1 juni 2022, is de appeltermijn derhalve op 1 juni 2022 gaan lopen. Het beroepschrift is ingediend op 20 maart 2023. Dit betekent dat het beroepschrift ruim na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend.
Dit leidt ertoe dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep ten aanzien van de verzoeken/vorderingen tot onder meer afgifte van de jaarcijfers en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden. Het hof laat hierbij overigens in het midden dat middels een verzoekschrift in hoger beroep is gekomen tegen een vonnis.
Het hof zal [appellanten] niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep tegen de beslissingen in het vonnis van 1 juni 2022.
Het verzoek tot benoeming van drie arbiters: een welwillendheidsbeslissing
De rechtbank heeft in het vonnis van 1 juni 2022 daarnaast bepaald dat de procedure ten aanzien van de vordering om drie arbiters te benoemen zal worden voortgezet en heeft de zaak verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kantonzaken. Op dit punt is wel sprake van een tussenvonnis waarvan de beroepstermijn nog niet is gaan lopen op 1 juni 2022. Vervolgens heeft de kantonrechter het verzoek tot het benoemen van drie arbiters afgewezen in de beschikking van 21 december 2022.
Volgens artikel 358 Rv staat alleen tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261, behoudens berusting, hoger beroep open. Dit zijn zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid en zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft.
Het één noch het ander is hier het geval. Het verzoek tot benoeming van drie arbiters – na verwijzing door de rechtbank – aan de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vloeit niet voort uit de wet. Door appelanten is geen wettelijke bepaling genoemd op grond waarvan vennoten zich – zoals hier aan de orde – tot de kantonrechter kunnen wenden met het verzoek tot benoeming van arbiters voor het beslechten van geschillen over het uittreden van één van de vennoten uit de vennootschap. De kantonrechter zelf noemt in de beslissing ook geen wettelijke grondslag noch verwijst de kantonrechter naar enige wettelijke regeling ter zake. Ook ambtshalve kan het hof niet aanstonds een wettelijke basis ontwaren (zie echter ook hierna).
In artikel 1027 lid 3 Rv staat namelijk dat de ontbrekende arbiter of arbiters, op verzoek van de meest gerede partij, worden benoemd door de voorzieningenrechter van de rechtbank als de benoeming van de arbiter of arbiters niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn plaatsvindt. De kantonrechter is dus niet de gebruikelijke ‘restrechter’ in de zin van lid 3 voor de benoeming van arbiters als partijen er niet uitkomen.
Het verzoek van appellanten om drie arbiters te benoemen vindt haar uitsluitende grond in de vennootschapsakte. Ingevolge artikel 1027 lid 1 Rv worden arbiter(s) benoemd op de wijze zoals partijen zijn overeengekomen en kan de benoeming aan een derde worden opdragen. Partijen zijn in artikel 14 van de vennootschapsakte overeengekomen dat de arbiters door partijen worden benoemd in onderling overleg of, bij gebreke van overeenstemming, door de kantonrechter – derhalve als een derde –.
De rechtbank heeft vervolgens de zaak ten aanzien van de benoeming van drie arbiters, met inachtneming van artikel 69 Rv, verwezen naar de kantonrechter van dezelfde rechtbank. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank, in lijn van de eindbeslissing dat de rechtbank als overheidsrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de overige vorderingen vanwege het arbitragebeding, hiermee bedoeld dat de zaak verwezen moet worden naar de in artikel 14 lid 3 van de vennootschapsakte aangewezen ‘derde’, zijnde de kantonrechter. Het hof begrijpt dat de rechtbank partijen heeft willen houden aan de vennootschapsakte.
Naar het oordeel van het hof is de verwijzing naar de kantonrechter dan ook geen verwijzing op grond van artikel 69 Rv, maar op grond van de vennootschapsakte. In dat kader heeft vervolgens de kantonrechter als derde de beslissing van 21 december 2022 genomen.
Het verzoek aan de kantonrechter om drie arbiters te benoemen, moet dan ook worden gezien als een verzoek tot het nemen van een welwillendheidsbeslissing krachtens de vennootschapsovereenkomst. Deze beslissing kan – en wordt in de praktijk ook wel – ook aan een derde “niet-rechter” met een bepaalde hoedanigheid of zelfs aan een partij worden opgedragen.
De rechter handelt bij het nemen (of weigeren) van een welwillendheidsbeslissing niet krachtens de wet en een welwillendheidsbeslissing is geen daad van (eigenlijke of oneigenlijke) rechtspraak, maar een daad van de al dan niet welwillende rechter in privé. Daarom is hoger beroep niet mogelijk van de “beschikking”. Zie HR 11 mei 1931, NJ 1931, p. 1617, HR 23 april 1942, ECLI:NL:HR:1942:196, NJ 1942, 396, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 april 2003, JBPR 2003/74, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:5510) en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 februari 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:471).
Dat de beslissing uiteindelijk is neergelegd in het format van een beschikking, maakt het voorgaande in dit geval niet anders (vergelijk GHAMS 9 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:696).
Dat de voorzieningenrechter als ‘restrechter’ hier eenzelfde beslissing kan nemen (artikel 1027 lid 3 Rv) als de kantonrechter als aangewezen ‘derde’ (artikel 1027 lid 1 Rv), is eveneens in deze procedure niet relevant.
Anders dan appellanten bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben aangevoerd, leidt artikel 6 EVRM in dit geval niet tot een ander oordeel, nu aan die bepaling geen recht op hoger beroep kan worden ontleend, nog los van het feit dat hier geen sprake is (geweest) van een rechterlijke beslissing.
Het voorgaande betekent dat het hof vanwege het ontbreken van rechtsmacht onbevoegd is, zodat appellanten niet in hun verzoek in hoger beroep (“de J vordering”) kunnen worden ontvangen. Daarmee behoeft het beroepschrift geen inhoudelijke behandeling. Het hof zal appellanten niet-ontvankelijk verklaren.
Voor zover de kantonrechter in dit geval - daarvan geeft zijn ‘beslissing' geen enkel blijk - heeft gemeend op grond van artikel 96 Rv toch bevoegd te zijn als rechter, heeft te gelden dat alsdan ten behoeve van hoger beroep partijen ter zake een (uitdrukkelijk) voorbehoud moeten hebben gemaakt (artikel 333 Rv), waarvan in deze niet blijkt (vergelijk A-G Wesseling - van Gent 16 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:595) zodat alsdan om die reden niet-ontvankelijkheid zou hebben moeten volgen.
De onderhavige beschikking van het hof is blijkens rechtspraak van de Hoge Raad wel een rechterlijke beslissing (vergelijk HR 11 mei 1931, NJ 1931, p. 1617 en HR 15 juni 1972, NJ 1973, 218, LJN: AB4915).
Hoewel het beroepschrift geen inhoudelijke behandeling behoeft, merkt het hof – ten overvloede op – dat de beslissing van de kantonrechter als zodanig naar het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, nu de firmanten allerlei voorwaarden stellen aan de benoeming van de arbiters (zoals het maximum uurtarief van € 250,00) waarvan het de vraag is of al die voorwaarden realistisch en/of te vervullen zijn en nu het zeer duidelijk was dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de benoeming, noch dat in de rede ligt dat dit op korte termijn – mede gezien de gestelde eisen – zal kunnen worden bereikt.
Proceskosten
Het hof ziet gezien de aard van het conflict geen aanleiding om een beslissing omtrent de kosten van deze procedure te nemen.
3 De beslissing
Het hof:
verklaart appellanten in hun hoedanigheid van bewindvoerder niet-ontvankelijk in hun beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2023.