Civiel recht overig

Overeenkomst van opdracht. Mocht opdrachtnemer een fatale termijn negeren, omdat opdrachtgever zijnerzijds…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 december 2025

Zaakgegevens

Op 2 december 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 december 2025
Datum publicatie
2 december 2025
Zaaknummer
200.327.849_01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.W. Ebbink te Haarlem, mr. J.J.J Jansen te Kapelle
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3434
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overeenkomst van opdracht. Mocht opdrachtnemer een fatale termijn negeren, omdat opdrachtgever zijnerzijds nog niet volledig had gepresteerd. Kon alsdan opdrachtgever de overeenkomst van opdracht niettemin buitengerechtelijk ontbinden?

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.327.849/01

arrest van 2 december 2025

in de zaak van

Zinklook B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. J.W. Ebbink te Haarlem.

tegen

Bouwbedrijf [Z] B.V., handelend onder de naam Bouwbedrijf [ZZ] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.J. Jansen te Kapelle,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 april 2025.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de zijde van Zinklook;

  • de memorie na enquête van Zinklook;

  • de memorie na enquête van Bouwbedrijf [Z] .

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest van 1 april 2025 heeft het hof het navolgende bepaald:

“ 7. 1. laat Zinklook toe om (nader) bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit

volgt dat Zinklook de met Bouwbedrijf [Z] afgesproken planning voor montage van de

zetstukken niet kon nakomen doordat de nakoming werd belet door de werkzaamheden van

de voor Bouwbedrijf [Z] werkzame timmerman;

7.2.

bepaalt dat indien Zinklook uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren,

die stukken op de roldatum van 29 april 2025 het geding dienen te worden gebracht”.

2.2

Bewijslevering door Zinklook diende te geschieden tegen de achtergrond van de overweging van het hof als neergelegd in rov. 6.17 en 6.18 van het tussenarrest, waarin het navolgende is aangegeven:

“6.17 (…) Uit de (op zich niet weersproken) inhoud van beide e-mails,

als geciteerd onder 6.3. en 6.4, blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat op dinsdag

25 juni 2019 en woensdag 26 juni 2019 het zetwerk zou worden gemonteerd. De in de e-

mails genoemde data zijn fatale termijnen. Omstandigheden waaruit andere afspraken

zouden volgen zijn door Zinklook niet, althans onvoldoende, gesteld. Zinklook heeft

weliswaar betoogd dat zij tot het einde van zondag 30 juni 2019 de tijd had om het zetwerk

te plaatsen, maar die afspraak volgt niet uit de genoemde e-mails. Al het zetwerk moest op

25 juni 2019 of 26 juni 2019 worden gemonteerd. Vaststaat dat Zinklook zowel op 25 juni

2019 als op 26 juni 2019 in elk geval niet gestart is met het daadwerkelijk monteren van het

zetwerk (en overigens evenmin in de dagen daarna). Dit had zij gelet op de gemaakte

afspraak wel moeten doen. Het niet nakomen van die afspraak levert in beginsel een

tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op die de ontbinding van de

overeenkomst rechtvaardigt.

6.18.

Zinklook heeft zich echter beroepen op schuldeisersverzuim (vervolg grief 2 tot en

met grief 6). Zinklook heeft betoogd dat zij op 26 juni 2019 niet met het plaatsen van het

zetwerk in de raam- en deurkozijnen kon starten, omdat de door Bouwbedrijf [Z]

ingeschakelde timmerman nog niet de zwarte houten latten (het achterhout) rond om de

kozijnen van de ramen en deuren had aangebracht. Bouwbedrijf [Z] heeft dit weersproken

en heeft aangevoerd dat Zinklook conform afspraak op 25 juni 2019 kon aanvangen met het

plaatsen van het zetwerk, maar dat Zinklook ten onrechte deze afspraak niet is nagekomen.”

2.3

In het kader van deze bewijslevering heeft Zinklook één getuige doen horen, daarbij zijn ook enige foto’s overgelegd, waarna het getuigenverhoor aan de zijde van Zinklook is gesloten. Nadien heeft Bouwbedrijf [Z] laten weten af te zien van contra-enquête.

2.4

Essentieel in het kader van de bewijsopdracht was de vraag of Zinklook geen gevolg had kunnen geven aan haar opdracht voor de montage van zetstukken/profielen op de afgesproken data (planning), omdat de voorbereidende werkzaamheden die daartoe voordien door Bouwbedrijf [Z] moesten worden verricht, niet waren verricht. Anders gezegd dat Zinklook de overeengekomen werkzaamheden niet kon verrichten door toedoen/nalaten van de kant van Bouwbedrijf [Z] .

2.5

In een eerder stadium is in eerste aanleg [persoon A] als directeur van Zinklook – ook op dit punt - als getuige gehoord, die heeft verklaard dat hij in de middag van 26 juni 2019 op het werk is geweest met de nodige zetstukken op de aanhanger, dat hij met [persoon B] heeft gesproken en dat zij niet aan de slag konden, omdat volgens de timmerman van Bouwbedrijf [Z] het nog wel 2 á 3 dagen zou duren voordat hij klaar was. Meer in het bijzonder ontbraken nog de zwarte latten tussen de regels. [persoon A] heeft naar eigen zeggen wel gesproken met [persoon C] en [persoon D] van Bouwbedrijf [Z] . Hij heeft de op de aanhanger aanwezige zetstukken ter plaatse gelost en is vertrokken.

2.6

Uit het verhoor van de getuige [persoon B] valt af te leiden dat hij op 26 juni 2019 naar de betreffende bouwplaats is gereden met een jeep met aanhanger, waarop de te plaatsen zetstukken/profielen lagen. Daar aangekomen bemerkte [persoon B] dat op bepaalde voor hem direct zichtbaar waar te nemen plaatsen het onderhout (noodzakelijk voor het bevestigen van de niet zelfdragende profielen) ontbrak danwel niet goed gemonteerd was in lijn met de kozijnen en de gevels Hij heeft hierover telefonisch contact gezocht met Zinklook ( [persoon A] ), waarna hij is vertrokken naar een ander werk. Hij weet niet meer of er op de bouwplaats nog een ander aan het werk was (bijvoorbeeld de timmerman van Bouwbedrijf [Z] ). Van enig nader overleg op de bouwplaats met een ander is niet gebleken. Het komt erop neer dat [persoon B] na het zien van enige onvolkomenheden in de voorbereidende werkzaamheden en na telefonisch overleg met [persoon A] van de bouwplaats is vertrokken zonder enige werkzaamheden te hebben verricht.

2.7

Door [Z] Bouwbedrijf is al in eerste aanleg erkend dat aan één zijde van het gebouw de voorbereidende timmerwerkzaamheden nog niet waren voltooid, en ook dat mogelijk her en der nog een regel ontbrak, maar ook en tevens dat dit geen beletsel hoefde te zijn om alvast te beginnen met de afgesproken werkzaamheden door Zinklook. Ook uit de verklaring van de uitvoerder [persoon C] , die ter plaatse was, en als getuige is gehoord, valt dit af te leiden.

2.8

Tegen deze achtergrond staat volgens het hof in voldoende mate vast dat van een daadwerkelijk beletsel om met de afgesproken werkzaamheden te beginnen niet kan worden gesproken, althans heeft Zinklook het bewijs van een dergelijk beletsel niet geleverd. Dat klemt te meer nu uit de afspraak tussen partijen over de (nadere) termijn waarbinnen de werkzaamheden moesten worden verricht, valt af te leiden dat de overeengekomen werkzaamheden – het plaatsen van zetstukken - uiterlijk op 25 en 26 juni 2019 diende te zijn verricht. Gelet op deze afspraak en de door [Z] benadrukte urgentie van deze termijn, lag het op de weg van Zinklook om [Z] behoorlijk en tijdig op de hoogte te stellen van eventuele onmogelijkheden om het beoogde onderdeel van het werk af te kunnen ronden. Nu niet is komen vast te staan dat het werk niet kon aanvangen op 26 juni 2019, kwam de latere mededeling (per e-mail) dat het zetwerk was gelost maar niet gestart kon worden met het zetwerk op 27 juni 2019, te laat. Voor zover Zinklook meent dat uit deze e-mail kan worden afgeleid dat die onmogelijkheid is medegedeeld aan [persoon C] (of de timmerman) op 26 juni 2019, kan zij daarin niet worden gevolgd. De e-mail bevat geen enkele verwijzing naar wat op 26 juni 2019 zou zijn besproken en meldt slechts de indruk van [persoon A] die inhoudt dat volgens hem ‘alles wel aanwezig [was], maar […] nog niets aangebracht’. Uit die passage kan niet worden begrepen dat daarover op 26 juni 2019 ook al is gesproken (en met wie).

Uit de getuigenverklaringen blijkt dat op 26 juni 2019 allereerst [persoon B] in de ochtend is verschenen met enige materialen en nadien pas in de loop van de dag [persoon A] . Het is daarbij alleszins opvallend dat gezien de tijdsdruk die klaarblijkelijk op de werkzaamheden stond (blijkend uit de eerdere correspondentie tussen partijen) op de bewuste dag in het geheel geen aanvang is gemaakt met de afgesproken werkzaamheden. Dat Zinklook op die dag feitelijk nergens een aanvang kon maken met de afgesproken werkzaamheden aan het pand, is niet bewezen of aannemelijk gemaakt. Enkel de constatering van enige onvolkomenheden was – zo lijkt het – voor Zinklook afdoende om niet met de overeengekomen werkzaamheden te starten. Maar daarmee is het bewijs dat zij niet kon beginnen met haar werkzaamheden door toedoen/tekortschieten van Bouwbedrijf [Z] niet geleverd. De enkele foto’s die door Zinklook in het geding zijn gebracht zijn gezien het fragmentarisch karakter daarvan, evenmin voldoende te achten.

2.9

Met het oordeel dat Zinklook niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd en er dus geen sprake is van schuldeisersverzuim, kan ook worden vastgesteld dat Bouwbedrijf [Z] de overeenkomst tussen partijen op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden.

Het gelijkluidend oordeel van de rechtbank dient daarmee in stand te worden gelaten. De grieven treffen dan ook geen doel.

Slotsom

2.10

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en Zinklook veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep tot op heden begroot op € 2.135,-- aan griffierecht en € 3.142,-- aan salaris (2 punten tarief III).

3 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2023 tussen partijen gewezen;

veroordeelt Zinklook in de kosten van de procedure in hoger beroep tot op heden begroot op € 2.135,-- aan griffierecht en € 3.142,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, H.K.N. Vos en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 december 2025.

griffier rolraadsheer