Verbintenissenrecht
Concurrentie- en relatiebeding in managementovereenkomsten. Strekking, belang.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 december 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3739 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep-kort-geding/ecli-nl-ghshe-2025-3739
Zaakgegevens
Op 30 december 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 december 2025
- Datum publicatie
- 31 december 2025
- Zaaknummer
- 200.357.015_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroep kort gedingHoger beroep kort gedingHet gerechtshof beoordeelt opnieuw een spoedzaak waarin de voorzieningenrechter al een voorlopig oordeel gaf.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.G.W.G van der Valk-van den Bosch te 's-Hertogenbosch, mr. J.G.M Roijers te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3739
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Concurrentie- en relatiebeding in managementovereenkomsten. Strekking, belang.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.357.015/01
arrest van 30 december 2025
in de zaak van
1 Tech Seals B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
2. [xx] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [yy] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. [appellant sub 4] ¸
wonende te [woonplaats] ,
5. [appellant sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [zz] Groep B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats]
appellanten,
hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch te 's-Hertogenbosch,
tegen
WAES Brainport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Waes,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 14 juli 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 juni 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden en Waes als eiseres.
1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/411077 / KG ZA 24-663)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
-
de memorie van antwoord met een productie;
-
de op 14 augustus 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij ieder van partijen spreekaantekeningen heeft overgelegd;
-
de bij H-formulier van 12 augustus 2025 door [appellanten] toegezonden producties 9 tot en met 13, welke producties bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht;
-
het H-formulier van ieder van partijen van 2 september 2025 waarbij is medegedeeld dat een minnelijke regeling niet tot stand is gekomen en dat arrest wordt gevraagd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De beoordeling
In de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de feiten vastgesteld. Ook voor het hof vormen die feiten het uitgangspunt, met dien verstande dat het hof rekening houdt met grief 1, waarmee [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis enkele feiten buiten beschouwing heeft gelaten dan wel onjuist heeft weergegeven. Het gaat in dit kort geding om het volgende.
Waes drijft een onderneming die zich richt op de werving, selectie en detachering van hoogopgeleid personeel op het gebied van informatietechnologie. Bestuurder (via zijn vennootschap [++] Investments B.V.) is [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Enig aandeelhouder van Waes is Waes Holding B.V. (hierna: Waes Holding). [persoon A] is (indirect) meerderheidsaandeelhouder van Waes Holding.
Klanten van Waes zijn onder meer Bol.com en Rabobank. Bij Waes zijn ongeveer 80 mensen werkzaam.
[persoon A] laat zijn key-werknemers in Waes participeren via certificaten die door Waes Holding zijn/worden uitgegeven.
Geïntimeerde 5 ( [appellant sub 5] ) en geïntimeerde 4 ( [appellant sub 4] ), waren via hun vennootschappen geïntimeerde 3 ( [yy] BV) en geïntimeerde 2 ( [xx] BV) sinds respectievelijk 1 mei 2021 en 1 december 2022 op basis van een managementovereenkomst voor Waes werkzaam.
De tussen enerzijds Waes en anderzijds [yy] BV en [xx] BV gesloten managementovereenkomsten (productie 2 bij inleidende dagvaarding) zijn gelijkluidend. In artikel 8 van die overeenkomsten is onder meer een concurrentie-, relatie- en ronselbeding opgenomen (hierna ook: de postcontractuele bedingen), welk artikel als volgt luidt:
"Artikel 8. Nevenwerkzaamheden, non-concurrentie, relaties en personeel
-
De manager verbindt zich jegens de vennootschap om zich gedurende de duur van deze overeenkomst te onthouden van (rechts-)handelingen die een tegenstrijdig belang met de vennootschap (kunnen) opleveren, daaronder in elk geval begrepen de handelingen zoals omschreven in lid 2 van dit artikel.
-
De manager verbindt zich jegens de vennootschap niet zelf, middellijk of onmiddellijk, zonder voorafgaande toestemming van de vennootschap:
-
gedurende twee jaar na de beëindiging van deze overeenkomst in Nederland, in welke hoedanigheid dan ook. direct of indirect, zich in ie laten met of betrokken te zijn bij, of enige persoon te benaderen met het oog op betrokkenheid bij. zakelijke activiteiten die betrekking hebben op de ontwikkeling of de productie van of de handel in producten, of op de verlening van diensten, die op de datum van beëindiging van deze overeenkomst door de vennootschap worden ontwikkeld, geproduceerd, verhandeld of verleend of die daarmee zouden kunnen concurreren.
-
(…)
-
een werknemer, distributeur of agent van de vennootschap over te halen of trachten over te halen om zijn of haar relatie met de vennootschap te beëindigen of dit anderszins te bewerkstelligen, of zo een persoon in dienst te nemen of daarmee een contractuele relatie aan te gaan binnen twee jaar na de effectieve beëindiging van zijn of haar arbeidsverhouding of relatie met de vennootschap of iets te doen waardoor de relatie tussen een werknemer, distributeur of agent en de vennootschap nadelig beïnvloed zou kunnen worden;
-
gedurende twee jaren na de beëindiging van deze overeenkomst een klant, leverancier of andere persoon die een zakelijke relatie onderhoudt met de vennootschap over te halen of trachten over te halen zijn of haar relatie met de vennootschap te beëindigen of dit anderszins te bewerkstellingen, of iets te doen waardoor die relatie nadelig beïnvloed zou kunnen worden, dan wel een concurrent van de vennootschap bij te staan, bij te doen staan of te trachten bij te staan bij de onder (a) genoemde activiteiten.
-
De manager zal de verboden als omschreven in de leden 1 en 2 ook opleggen aan een ieder die zij voor het verrichten van de werkzaamheden inschakelen.
-
Onverminderd het voorafgaande onthouden de manager en de door haar ingeschakelde personen zich ervan bewust iets te doen waardoor de bedrijfsvoering van de vennootschap nadelig beïnvloed zou kunnen worden.
-
Bij schending van het hiervoor bepaalde verbeurt de manager een direct opeisbare boete aan de vennootschap van € 1.000.000,-- per overtreding, zonder dat de vennootschap enig verlies of schade behoeft te bewijzen en onverminderd het recht van de vennootschap daarnaast schadevergoeding te claimen als daartoe gronden zijn. Het recht op het opeisen van de boete vervalt een jaar na de dag waarop de overtreding aan de vennootschap kenbaar is geworden, of redelijker wijs kenbaar had kunnen zijn, zonder dat in dit tijdvak maatregelen tot invordering van de boete zijn genomen."
Eind 2022 zijn aan [yy] BV en [xx] BV certificaten van aandelen in Waes Holding uitgegeven. Deze uitgifte van certificaten was mede ingegeven door een voornemen van de groot aandeelhouder om op termijn een verkoop van Waes te realiseren en het key-personeel daarvan te laten profiteren. In verband met de aandelenuitgifte is door de betrokken partijen (waaronder [appellant sub 5] , [yy] BV, [appellant sub 4] en [xx] BV) op 21 december 2022 een 'aandeelhouders-/certificaathoudersovereenkomst Waes Holding' (productie 3 bij inleidende dagvaarding, hierna: de aandeelhoudersovereenkomst) ondertekend.
In artikel 6 van deze aandeelhoudersovereenkomst zijn postcontractuele bedingen opgenomen die dezelfde strekking hebben als de postcontractuele bedingen in de met [yy] BV en [xx] BV gesloten managementovereenkomsten. In artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst is een boetebepaling opgenomen die, bij overtreding van artikel 6, € 1.000.000,-bedraagt.
De managementovereenkomsten tussen Waes en [xx] BV en Waes en [yy] BV zijn op respectievelijk 31 augustus 2023 en 30 september 2023 beëindigd.
In het kader van de ontvlechting zijn met [yy] BV, [appellant sub 5] , [xx] BV en [appellant sub 4] afspraken gemaakt over de in de managementovereenkomsten opgenomen postcontractuele bedingen. Die afspraken zijn neergelegd in mailcorrespondentie tussen [persoon A] , [appellant sub 5] en [appellant sub 4] .
[appellant sub 4] is in het najaar van 2023 in dienst getreden van iSprout B.V., een detacheerder van hoogopgeleid technisch personeel. iSprout BV maakt deel uit van een groep van vennootschappen die (middellijk) eigendom zijn van [persoon C] (hierna: [persoon C] ).
Bij brief van 27 oktober 2023 (productie 9 bij inleidende dagvaarding) heeft de advocaat van Waes [appellant sub 4] erop gewezen dat diens betrokkenheid bij iSprout strijdig is met artikel 8 van de managementovereenkomst. [appellant sub 4] is vervolgens gesommeerd (onder meer) te bevestigen dat hij zijn werkzaamheden ten behoeve van iSprout staakt en gestaakt zal houden.
Naar aanleiding van deze sommatiebrief heeft er overleg plaatsgevonden tussen [persoon A] en [persoon C] . Op 21 december 2023 hebben zij beiden een brief ondertekend (productie 10 bij inleidende dagvaarding) waarbij iSprout zich onder meer verbonden heeft om binnen een jaar na ondertekening van de brief geen met Waes concurrerende activiteiten (werven/selecteren en detacheren van software engineers, dataengineers en data scientists in Nederland) te ontplooien, op straffe van verbeurte van een boete van € 50.000,- per persoon/plaatsing.
[persoon A] heeft vervolgens ingestemd met de overstap van [appellant sub 4] en (eventueel) [appellant sub 5] naar iSprout.
Op 21 of 22 december 2023 is appellante 1 (Tech Seals) opgericht. Blijkens de omschrijving in het handelsregister (productie 14 bij inleidende dagvaarding) richt Tech Seals zich op het detacheren van niet-ingezetenen binnen Nederland in de sector informatie technologie (IT). Tech Seals maakt deel uit van de groep van vennootschappen van [persoon C] .
Begin 2024 toonde appellante sub 6 (hierna: [zz] Groep) interesse in een acquisitie
van Waes. [zz] Groep maakt onderdeel uit van het concern van [persoon C] . Op 7 maart 2024 heeft [persoon C] een geheimhoudingverklaring ondertekend, waarin [persoon C] zich namens [zz] Groep en aan [zz] Groep (in)direct gelieerde vennootschappen heeft verbonden om gedurende een periode van twee jaar na ondertekening van de verklaring zich te zullen onthouden van het verlenen van diensten en/of het leveren van goederen aan 'relaties van de aanbieder en/of de Onderneming' (Waes) voor zover deze nog geen relatie zijn van 'Ontvanger' ( [zz] Groep) op het moment van ondertekening (productie 12 bij inleidende dagvaarding).
De geheimhoudingsverklaring kent, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen (lees voor Ontvanger: [zz] Groep/ [persoon C] , en voor Onderneming: Waes):
"(...) Ontvanger verklaart tevens, mede namens aan Ontvanger (in)direct gelieerde vennootschappen, zich gedurende een periode van twee (2) jaar na ondertekening van deze geheimhoudingsverklaring te zullen onthouden van het benaderen van personen die werkzaam zijn bij de Onderneming teneinde deze personen ertoe te bewegen hun dienstverband met de Onderneming te beëindigen (tenzij (…)) en van het verlenen van diensten en of het leveren van goederen aan relaties van de aanbieder en of de Onderneming voor zover deze nog geen relatie van Ontvanger was op het moment van ondertekening. (…)"
Verder is in de geheimhoudingsverklaring onder meer bepaald dat op overtreding ervan een boete is verschuldigd van € 100.000,- per overtreding en € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht schadevergoeding te eisen of nakoming te vorderen, en dat in geval van geschillen tussen [zz] Groep en Waes naar aanleiding van de omgang met de verstrekte informatie de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Na ondertekening van de geheimhoudingsverklaring heeft [persoon C] onder meer inzage gekregen in de klanten van Waes en met die klanten gegeneerde omzet. [persoon C] heeft geen bod gedaan op Waes. Uiteindelijk heeft [persoon A] ervan afgezien om Waes te verkopen.
Op 1 oktober 2024 is Tech Seals met haar activiteiten gestart. Op die datum hebben zowel [appellant sub 5] als [appellant sub 4] via hun LinkedIn-profielen kenbaar gemaakt ten behoeve van Tech Seals werkzaam te zijn. Blijkens het handelsregister (productie 14 bij inleidende dagvaarding) zijn zij beiden op 1 oktober 2024 toegetreden tot het statutaire bestuur van Tech Seals.
Bij e-mailbericht van 8 november 2024 (productie 16 bij inleidende dagvaarding) heeft de advocaat van [appellanten] in reactie op een sommatie van de advocaat van Waes betwist dat [zz] Groep, [xx] BV en [yy] BV (post)contractuele afspraken hebben overtreden.
Waes vordert [appellanten] hoofdelijk te verbieden om tot 7 maart 2026 medewerkers van Waes te benaderen teneinde hen te bewegen hun dienstverband met Waes te beëindigen en diensten te verlenen aan relaties (waaronder begrepen klanten van Waes), op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Verder vordert Waes veroordeling van [xx] BV, [yy] BV en [zz] Groep om voorschotten op de verschuldigde boetes te betalen ten bedrage van respectievelijk € 250.000,-, € 250.000,- en € 150.000,-.
Waes heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat [xx] BV en [yy] BV de met hen gesloten managementovereenkomsten hebben geschonden. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] (althans hun vennootschappen) hebben (in ieder geval) vanaf 1 oktober 2024, dus binnen twee jaar na beëindiging van de overeenkomsten, onder de vlag van Tech Seals, waarvan [appellant sub 4] en [appellant sub 5] bestuurders zijn, zaken gedaan of trachten te doen met klanten/relaties van Waes, waaronder Bol.com, Rabobank, Head First en Hiltermann Lease, dit deels met succes. Twee oud-medewerkers van Waes zijn inmiddels namens Tech Seals werkzaam voor Hiltermann Lease en Rabobank. Tech Seals, een aan [zz] Groep gelieerde vennootschap, heeft daarmee de afspraken in de geheimhoudingsverklaring geschonden. Volgens Waes wordt haar bedrijfsdebiet geschonden en heeft zij er recht en spoedeisend belang bij om haar onderneming te beschermen door in kort geding nakoming van [appellanten] van de postcontractuele en geheimhoudingsbedingen te verlangen.
[appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van Waes.
Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld:
-
dat het beroep van [appellanten] op de relatieve onbevoegdheid van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Oost-Brabant niet opgaat (rov. 4.1);
-
dat uit de met [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gevoerde e-mailcorrespondentie blijkt dat overeengekomen is dat de in de managementovereenkomst verwoorde tijdsduur van het non-concurrentiebeding is teruggebracht van twee jaar naar één jaar, ingaande op 17 juli 2023 ( [appellant sub 4] ) respectievelijk 1 oktober 2023 ( [appellant sub 5] ) (rov. 4.3);
-
dat wordt uitgegaan van de geldigheid van het relatiebeding van twee jaar, derhalve tot 1 september 2025 ( [xx] BV en [appellant sub 4] ) respectievelijk 1 oktober 2025 ( [yy] BV en [appellant sub 5] ) (rov. 4.4);
-
at het beroep van [appellanten] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet opgaat, dat ook hun beroep op nietigheid van het relatiebeding faalt en dat [xx] BV, [appellant sub 4] , [yy] BV en [appellant sub 5] gebonden zijn aan de postcontractuele bedingen in de managementovereenkomsten (rov. 4.5);
-
dat aannemelijk is dat Tech Seals een aan [zz] Groep gelieerde vennootschap is, zodat zij gebonden is aan de geheimhoudingsverklaring van 7 maart 2024 (rov. 4.6);
-
dat aannemelijk is dat er een concrete dreiging bestaat dat [appellanten] het relatiebeding zullen overtreden en daarmee tekort zullen schieten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de managementovereenkomst en de geheimhoudingsverklaring (rov. 4.7).
De voorzieningenrechter heeft beslist om, uitvoerbaar bij voorraad:
-
[appellant sub 4] en [xx] BV tot 1 september 2025 te verbieden en [appellant sub 5] en [yy] BV tot 1 oktober 2025 te verbieden (i) om medewerkers van Waes te benaderen teneinde hen te bewegen hun dienstverbanden met Waes te beëindigen en (ii) om diensten te verlenen aan relaties (waaronder begrepen klanten) van Waes;
-
Tech Seals en [zz] Groep te verbieden tot 7 maart 2026 (i) medewerkers van Waes te benaderen teneinde hen te bewegen hun dienstverbanden met Waes te beëindigen en (ii) diensten te verlenen aan relaties (waaronder begrepen klanten) van Waes;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per keer dat niet aan de veroordeling wordt voldaan en € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
De vorderingen tot betaling van voorschotten op de verbeurde boetes zijn afgewezen, omdat deze vorderingen volgens de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend zijn en niet gebleken is waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
[appellanten] zijn als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
[appellanten] hebben in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Zij concluderen tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Waes. In het hiernavolgende zal het hof de grieven behandelen.
Ter vermijding van misverstanden overweegt het hof dat [appellanten] geen grief hebben gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in overweging 4.5., laatste zin, van het bestreden vonnis, dat [appellanten] de stelling dat het overeengekomen relatiebeding nietig is, onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Over die in eerste aanleg door Tech Seals gestelde nietigheid hoeft het hof dus niet te oordelen.
Met grief 1 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte een aantal feiten buiten beschouwing heeft gelaten. Het gaat er [appellanten] bij deze grief met name om dat de managementovereenkomsten zijn gesloten met [yy] BV en [xx] BV, en niet met hun bestuurders, zodat [appellant sub 4] en [appellant sub 5] niet gebonden zijn aan die overeenkomsten. Ook zijn er volgens [appellanten] tussen Waes en [xx] BV afspraken gemaakt over een beperking in duur van zowel het non-concurrentiebeding als het relatiebeding van twee jaar naar één jaar.
Op zichzelf is juist, zoals [appellanten] hebben aangevoerd, dat de (formele) partijen bij de managementovereenkomsten [xx] BV en [yy] BV zijn, en niet hun bestuurders [appellant sub 4] en [appellant sub 5] . Echter, in lid 3 van artikel 8 van de managementovereenkomsten, in welk artikel (in de leden 1 en 2) het non-concurrentiebeding en het relatiebeding zijn opgenomen, is bepaald dat [xx] BV en [yy] BV de verboden als omschreven in de leden 1 en 2 ook opleggen aan eenieder die voor het verrichten van de werkzaamheden wordt ingeschakeld. Daarmee zijn, in het bijzonder gelet op de aard van de overeenkomsten, onmiskenbaar [appellant sub 4] en [appellant sub 5] bedoeld, die zelf de managementovereenkomsten hebben ondertekend en die als enigen zijn belast met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden van hun persoonlijke vennootschappen. Naar het voorlopig oordeel van het hof hebben [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zich door de ondertekening van de managementovereenkomsten dan ook, mede in aanmerking genomen de zin die partijen daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien mochten verwachten, in persoon jegens Waes verbonden tot nakoming van de in de leden 1 en 2 opgenomen bedingen. Het andersluidende standpunt van [appellanten] in de toelichting op grief 1 (punt 5 van de appeldagvaarding) verwerpt het hof.
Verder overweegt het hof dat bij overtredingen van de bepalingen van de managementovereenkomsten door [xx] BV en [yy] BV, feitelijk gepleegd door hun bestuurders [appellant sub 4] en [appellant sub 5] , aangenomen kan worden dat laatstgenoemden onrechtmatig handelen jegens Waes. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 25 Rv dat de rechter rechtsgronden mag aanvullen, en dat de voorzieningenrechter in kort geding een grote vrijheid heeft om maatregelen te treffen, wordt ook om deze reden het standpunt van [appellanten] verworpen dat de op artikel 8 van de managementovereenkomsten gebaseerde vorderingen niet kunnen worden toegewezen.
Bovendien zijn, naast [xx] BV en [yy] BV, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wel zelf partij bij de aandeelhoudersovereenkomst, die zij zowel in hoedanigheid van bestuurders van hun vennootschappen als in privé hebben ondertekend. In artikel 6 van die overeenkomst zijn bedingen opgenomen die dezelfde strekking hebben als artikel 8 van de managementovereenkomst. Daaraan zijn [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gebonden.
Op de vraag of en in hoeverre er afspraken zijn gemaakt die hebben geleid tot een vermindering in duur van het non-concurrentiebeding en het relatiebeding, zal hierna bij de behandeling van grief 3 worden ingegaan.
Met grief 2 voeren [appellanten] aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft getoetst of Waes in eerste aanleg daadwerkelijk een (spoedeisend) belang had bij haar vorderingen.
Het hof overweegt dat de voorzieningenrechter het spoedeisend belang niet heeft aangenomen - en terecht niet - voor zover de vorderingen van Waes strekken tot betaling van geldsommen. Ten aanzien van de overige vorderingen, die strekken tot nakoming van overeengekomen bedingen, verenigt het hof zich met het oordeel van de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van die vorderingen.
Hetgeen [appellanten] in dit verband naar voren hebben gebracht (punt 12 van de appeldagvaarding), namelijk dat Waes alle appellanten over één kam heeft geschoren, dat de diverse vorderingen van Waes tegen de verschillende appellanten onvoldoende zijn onderbouwd en dat Waes met haar vordering tot nakoming dus in feite een verklaring voor recht wil verkrijgen, verwerpt het hof. Deze door [appellanten] opgeworpen aspecten spelen met name een rol bij de vraag of en in hoeverre de vorderingen van Waes al dan niet toewijsbaar zijn, maar niet voor de daaraan voorafgaande vraag of er een spoedeisend belang bestaat bij die vorderingen. De grief faalt.
Met grief 3 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de tussen [appellant sub 4] en [persoon A] in juni 2023 gevoerde e-mailwisseling (productie 4 bij inleidende dagvaarding / productie 3 bij appeldagvaarding) kan worden afgeleid dat Waes en [xx] BV in afwijking van artikel 8 van de managementovereenkomst zijn overeengekomen om alleen het non-concurrentiebeding, en niet ook het relatiebeding, in duur te beperken tot één jaar. Volgens [appellanten] is afgesproken om ook het relatiebeding in die zin te beperken.
Hiervoor is in rechtsoverweging 3.4.2 al overwogen en beslist dat, naast [xx] BV en [yy] BV, ook [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zelf gebonden zijn aan artikel 8 van de ma-nagementovereenkomsten, alhoewel zij formeel geen partij zijn bij die overeenkomsten, alsmede aan artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst. Gelet daarop kan grief 3 niet slagen voor zover [appellanten] daarmee betogen dat [appellant sub 4] niet aan de postcontractuele bedingen is gebonden.
Het hof overweegt dat in artikel 8 lid 2 van de managementovereenkomst tussen Waes en [xx] BV voor zowel het non-concurrentiebeding als het relatiebeding uitdrukkelijk een duur van twee jaar is bepaald. Dat is het uitgangspunt.
[appellant sub 4] heeft in een e-mail aan [persoon A] van 21 juni 2023 voorgesteld:
" - Artikel 8. Nevenwerkzaamheden, non-concurrentie, relaties en personeel
Blijft intact voor een periode van 1 jaar (vanaf ingangsdatum vrijstelling) (…).
Ik hoor graag of dit voor jou akkoord is (…)."
Als commentaar hierop vermeldt [persoon A] : "Non-concurrentie: Niet akkoord. Laten we even niet vergeten dat ik al akkoord ga met een verlaging van 24 naar 12 maanden. Dus vanaf 1 september 2024 kun je weer werkzaamheden bij een partij die concurrende (het hof leest: concurrerende) werkzaamheden verricht. Overige: Alle overige punten blijven intact qua duur en scope (relaties, personeel, etc), (…)."
Hieruit kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de partijen bij de managementovereenkomst wilsovereenstemming hebben bereikt om ook het relatiebeding in duur te beperken. [persoon A] vermeldt in zijn e-mail immers dat [xx] BV na een jaar weer werkzaamheden bij een concurrerende partij kan verrichten, maar dat alle overige punten, waaronder relaties, intact blijven. Daarom is niet aannemelijk dat Waes heeft bedoeld, en dat Waes en [xx] BV redelijkerwijs hebben mogen begrijpen, dat ook het relatiebeding zou worden beperkt.
Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof ook uit de hiervoor in rechtsoverweging 3.1.11 bedoelde brief van de advocaat van Waes van 27 oktober 2023 niet dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt over een beperking in duur van het relatiebeding. In die brief, waarin wordt gerefereerd aan de e-mail van 21 juni 2023, gaat het met name over concurrerende werkzaamheden van [xx] BV bij iSprout BV, niet over onderwerpen die het relatiebeding raken. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Grief 3 faalt.
Grief 4, gericht tegen de tussenconclusie van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis dat het relatiebeding geldt voor een periode van twee jaar ten aanzien van zowel [xx] BV en [appellant sub 4] (tot 1 september 2025) als [yy] BV als [appellant sub 5] (tot 1 oktober 2025) kan, gezien het hiervoor overwogene, niet slagen.
Waes heeft haar vorderingen jegens Tech Seals en [zz] Groep gebaseerd op de hiervoor in rechtsoverweging 3.1.14 bedoelde en in 3.1.15 geciteerde geheimhoudingsverklaring van 7 maart 2024 (productie 12 bij inleidende dagvaarding). Niet is betwist dat deze geheimhoudingsverklaring door [persoon C] is ondertekend en dat [persoon C] zich daaraan mede namens [zz] Groep en namens aan [zz] Groep (in)direct gelieerde vennootschappen heeft verbonden. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis geoordeeld dat het verweer dat Tech Seals niet aan de geheimhoudingsverklaring is gebonden omdat zij niet aan [zz] Groep is gelieerd, niet opgaat. Tegen dit oordeel is grief 5 gericht.
Naar het voorlopig oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende ingebracht tegen hetgeen de voorzieningenrechter in de rechtsoverwegingen 2.16, 2.17 en 4.6 heeft vastgesteld en overwogen ten aanzien van de banden tussen Tech Seals en [zz] Groep. Uit het organogram dat [appellanten] als productie 7 in eerste aanleg in het geding hebben gebracht, blijkt dat [persoon C] aandeelhouder/bestuurder is van Get a Life BV. Get a Life BV is via een andere vennootschap (Blue Ocean Staffing Service BV) aandeelhouder van Tech Seals. De vaststelling door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.16 van het bestreden vonnis dat [persoon C] Tech Seals heeft opgericht, hebben [appellanten] niet bestreden. Van [zz] Groep is Get a Life BV bestuurder, zo blijkt uit productie 13 bij inleidende dagvaarding, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van het hof, zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, dat Tech Seals wel degelijk is gelieerd aan [zz] Groep in de zin van de geheimhoudingsverklaring. Tech Seals is derhalve daaraan gebonden. Grief 5 faalt.
Met grief 6 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellanten] in strijd met het relatiebeding hebben gehandeld, althans dat er voldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat zij dat zullen doen.
Hiervoor heeft het hof reeds overwogen en beslist, daarmee de voorzieningenrechter volgend, dat [xx] BV, [appellant sub 4] , [yy] BV en [appellant sub 5] voor een periode van twee jaar na de beëindiging van de met [appellant sub 4] BV en [yy] BV gesloten managementovereenkomsten gebonden zijn aan zowel het non-concurrentiebeding als het relatiebeding. Het relatiebeding geldt derhalve tot 1 september 2025 ( [xx] BV en [appellant sub 4] ) respectievelijk 1 oktober 2025 ( [yy] BV en [appellant sub 5] ). Tot die data was het die partijen op grond van artikel 8 van de managementovereenkomsten niet toegestaan om, kort gezegd, klanten van Waes over te halen klant te worden van hen.
[zz] Groep en aan haar gelieerde ondernemingen zijn tot januari 2026 contractueel gebonden aan de geheimhoudingsverklaring, in die zin dat geen diensten mogen worden geleverd aan relaties van Waes.
[appellanten] hebben erkend dat [appellant sub 4] Bol.com, een klant van Waes, heeft benaderd; op 28 augustus 2024 heeft [appellant sub 4] geprobeerd om [persoon B] van Bol.com te bellen en op 4 september 2024 heeft hij hem een Whatsapp-bericht gestuurd (productie 15 van [appellanten] in eerste aanleg), dus binnen de overeengekomen termijn van twee jaar. Uit dat bericht blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat het doel en de strekking ervan is geweest om Bol.com als klant voor Tech Seals te verwerven, zoals ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, en dat het initiatief van [appellant sub 4] is uitgegaan. [persoon B] meldt Waes in een bericht (productie 21 van Waes in eerste aanleg):
"Ik wordt de laatste tijd regelmatig benaderd door een oud medewerker van jullie ( [appellant sub 4] ) die op basis van de Waes relatie die wij hebben met mij wil praten over inzet van een kopie van jullie businessmodel via zijn eigen bedrijf, ik sta op stand negeer, A omdat ik dit allesbehalve chique vindt (…)". Voldoende aannemelijk is dus dat [appellant sub 4] het relatiebeding heeft geschonden althans heeft willen schenden.
Verder overweegt het hof dat [xx] BV en [appellant sub 5] BV per 1 oktober 2024 - zodra zij meenden niet meer gebonden te zijn aan het relatiebeding (zulks ten onrechte) - zijn toegetreden tot het bestuur van Tech Seals, zo blijkt uit productie 14 bij inleidende dagvaarding (een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel). Tech Seals verricht blijkens dat uittreksel dezelfde, althans in hoge mate vergelijkbare werkzaamheden als Waes.
Tech Seals maakt deel uit van de groep van vennootschappen van [persoon C] .
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang gezien, bestaat er naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende concrete dreiging dat [appellanten] (alle appellanten) tekort zullen schieten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de managementovereenkomst en/of de geheimhoudingsverklaring. Voldoende grond bestaat derhalve voor de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordelingen om de overeengekomen bedingen na te komen. Grief 6 faalt.
Met grief 7 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte hun verweer heeft verworpen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Waes een beroep doet op de postcontractuele bedingen (rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis). [appellanten] hebben in dit verband aangevoerd dat de duur van de dienstverbanden van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beperkt was, dat hun vertrek door Waes geïnitieerd was wegens een verschil van inzicht en dat Waes haar zorgplicht als werkgever heeft geschonden door belastende bedingen op te nemen, hen hierover niet goed te informeren, hen er niet op te wijzen om juridisch advies in te winnen, en door managementovereenkomsten te sluiten teneinde arbeidsrechtelijke bescherming te ontlopen en hen vervolgens wel privé partij te maken bij de aandeelhouders-overeenkomsten.
Het hof stelt voorop dat bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudendheid past. De rechter kan tussen partijen overeengekomen bedingen, zoals i.c. de postcontractuele bedingen, alleen dan buiten toepassing stellen indien en voor zover die bedingen in het concrete geval tot een onaanvaardbare uitkomst leiden (artikel 6:2 en 6:248 BW).
Het hof overweegt dat [appellanten] onvoldoende hebben aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [appellant sub 4] en [appellant sub 5] de managementovereenkomsten en/of de aandeelhoudersovereenkomsten niet welbewust hebben ondertekend. Niet is aangevoerd dat zij niet wisten waarvoor ze tekenden of dat zij ten tijde van de ondertekening in juni 2021 respectievelijk december 2022 vragen hadden over de inhoud van de desbetreffende bedingen. Pas later, medio 2023, toen [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zich oriënteerden op werkzaamheden elders, zijn zij met Waes onderhandelingen gestart met betrekking tot een beperking in duur van de postcontractuele bedingen.
Verder wordt in aanmerking genomen dat de duur van de relatiebedingen (twee jaar), mede gelet op de gerechtvaardigde belangen van Waes die de bedingen beogen te beschermen, het hof voorshands niet onredelijk voorkomt, mede in het licht van het feit dat het hier niet gaat om “gewone” arbeidsovereenkomsten maar om managementovereenkomsten. Het hof overweegt in dit verband dat [appellanten] overtreding van het relatiebeding kunnen vermijden, door bij het aangaan van nieuwe zakelijke relaties te verifiëren of de betreffende relatie al/nog contractuele banden heeft met Waes.
De door [appellanten] aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen naar het voorlopig oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de postcontractuele bedingen leiden tot een onaanvaardbare uitkomst die moet leiden niet-toepasselijkheid of beperking van die bedingen. De grief faalt.
De voorzieningenrechter heeft [appellanten] dwangsommen opgelegd ter hoogte van € 50.000,- per overtreding van de managementovereenkomst of de geheimhoudingsverklaring en van € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
Met grief 8 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte dwangsommen heeft opgelegd, omdat op grond van de overeenkomsten ook al boetes zijn verschuldigd, althans dat de voorzieningenrechter een dwangsom had moeten opleggen van ten hoogste € 2.000 per overtreding.
Indien dwangsommen zijn gevorderd heeft de rechter een grote discretionaire vrijheid bij de beslissing of hij dwangsommen oplegt en, zo ja, tot welk bedrag en onder welke voorwaarden. De hoogte van de dwangsom moet proportioneel zijn, maar moet tevens voor de desbetreffende schuldenaar een voldoende sterke prikkel zijn om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
Het hof overweegt dat aannemelijk is, zoals hiervoor overwogen, dat het relatiebeding met betrekking tot Bol.com is overtreden en dat de vrees van Waes gegrond is dat het relatiebeding opnieuw wordt/kan worden overtreden. Het opleggen van dwangsommen is daarom, zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen, op zijn plaats.
Met betrekking tot de hoogte van de dwangsommen heeft de voorzieningenrechter, gezien rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis, er reeds rekening mee gehouden dat tussen partijen ook een boetebeding geldt ten aanzien van de overtreding van het relatiebeding.
De door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen vormen naar het oordeel van het hof, mede gelet op de door Waes mogelijk te lijden schade, een voldoende prikkel om aan de veroordelingen te voldoen en zijn niet disproportioneel. Grief 8 faalt.
Gelet op het hiervoor overwogene falen de grieven 1 tot en met 8. Het hof zal het bestreden vonnis in stand laten. Ook grief 9, gericht tegen de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling, kan daarom niet slagen.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen.
4 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Waes op € 6.903,- aan griffierecht en op € 2.428,- (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, J.W. van Rijkom en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2025.
griffier rolraadsheer