Strafrecht overig

Artikel 3 onder A van de Opiumwet. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met twee…

Zaakgegevens

Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Maastricht
Datum uitspraak
2 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
20-000818-22
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2470
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 3 onder A van de Opiumwet. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ruim 125 kilogram hennep vanuit Spanje in Nederland. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2022

    ECLI:NL:RBLIM:2022:2504
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:2470

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-000818-22

Uitspraak : 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-147154-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de teruggave gelast aan de verdachte van een tweetal smartphones.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman een tweetal voorwaardelijke verzoeken gedaan.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 4 juni 2020 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten: ongeveer 125,25 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:


een of meer personen, althans medeverdachte [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [medeverdachte 2] , in of omstreeks 4 juni 2020 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten: ongeveer 125,25 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij in of omstreeks de periode 2 juni tot en met 4 juni 2020 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland en/of in Spanje en/of Frankrijk en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door:

- overleg te voeren en/of contact te onderhouden en/of ontmoetingen te hebben met deze één of meer personen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , en/of;

- het (mede)bepalen van de route die gereden moest worden naar het afleverpunt van de hennep in Nederland, en/of;

- het aanwezig zijn met het oog op de veiligheid gezien de waarde van de hennep die vervoerd werd, en/of;

- het vervoeren van medeverdachte [medeverdachte 2] die het ophalen van de hennep, het vervoer van de hennep en de invoer van de hennep in Nederland coördineerde, en/of;

- het in een vrachtwagen rijden samen met de vrachtwagen waarin de hennep werd vervoerd en daarbij voorop te rijden zodat de vrachtwagen waarin de hennep werd vervoerd in voorkomend geval kon worden gewaarschuwd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 4 juni 2020 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 125,05 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft, op de gronden zoals nader vermeld in de pleitnota, vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de in de Scania aanwezige hennep. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de conclusie van de rechtbank, inhoudende dat de verdachte aanwezig is geweest op de locatie waar de hennep is geladen, te weten [adres 2] , onjuist is. Dit kan immers niet uit de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij via Barcelona is gereden, worden afgeleid. De stelling van de rechtbank dat het op grond van de inhoud van het audiobericht tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 2 juni 2020 om 23:58 uur voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bezig waren met het smokkelen van drugs, is tevens onjuist. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben immers niet de gehele reis bij elkaar in de vrachtwagen gezeten. Dit volgt niet alleen uit de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie, maar tevens uit zijn verklaring op de terechtzitting van het hof waaruit onder meer naar voren komt dat er nog een vierde man aanwezig was. Ook de verklaring van de verdachte dat hij in de Daf niet tegelijkertijd met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Scania vanaf [bedrijf] in Spanje is vertrokken, de aankomsttijd van de verdachte in Geleen, naar eigen zeggen 30/40 minuten later dan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Scania, en de verklaring van [medeverdachte 2] bij het moment van aanhouding tegenover de verbalisanten, inhoudende dat hij de bijrijder was van de Scania (dossierpagina 16), bevestigen dat de verdachte niet constant met [medeverdachte 2] in de vrachtwagen heeft gezeten. Ten slotte is de door medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaring ter terechtzitting van het hof van 4 oktober 2023 onjuist. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdediging een spelletje met de verdachte gespeeld en belastend over hem verklaard toen de verdachte stopte met geld naar hem over te maken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, voor zover hier relevant, de navolgende feiten en omstandigheden af:

  • De verdachte was de bestuurder van de vrachtwagen van het merk Daf, die was voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 1] . Medeverdachte [medeverdachte 1] was de bestuurder van de vrachtwagen van het merk Scania met het Spaanse kenteken [kenteken 2] ;

  • De verdachte heeft in zijn eerste verhoor op 4 juni 2020 verklaard dat ze – hij, medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] – met 2 vrachtwagens zijn vertrokken vanaf het bedrijf [bedrijf] in Castellon Spanje en dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij hem in de vrachtwagen zat;

  • Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 8 juni 2020 bij de politie verklaard dat ze met twee vrachtwagens zijn vertrokken en dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij zijn collega (hof: de verdachte) in de cabine zat en niet bij hem heeft gezeten. Ze hebben een pauze gemaakt in Montélimar;

  • In zijn verhoor bij de politie op 4 juni 2020 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat hij tijdens de rit vanuit Spanje naar Nederland samen met de verdachte in de Daf zat, zij twee dagen daarvoor vanuit Castellon in Spanje waren vertrokken en hij gedurende die rit van Spanje naar Nederland niet in de vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] (hof: bestuurder [medeverdachte 1] ) heeft gezeten;

  • Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 2 juni 2020 om 18:50 uur een bericht naar medeverdachte [medeverdachte 1] gestuurd met daarin de locatie [adres 2] . Voorts heeft hij 11 minuten later om 19:01 uur een berekende route via Google Maps naar [adres 2] gestuurd. Deze berichten zijn die dag om 19:19 uur door medeverdachte [medeverdachte 2] eveneens naar de verdachte gestuurd;

  • Op 2 juni 2020 om 23:58 uur wordt er vanaf de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] een audiobericht naar medeverdachte [medeverdachte 1] verstuurd met daarin de volgende inhoud: “haha, gekkerd dat je bent. Maar, je blijft niet lang, [medeverdachte 1] . Bam, bam, bam. Je gaat erin... Je trekt het zijl opzij .. [een stem op de achtergrond: 15 minuten] ja, we nemen hoe dan ook 15 minuten pauze om even., zodat hij een beetje kan kaderen... en die dozen op een zijde, en de zakken erboven op en ... de riemen daarbovenop, een beetje verspreid, gegooid daar bovenop om uit het zicht te onttrekken.” Op de achtergrond worden door verbalisant [verbalisant 1] geluiden van een rijdend voertuig gehoord. Een tolk heeft daarnaast aangegeven dat de stem die op de achtergrond te horen is in de Roemeense taal spreekt;

  • Verbalisant [verbalisant 2] ontving op 4 juni 2020 om 06:08 uur een bericht dat er een hit was op het kenteken van de Spaanse vrachtauto met kenteken [kenteken 2] . Vervolgens is hij via de A76 richting Geleen gereden en zag tijdens het aanrijden dat de Spaanse vrachtwagen hem tegemoet reed op [adres 3] , waarbij hij het kenteken [kenteken 2] herkende. Verbalisant [verbalisant 2] zag vervolgens dat de vrachtauto door de bestuurder op een parkeerstrook werd geparkeerd, op de hoek van [adres 3] en [adres 4] , gelegen in Geleen. Verbalisant [verbalisant 3] arriveerde ongeveer een minuut later en nam toen samen met verbalisant [verbalisant 2] waar dat intussen 3 manspersonen gezamenlijk naast twee vrachtwagens stonden, de reeds genoemde vrachtwagen en een tweede vrachtwagen voorzien van het Spaanse kenteken [kenteken 1] . Beide vrachtwagens waren nagenoeg tegelijkertijd gearriveerd. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens om 06:28 uur aangehouden;

  • Op 4 juni 2020 om 06:07:15 stuurt medeverdachte [medeverdachte 1] een foto naar medeverdachte [medeverdachte 2] waarop een pand is te zien dat sterke gelijkenis vertoont met het pand gelegen aan [adres 3] . Medeverdachte [medeverdachte 2] stuurt vervolgens om 06:07:50 een audiobericht naar medeverdachte [medeverdachte 1] met de volgende inhoud: “Je staat daar slecht opgesteld want je staat net voor die ramen je moet deze kant op komen en die moet van hier laden, daar sta je slecht opgesteld”;

  • Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dat [medeverdachte 2] op 2 juni 2020 hem de locatie heeft doorgegeven waar de hennep is ingeladen, te weten [adres 2] in Barcelona en dat [medeverdachte 2] en de verdachte aanwezig waren op dat adres. Vervolgens zijn ze doorgereden naar Montélimar in Frankrijk waar ze zijn gestopt voor een pauze van 9 uren en dat ze toen met zijn drieën in de laadruimte de zakken hennep hebben gezien. Uiteindelijk is hij op een adres in Nederland gearriveerd waar [medeverdachte 2] al was, voordat hij er was. Hij heeft daar zijn vrachtwagen geparkeerd en [medeverdachte 2] vertelde hem na 5 minuten dat hij niet goed geparkeerd stond. [medeverdachte 1] moest naar voren en zijn vrachtwagen (de Scania) naast [medeverdachte 2] parkeren – het hof begrijpt daaruit naast de Daf – en [medeverdachte 1] heeft dat vervolgens gedaan. Daarna kwam de politie;

  • De verdachte heeft verklaard dat hij een rustpauze van 9 uur heeft gehouden op een parkeerplaats bij Montélimar.

Anders dan de verdediging heeft betoogd en de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, is het hof op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte gedurende de gehele rit van Castellon in Spanje naar Nederland met medeverdachte [medeverdachte 2] in de Daf heeft gezeten. Niet alleen heeft de verdachte dit in zijn eerste verhoren bij de politie zonder enige beperking verklaard, maar ook medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben dit tijdens hun politieverhoren bevestigd. Hetgeen in het procesdossier op pagina 16 in een ambtelijk relaas is gerelateerd en door de verdediging is aangehaald, namelijk dat medeverdachte [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten zou hebben verklaard de bijrijder te zijn geweest van de “vrachtauto met kenteken [kenteken 2] ”, neemt het hof dan ook niet voor waar aan. Hierbij in het bijzonder gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens het verhoor van de politie, maar ook gezien de berichten die medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] omstreeks de aankomst van beide vrachtwagens in [adres 3] naar elkaar hebben gestuurd en waar het hof uit afleidt dat de Scania met daarin medeverdachte [medeverdachte 1] rond 06:08 uur op [adres 3] parkeerde. Waarna medeverdachte [medeverdachte 2] , die daar op dat moment klaarblijkelijk al aanwezig was met de verdachte, aan [medeverdachte 1] berichtte dat hij verkeerd stond opgesteld en hem opdracht gaf zijn (‘deze’) kant op te komen, hetgeen [medeverdachte 1] ook heeft bevestigd ter terechtzitting in hoger beroep. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] troffen de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens kort daarna in gesprek naast beide vrachtauto’s aan. De drie mannen zijn om 6.28 uur aangehouden. Het verweer van de verdediging dat de verdachte 30 tot 40 minuten later arriveerde dan de Scania, wordt op grond van het vorenstaande eveneens ter zijde geschoven.

In de verklaringen van [medeverdachte 1] wordt alleen bij het inladen van de hennep in Barcelona gewag gemaakt van een vierde man, een jongen met een bestelbus. De kennelijk daarop gebaseerde suggestie van de raadsman dat medeverdachte [medeverdachte 2] met een vierde man zou zijn meegereden en pas later bij de verdachte dan wel medeverdachte [medeverdachte 1] zou zijn ingestapt, vindt naar het oordeel van het hof geen begin van aannemelijkheid in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, en is bovendien in strijd met de hiervoor weergegeven verklaringen van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

De verdediging heeft in dit kader voorts nog de volgens passage aangehaald uit het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 8 juni 2020: “V: [verdachte] verklaarde dat ze nagenoeg de hele route samen hebben gereden. Wat kunt u daarover verklaren? A: Nagenoeg, dat heeft u goed gezegd, niet de hele tijd” (p.293), Dit antwoord van medeverdachte [medeverdachte 2] ziet naar het oordeel van het hof niet op de situatie in de vrachtwagens (wie met wie zou hebben (mee)gereden), maar op het al dan niet samen oprijden van de twee vrachtwagens, mede gezien dat [medeverdachte 2] daarvoor heeft verklaard dat hij gedurende de rit van Spanje naar Nederland steeds in de vrachtwagen van [verdachte] heeft gezeten (p.292).

Ook de door medeverdachte [medeverdachte 2] aan de verdachte verstuurde locatie in en route naar Barcelona, levert ten slotte geen contra-indicatie op voor de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte 2] steeds bij de verdachte in de vrachtwagen (Daf) heeft gezeten, aangezien het sturen daarvan ook zinvol kan zijn voor de navigatie van de bestuurder, in dit geval de verdachte.

Uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof derhalve af dat de verdachte (als bestuurder) en medeverdachte [medeverdachte 2] (als bijrijder) op 2 juni 2020 in de Daf met kenteken [kenteken 1] met de medeverdachte [medeverdachte 1] (als bestuurder) in de Scania met kenteken [kenteken 2] vanaf het bedrijf [bedrijf] in Castillon Spanje zijn vertrokken, dat zij (nagenoeg) steeds samen hebben opgereden, samen zijn gestopt in [adres 2] in Barcelona, waar de 125,05 kilogram hennep in de Daf is geladen, dat ze steeds in diezelfde samenstelling (verdachte en [medeverdachte 2] in de Daf en [medeverdachte 1] in de Scania) verder zijn gereden, in Montélimar (Frankrijk) samen negen uur hebben gerust, en tenslotte op 4 juni 2020 op voormelde wijze vroeg in de morgen in [adres 3] zijn gearriveerd.

Het hof is daarnaast van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de in de Scania aanwezige hennep en het laden daarvan in [adres 2] in Barcelona. Zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] hebben die locatie in Barcelona op 2 juni 2020 immers van medeverdachte [medeverdachte 2] toegestuurd gekregen en de verdachte heeft ook verklaard via Barcelona te zijn gereden (p.167). Dat dat bericht met de locatie later door een of meerdere verdachten is verwijderd, doet daaraan niet af. Daar komt bij dat nu de verdachte, zoals reeds hiervoor werd overwogen, de hele rit met [medeverdachte 2] in de Daf heeft gezeten, hij kennis moet hebben genomen van het audiobericht van 2 juni 2020 om 23:58 uur van medeverdachte [medeverdachte 2] naar medeverdachte [medeverdachte 1] , temeer nu op dat audio-bericht een rijdend voertuig en een andere stem in de Roemeense taal is te horen. Bij gebreke van enige indicatie dat er ook nog een derde persoon in die cabine aanwezig was, moet die andere stem van de verdachte zijn geweest. In dat audiobericht wordt door [medeverdachte 2] uitgelegd hoe de hennep moest worden geladen, hetgeen overeenkomt met de wijze waarop de hennep op 4 juni 2020 door de politie in Nederland in de Scania is aangetroffen. Ten slotte heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte aanwezig was bij het laden van de hennep in Barcelona en dat zij in Montélimar, tijdens hun pauze van 9 uren aldaar alledrie samen naar de zakken hennep in de laadruimte hebben gekeken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij samen met de medeverdachten in Montélimar de wettelijk voorgeschreven rusttijd in acht heeft genomen. Het standpunt van de verdediging, inhoudende dat medeverdachte [medeverdachte 1] een spelletje met de verdachte zou spelen en zijn verklaring onjuist is, volgt het hof niet. Het hof acht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] betrouwbaar, nu deze gedetailleerd is en steun vindt in de over en weer gestuurde WhatsApp- en spraakberichten.

Conclusie

Uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] als bijrijder op 2 juni 2020 in een Daf vrachtauto, samen met [medeverdachte 1] in een Scania vrachtwagencombinatie vanaf het bedrijf [bedrijf] in Castellion Spanje is vertrokken, met als doel onderweg in Barcelona gezamenlijk een grote hoeveelheid hennep in de Scania te laden en die Scania te begeleiden naar de afleverplaats in Geleen. [medeverdachte 2] was degene die wist waar de hennep zou worden geladen en waar en aan wie die moest worden afgeleverd en heeft daarover tijdens de rit met [medeverdachte 1] en de verdachte gecommuniceerd. Hieruit volgt dan ook dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en het hof acht daarmee het primair ten laste van de verdachte het medeplegen van het invoeren van ruim 125 kilogram hennep in Nederland wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 19 augustus 2026 verzocht tot het (opnieuw) laten horen van medeverdachte [medeverdachte 1] en een nader onderzoek naar de mastgegevens van de telefoon van de verdachte. In zijn pleitnota noemt de raadsman weliswaar de naam van [medeverdachte 2] als te horen getuige, maar gelet op zijn verwijzing naar de zitting van 30 april 2025 waar het hof dit eerdere verzoek heeft afgewezen en het feit dat de raadsman verwijst naar de “getuigenverklaring van [medeverdachte 2] bij het hof dat er ook nog een vierde man aanwezig was”, hetgeen enkel kan slaan op de verklaring van [medeverdachte 1] op 4 oktober 2023 bij het hof, gaat het hof ervan uit dat dit een verschrijving is en dat (wederom) is gevraagd om [medeverdachte 1] als getuige te horen.

(Opnieuw) horen medeverdachte [medeverdachte 1]

Het hof is ook thans van oordeel dat de verdediging het ondervragingsrecht ter terechtzitting van 4 oktober 2023 reeds voldoende heeft kunnen uitoefenen. Notabene is [medeverdachte 1] op de zitting van 4 oktober 2023 als getuige gehoord op verzoek van de gemachtigde raadsman van verdachte. Naar het oordeel van het hof is de noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuige, mede in aanmerking genomen de door de verdediging opgegeven argumenten, niet gebleken. Het hof zal derhalve het verzoek tot het opnieuw horen van [medeverdachte 1] afwijzen.

Nader onderzoek naar de mastgegevens van de telefoons van de verdachte

Alhoewel de telefoons van de verdachte mogelijk nog opgeslagen liggen bij de politie, acht het hof het tevens niet noodzakelijk om nader onderzoek naar de mastgegevens van die telefoons te verrichten. Immers, indien mogelijk zou zijn om die gegevens te achterhalen, dan kunnen die gegevens niet uitsluiten dat de verdachte op een bepaalde locatie is geweest. Een dergelijk onderzoek is derhalve niet van belang voor enige in de onderhavige strafzaak te nemen beslissing als bedoeld in de artikelen 348-350 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal derhalve dit verzoek dan ook afwijzen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en aldus aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een first offender is en inmiddels zes jaar heeft moeten wachten op een oordeel van het hof. De verdachte zou alles verliezen wanneer hij een gevangenisstraf krijgt opgelegd. Een forse waarschuwing is volgens de verdediging voldoende.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ruim 125 kilogram hennep vanuit Spanje in Nederland. Wanneer deze lading hennep niet door de politie zou zijn ontdekt, zou deze waarschijnlijk in Nederland of elders in de wereld op de markt zijn gebracht. Gelet op de grote financiële belangen bij de internationale handel in grote partijen softdrugs, de daarmee veelal gepaard gaande (vermogens)criminaliteit en de schadelijkheid van het gebruik van hennep voor de volksgezondheid, dient deze handel krachtig te worden bestreden.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk heeft gehandeld naar zijn eigen financiële gewin, zonder oog te hebben voor voornoemde maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten geld oplevert voor alle personen die deelnemen aan (een deel van) het traject van de invoer van softdrugs tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte in Nederland, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit in Nederland is veroordeeld. Voorts volgt uit het ECRIS-uittreksel d.d. 13 maart 2025, betreffende het Spaanse justitiële verleden van de verdachte, dat de verdachte aldaar onbekend is in de Justitiële Documentatie. Ten slotte volgt uit het uittreksel ECRIS d.d. 13 maart 2025, betreffende het Roemeense justitiële verleden van de verdachte, enkel dat aan hem in 2013 in Frankrijk een verkeersboete is opgelegd.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij in Spanje woonachtig is met zijn vrouw en kinderen, inmiddels werkzaam is als vrachtwagenchauffeur bij een ander bedrijf, kostwinner is en bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn gezin zal kwijtraken.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte in verzekering is gesteld op 4 juni 2020. De rechtbank heeft vervolgens op 30 maart 2022 vonnis gewezen. Aldus is binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn vonnis gewezen. In hoger beroep, waarbij in het onderhavige geval eenzelfde termijn geldt te rekenen vanaf het ingestelde hoger beroep, is de redelijke termijn overschreden met 2 jaren en ruim 5 maanden.

Hoewel het hof van oordeel is dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voor een belangrijk deel te wijten is aan het handelen van de verdediging, acht het hof het van belang dat de verdachte hiervan geen slachtoffer wordt, reden waarom het hof de overschrijding van de redelijke termijn zal verdisconteren in de straftoemeting.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn komt het hof tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Om de verdachte tegemoet te komen in de gevolgen die een langere terugkeer naar de gevangenis op zijn persoonlijke leven zal hebben, zal het hof de verdachte een gevangenisstraf opleggen van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Tijdens het onderzoek werden onder de verdachte een tweetal telefoons in beslag genomen. Het hof zal de teruggave van deze goederen aan de verdachte gelasten, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- smartphone Wiko W-P220 (goednummer PL2300-2020086223-1320300);

- smartphone LG K9 (goednummer PL2300-2020086223-1320306).

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. M.J.M.A. van der Put en mr. C.M.A. Ellens - Veenhof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,

en op 2 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. M.J.M.A. van der Put en C.M.A. Ellens-Veenhof zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.