Strafrecht overig

Mensenhandel; prostitutie; intrekking hoger beroep na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 maart 2015

Zaakgegevens

Op 31 maart 2015 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31 maart 2015
Datum publicatie
31 maart 2015
Zaaknummer
20-001665-13
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2015:1129
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mensenhandel; prostitutie; intrekking hoger beroep na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 8 mei 2013

    ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ9547
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 31 maart 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2015:1129

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001665-13

Uitspraak : 31 maart 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 mei 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-889034-12 en 01-839181-12, tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte in de strafzaak met parketnummer 01-889034-12 ter zake van, kort gezegd:

feit 1: mensenhandel,

feit 2: mensenhandel, in vereniging gepleegd,

feit 3: het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs en

feit 4: witwassen

en in de strafzaak met parketnummer 01-839181-12 ter zake van het opzettelijk vervoeren van een hoeveelheid softdrugs,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

De verdediging heeft het hof eveneens gevraagd de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, nu hij niet langer belang heeft bij de behandeling daarvan.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Namens de verdachte is op 17 mei 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 8 mei 2013. Het onderzoek ter zitting heeft in hoger beroep een aanvang genomen door het uitroepen van de zaak tegen de verdachte ter terechtzitting van het hof op 1 november 2013. Bij akte d.d. 29 januari 2015 is namens verdachte het ingestelde hoger beroep weer ingetrokken.

Nu het onderzoek ter zitting op 1 november 2013 een aanvang heeft genomen, was een rechtsgeldige intrekking van het hoger beroep op 29 januari 2015 niet meer mogelijk.

Door het intrekken van het hoger beroep heeft de verdachte evenwel te kennen gegeven geen grieven meer te hebben tegen de beroepen uitspraak. Nu het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 31 maart 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.