Strafrecht overig
Moord te Huijbergen. Verdachte wordt ter zake van medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 mei 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:1471 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 mei 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2020-1471
Zaakgegevens
Op 4 mei 2020 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 4 mei 2020
- Datum publicatie
- 1 mei 2020
- Zaaknummer
- 20-002456-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1471
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Moord te Huijbergen. Verdachte wordt ter zake van medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts wordt de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 26 juli 2016
ECLI:NL:RBZWB:2016:4648Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 4 mei 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHSHE:2020:1471
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Parketnummer : 20-002456-16
Uitspraak : 4 mei 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 26 juli 2016 in de strafzaak met parketnummer 02-820859-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum 1] 1983 ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel.
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – naar het hof begrijpt – gevorderd dat het gerechtshof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
-
de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest;
-
de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 7.000,- aan materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, onder niet-ontvankelijkverklaring in het overige deel van de vordering;
-
de verdachte zal veroordelen in de proceskosten ad € 1.354,58 aan de zijde van de benadeelde partij.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft hij, vanwege de bepleite vrijspraak, primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de raadsman op verschillende gronden bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, althans dat de vordering dient te worden afgewezen. Meer subsidiair heeft hij verzocht het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen en de vervangende gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 februari 2014 te [plaats 5] ( [gemeente] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 februari 2014 te [plaats 5] ( [gemeente] ) tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het kader van de leesbaarheid zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.
Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt in dezen geldt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal voorbehouden is aan de feitenrechter en derhalve voor het bewijs te bezigen wat uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat voor het bewijs van geen waarde wordt geacht. De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is op gronden als verwoord in de pleitnota het volgende aangevoerd. De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn tegenstrijdig en onbetrouwbaar en derhalve is de waarde daarvan zeer beperkt. De verklaring van [verdachte] dient daarentegen wel als betrouwbaar te worden aangemerkt. Op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat niet [verdachte] , maar [medeverdachte 1] de schutter is geweest. Voorts acht de raadsman geen ruimte voor de conclusie dat sprake is van medeplegen, aangezien op grond van het dossier de rol van [verdachte] bij het feit niet kan worden vastgesteld. Hij heeft niet geschoten en wist niet dat er een moord ging worden gepleegd. Evenmin is er op basis van dit dossier voldoende technisch bewijs voorhanden. De conclusies ten aanzien van het op de handschoen aangetroffen DNA alsmede van het uitgevoerde schotrestenonderzoek geven geen uitsluitsel over de vraag of [verdachte] de schutter is geweest.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft – op gronden als verwoord in het op schrift gestelde requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van moord.
Overwegingen van het hof
1. 112-melding en bevindingen ter plaatse
Op 22 februari 2014 om 21.06 uur kwam bij de ambulancedienst van de meldkamer een eerste melding binnen dat er aan de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] een persoon onwel was geworden. Naar aanleiding van bovenstaande melding gingen meerdere politie-eenheden ter plaatse. Op de oprit van [adres woning slachtoffer] werd – naar later is gebleken – [slachtoffer] aangetroffen. Hij lag op zijn rug, met zijn voeten in de richting van een zwarte personenauto, merk Lexus. Hij was gewond aan de rechterzijde van zijn hoofd en naast hem lag een grote plas bloed op de grond (bewijsmiddelen 1, 2 en 63). [slachtoffer] overleed op 23 februari 2014 te 04.30 uur in het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen. Bij sectie op het slachtoffer werd een inschotverwonding rechts aan het behaarde hoofd gezien met een schotkanaal van rechts naar links door de hersenen. Er was een projectiel in de hersenen. Er was veel begeleidende bloeduitstorting in en naast het schotkanaal met een ernstige hersenkneuzing en hersenzwelling. Het overlijden werd volgens de patholoog zonder meer verklaard door functieverlies van de hersenen. Door de patholoog van het NFI werd vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding door het hoofd (bewijsmiddel 3).
Op het dak van de Lexus werd een patroonhuls van het merk Sellier & Bellot aangetroffen (SIN AAGX7653NL) (bewijsmiddelen 1, 5 en 6).
2. De overige relevante onderzoeksbevindingen van kort na het schietincident
De echtgenote van [slachtoffer] , [echtgenote van slachtoffer] , was ten tijde van het schietincident in de woning aan de [adres woning slachtoffer] . Deze woning grenst aan de oprit waar [slachtoffer] is aangetroffen. [echtgenote van slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] met de Lexus was vertrokken en rond 21.00 uur weer thuiskwam. Zij hoorde de elektrische poort van het perceel opengaan en zag dat [slachtoffer] de oprit op reed, de auto parkeerde en de lichten uitschakelde. Zij hoorde dat de motor werd afgezet en dat het portier van de auto openging en weer werd gesloten. [echtgenote van slachtoffer] hoorde nog voetstappen, waardoor zij vermoedde dat [slachtoffer] nog iets uit de kofferbak van de auto moest halen. Meteen daarna hoorde zij een geluid van zwaar ademen. Zij is naar buiten gerend en trof [slachtoffer] aan op de oprit. Hij was niet aanspreekbaar. De kofferbak van de auto stond open (bewijsmiddelen 2 en 4).
Afgezien van deze verklaring – die voornamelijk het tijdstip en verloop van de schietpartij zelf kan begrenzen – en de verklaringen van enkele getuigen die eerder die avond twee manspersonen over de [straatnaam woning slachtoffer] hebben zien lopen – welke verklaringen het hof later zal bespreken – kwam het onderzoek naar het dodelijke schietincident niet veel verder en werd het in mei 2014 zonder resultaat stilgelegd.
3. De verklaringen van [medeverdachte 1] en de bruikbaarheid ervan voor het bewijs
3.1 Hervatting van het onderzoek
Het onderzoek is pas weer hervat en werkelijk op gang gebracht nadat de politie in juni 2014 in kennis werd gesteld van het feit dat [medeverdachte 1] , die in Duitsland was aangehouden ter zake van een poging tot inbraak en het bezit van amfetamine, aldaar op 30 mei 2014 spontaan ten overstaan van een Duitse verbalisant had verklaard dat hij wetenschap had van een moord in [plaats 5] (bewijsmiddelen 10 en 11). Op 4 juni 2014 heeft [medeverdachte 1] hieromtrent voor het eerst een uitgebreide inhoudelijke verklaring afgelegd, gevolgd door nadere verklaringen op onder meer 10 juni 2014, 11 juni 2014, 13 mei 2015, 14 mei 2015 en 1 juli 2016.
3.2 Het motief van [medeverdachte 1] om te verklaren
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de overige inhoud van het dossier is het hof niet gebleken wat het motief van [medeverdachte 1] is geweest om uit eigen beweging te gaan verklaren. Hij heeft zich daarover meerdere keren uitgelaten, maar verschillende redenen genoemd, zoals gewetenswroeging en dat het hem te heet onder de voeten werd. Het hof laat voorts niet onbesproken dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte 1] ook zelf een rol heeft vervuld in het criminele circuit en dat tussen hem en personen die in het dossier voorkomen, onderlinge criminele verhoudingen bestonden die voor het hof slechts beperkt inzichtelijk zijn geworden. Het hof zal, in het licht van het voorgaande en gelet op de ernst van het feit, de verklaringen van [medeverdachte 1] met behoedzaamheid beoordelen en deze wegen tegen de overige inhoud van het dossier.
3.3 De kern van de verklaringen van [medeverdachte 1]
heeft in de kern het volgende verklaard.
Hij is eind januari 2014 door een vriend uit Bosnië in contact gebracht met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Drie tot vier dagen voor de moord in [plaats 5] heeft [medeverdachte 1] via Western Union € 150,- opgehaald. Dit geldbedrag had [medeverdachte 2] overgemaakt om de rit naar Nederland te kunnen maken. [medeverdachte 1] is vervolgens samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar Nederland gereden. Ze reden met de Renault Scénic waar [medeverdachte 1] in die tijd gebruik van maakte. Ze kwamen rond 02.00 uur of 03.00 uur aan in de [adres 2] te [plaats 1] . Daar hebben ze de auto geparkeerd. Vanaf daar zijn ze naar de woning van [medeverdachte 2] gelopen, alwaar ze de nacht hebben doorgebracht. [medeverdachte 2] overhandigde de volgende dag aan [verdachte] zijn navigatiesysteem en een briefje met daarop het adres van de paardenstal nabij de woning van de man die zij zouden bezoeken. Er was iets misgegaan met een drugsdeal. [medeverdachte 3] heeft herhaaldelijk tegen [verdachte] gezegd dat hij het vandaag moest afmaken. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn vervolgens naar dit adres toe gereden en reden een rondje over de [straatnaam woning slachtoffer] , waarbij [verdachte] hem de woning van de betreffende man aanwees. Nadat later bleek dat de man niet thuis was, hebben zij overnacht in de auto in de omgeving van de woning/paardenstal. [verdachte] wilde niet terug naar de woning van [medeverdachte 2] , omdat deze kwaad zou zijn dat het nog niet was afgewerkt. De volgende dag zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Renesse gegaan, alwaar zij overdag hebben doorgebracht. In de avond zijn zij teruggekeerd naar het huis van de man, alwaar zij op zijn komst hebben gewacht. [medeverdachte 1] keek uit naar een Lexus en kort nadat hij de Lexus voorbij zag komen rijden, kwam [verdachte] naar hem toe gerend, met in zijn handen een pistool en geluidsdemper. [verdachte] riep: “Ik heb hem verwond, verwond.” Hierop renden zij naar de auto, stapten zij in en reden zij weg.
Direct na de moord zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Essen en uiteindelijk Antwerpen gereden. [medeverdachte 1] was de bestuurder. Zij overnachtten in de auto op een parkeerplaats in de haven van Antwerpen. De volgende ochtend zijn zij naar een café in Antwerpen gegaan, alwaar zij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben ontmoet. Later arriveerde ook [medeverdachte 3] . [verdachte] gaf te kennen dat hij het had afgewerkt en werd daarop door iedereen gefeliciteerd. [medeverdachte 3] overhandigde in het café geld en amfetamine voor de succesvolle liquidatie. De Renault Scénic van [medeverdachte 1] bleek te zijn weggesleept. Hij had deze op een groenstrook in Antwerpen geparkeerd waar een parkeerverbod gold. Na navraag te hebben gedaan waar de auto heen was gesleept, is [medeverdachte 1] is samen met [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met de auto van [medeverdachte 2] naar die locatie gereden. Aldaar droegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hem, [medeverdachte 1] , op het navigatiesysteem en andere spullen uit de auto te halen. [medeverdachte 3] gaf [verdachte] een doek en een fles met een vloeistof, waarmee [verdachte] delen van de auto moest schoonmaken. [medeverdachte 2] verbood hem, [medeverdachte 1] , de auto op te halen en mee te nemen.
[medeverdachte 1] heeft voorafgaand aan de moord een vuurwapen met geluidsdemper in de woning van [medeverdachte 2] gezien. Op dat moment waren ook [medeverdachte 2] en [verdachte] in de woning. De geluidsdemper werd op het vuurwapen geschroefd en ook weer losgeschroefd.
(bewijsmiddelen 12, 13, 14, 16, 17, 18)
3.4 Een eerste oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1]
Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 1] zeer uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Hij heeft niet alleen met betrekking tot het dodelijke schietincident verklaard, maar ook uitvoerig omtrent de periode die daaraan voorafging en die daarop volgde. De verklaringen van [medeverdachte 1] bevatten weliswaar op onderdelen enkele discrepanties, doch het hof is van oordeel dat de verklaringen in grote mate en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenkomen. De discrepanties doen geen afbreuk aan de in paragraaf 3.3 weergegeven kern van de verklaringen van [medeverdachte 1] . Hoewel de politie [medeverdachte 1] hierover op verschillende momenten kritisch heeft doorgevraagd, is deze kern van de verklaringen in de loop der tijd niet gewijzigd.
De verklaringen zijn naar het oordeel van het hof voorts grotendeels concreet en verifieerbaar. [medeverdachte 1] heeft zijn verklaringen toetsbaar gemaakt door deze met data, tijdstippen, persoonsnamen, plaatsnamen, straatnamen, tekeningen en uitvoerige omschrijvingen van gebeurtenissen te staven. Voorts heeft hij onder meer zijn jas en tas die hij in die periode droeg, vrijwillig aan de politie afgegeven voor nader onderzoek.
Hij heeft de verklaringen bovendien afgelegd op een moment dat het onderzoek niet verder was dan hiervoor besproken en zijn verklaringen aldus niet kunnen afstemmen op de inhoud van een reeds aangelegd dossier. Ook is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 1] zijn verklaring vooraf met andere personen heeft afgestemd.
3.5 De verklaringen van [medeverdachte 1] ten aanzien van de periode tot aan het dodelijke schietincident en de periode na het schietincident, bezien in het licht van het volledige dossier
De politie heeft naar aanleiding van en op basis van de inhoud van voornoemde verklaringen van [medeverdachte 1] gericht nader onderzoek ingesteld. Dit bestond onder meer uit een onderzoek naar de (identiteit van de) personen over wie [medeverdachte 1] heeft verklaard, een onderzoek naar telecomgegevens, het uitlezen van ARS-gegevens, rechtshulpverzoeken, onderzoek naar (internationaal) betalingsverkeer en onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen.
Het hof zal hieronder eerst bespreken of en in hoeverre de verklaringen van [medeverdachte 1] ten aanzien van de periode vanaf 20 februari 2014 tot aan het dodelijke schietincident en de periode na het schietincident steun vinden in de overige inhoud van het dossier. In paragrafen 3.5.3 tot en met 3.5.6 heeft het hof – in het kader van de leesbaarheid – door middel van de aanduidingen ‘A’ en ‘B’ telkens het onderscheid tussen enerzijds onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] (A) en anderzijds de bespreking van de overige inhoud van het dossier op dat punt (B) tot uitdrukking gebracht.
3.5.1 De identiteit van de door [medeverdachte 1] genoemde personen
Naar aanleiding van de voornoemde verklaringen van [medeverdachte 1] werd een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de betrokkenen over wie hij had verklaard. De door [medeverdachte 1] genoemde ‘ [voornaam verdachte] ’ bleek na onderzoek te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] , voormalig Joegoslavië (bewijsmiddelen 39, 40 en 41). Met ‘ [medeverdachte 2] ’ werd bedoeld [medeverdachte 2] , geboren op 22 december 1979 te [geboorteplaats 1] , voormalig Joegoslavië (bewijsmiddelen 37 en 38). De door [medeverdachte 1] genoemde ‘ [voornaam medeverdachte 3] ’ bleek na onderzoek te zijn [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , voormalig Joegoslavië (bewijsmiddelen 16, 35, 36, 49 en 54).
3.5.2 De telefoonnummers die in gebruik waren bij de verdachten
Door de politie is onderzoek gedaan naar de telefoonnummers die in gebruik zijn geweest bij de verdachten waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard. Een aantal telefoonnummers is getapt, er zijn historische verkeersgegevens aangevraagd en er zijn telefoons onder [medeverdachte 1] in beslag genomen en onderzocht.
[medeverdachte 3]
Het hof concludeert op basis van de verklaring van [medeverdachte 3] , GBA-gegevens, CIOT-gegevens en de inhoud van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] . Op basis van de historische verkeersgegevens, de aangestraalde zendmastlocatiegegevens, de geregistreerde contacten en de vergelijkingen met historische ARS-gegevens van het kenteken van de Audi A4 van [medeverdachte 3] , concludeert het hof voorts dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] (bewijsmiddelen 35, 44, 45, 46 en 48).
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] , zal hierna worden volstaan met de vermelding dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 2]
Het hof stelt op basis van de verklaring van [medeverdachte 2] en de bevindingen van de onder hem in beslag genomen iPhone 5 vast dat het telefoonnummer [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] in gebruik was van [medeverdachte 2] (bewijsmiddelen 42 en 49). Het hof stelt op basis van GBA-gegevens en de verklaring van [medeverdachte 2] voorts vast dat in de woning van [medeverdachte 2] gebruik werd gemaakt van het [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] (bewijsmiddelen 37, 46 en 49).
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] en [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] , zal hierna worden volstaan met de vermelding dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 1]
Het hof stelt op basis van de verklaring van [medeverdachte 1] ten overstaan van de Duitse politie vast dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Het hof concludeert op basis van de gerelateerde uitkomsten van het uitlezen van de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons en de locaties waar het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] in de periode van 21 februari 2014 tot en met 23 februari 2014 heeft aangestraald, in combinatie met de verklaringen van [medeverdachte 1] over de locaties waar hij in die periode is geweest, dat [medeverdachte 1] voorts gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 46 en 47).
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] , zal hierna worden volstaan met de vermelding dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 1] .
[verdachte]
Het hof leidt uit de verklaring van [medeverdachte 1] en de gerelateerde uitkomsten van het uitlezen van de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons, af dat [verdachte] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte] (bewijsmiddelen 14, 16, 43 en 46). Dit telefoonnummer maakte gebruik van het [IMEI-nummer] . Een IMEI-nummer – hetgeen staat voor: ‘International Mobile Equipment Identity’-nummer – is te vergelijken met een serienummer van bijvoorbeeld een mobiele telefoon en is onafhankelijk van de in die telefoon geplaatste simkaart. Op basis van het onderzoek naar de historische gegevens van dit IMEI-nummer blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] in die periode ook gebruik maakte van dit IMEI-nummer. Op grond daarvan concludeert het hof dat [verdachte] ook gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] (bewijsmiddel 46).
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 verdachte] en [telefoonnummer 2 verdachte] , zal hierna worden volstaan met de vermelding dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [verdachte] .
[medeverdachte 5]
In een van de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon stond het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] opgeslagen onder de naam [naam 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 5] onder de naam [voornaam medeverdachte 5] .
Op de bellijst van de telefoon van [medeverdachte 1] was te zien dat deze telefoon op 25 februari 2014 contact had gezocht met het telefoonnummer dat was opgeslagen onder de naam [voornaam medeverdachte 5] en dat er geen verbinding tot stand kwam. De telefoon van [medeverdachte 1] belde 21 seconden later naar het telefoonnummer dat opgeslagen was onder de naam [naam 1] . Deze omstandigheid, in combinatie met de overeenkomsten tussen de in de telefoon opgeslagen namen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [voornaam medeverdachte 5] ’ met de naam van [medeverdachte 5] en de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij het telefoonnummer van [medeverdachte 5] onder zijn eigen naam had opgeslagen, wijzen erop dat deze telefoonnummers in gebruik waren bij [medeverdachte 5] . Daarbij komt nog dat [medeverdachte 5] zelf heeft verklaard dat hij vanaf 20 februari 2014 een of twee dagen in de woning van [medeverdachte 2] heeft verbleven. Uit de historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] op 22 februari 2014 meerdere contactmomenten had en daarbij telkens de zendmast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aanstraalde. Deze zendmast ligt in de directe nabijheid van de woning van [medeverdachte 2] en de telefoons van [medeverdachte 2] stralen het meest op die zendmast aan. De zendmast bedekt de woning van [medeverdachte 2] . Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat [medeverdachte 5] destijds gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 5] (bewijsmiddelen 16, 43, 46, 47 en 57).
Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 5] , zal hierna worden volstaan met de vermelding dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 5] .
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat het telefoonnummer van [medeverdachte 4] in zijn telefoon mogelijk was opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’. [medeverdachte 4] heeft zelf verklaard dat zijn bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ is.
Na uitlezen van de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons bleek dat onder de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] waren opgeslagen.
Op basis van een analyse van de sms-berichten werd vastgesteld dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] op 29 april – zijnde de geboortedag van [medeverdachte 4] – werd gefeliciteerd, waarbij de felicitatie in een bericht was gericht aan ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’. Daarbij komt nog dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij eind februari twee of drie dagen in de woning van [medeverdachte 2] heeft verbleven.
Uit de historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] op 21 februari 2014 twee contactmomenten had en daarbij twee zendmasten te [plaats 1] aanstraalde, waaronder de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] .
Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat [medeverdachte 5] destijds gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] (bewijsmiddelen 16, 43, 46 en 54).
3.5.3 De reis naar Nederland en het verblijf in de woning van [medeverdachte 2]
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [medeverdachte 2] drie tot vier dagen voor de moord € 150,- aan hem heeft overgemaakt via Western Union om naar Nederland te komen en dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en hij vervolgens vanuit München naar Nederland zijn gereden. Zij kwamen om 02.00 uur of 03.00 uur aan en parkeerden in de [adres 2] , vanaf waar zij naar de woning van [medeverdachte 2] liepen. Zij brachten daar de nacht door (bewijsmiddelen 12 en 13).
B. Gegevens uit het dossier
Uit de door Western Union verstrekte gegevens blijkt dat [medeverdachte 2] op 18 februari 2014 inderdaad € 150,- aan [medeverdachte 1] heeft overgemaakt en dat [medeverdachte 1] dat bedrag op 19 februari 2014 heeft opgehaald (bewijsmiddel 19).
Op 20 februari 2014 om 21.35 uur werd vanaf het telefoonnummer van [verdachte] een sms gestuurd naar het telefoonnummer van [medeverdachte 1] met de tekst (in het Nederlands vertaald luidende) “ [adres 2] , stad [plaats 1] , dat is de stad en het adres, achter het huis parkeren, dan pik ik je op” (bewijsmiddel 46). Om 21.58 uur, 22.12 uur en 22.15 uur ontving [medeverdachte 4] sms-berichten, waarbij zijn telefoon achtereenvolgens zendmasten in Venlo, Helenaveen en Neerkant aanstraalde. Hieruit volgt dat hij zich in Nederland in westelijke richting verplaatste (bewijsmiddel 63). De reis naar Nederland en aankomst bij de woning van [medeverdachte 2] in de nachtelijke uren volgt verder uit de ARS-gegevens van de Renault Scénic. Op 21 februari 2014 om 01.31 uur werd de auto op de N59 ter hoogte van de Oude Tonge geregistreerd en om 02.11 uur op de N59 ten noorden van [plaats 1] (bewijsmiddel 34).
De reis naar Nederland wordt tot slot bevestigd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Zij hebben verklaard dat ze (eind februari) samen met [medeverdachte 1] naar de woning van [medeverdachte 2] zijn gereden en daar ongeveer twee dagen hebben verbleven (bewijsmiddelen 54 en 57).
Naast [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] , heeft ook [medeverdachte 2] verklaard dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en hijzelf die nacht in zijn woning doorbrachten (bewijsmiddel 50).
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat hij in de woning van [medeverdachte 2] een vuurwapen (pistool) met geluidsdemper heeft gezien en dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hierbij aanwezig waren. De geluidsdemper werd op het pistool geschroefd en weer losgeschroefd. [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat dit is gebeurd toen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en hij ongeveer 10 dagen vóór 20 februari 2014 voor de eerste keer naar Nederland waren gereisd.
B. Gegevens uit het dossier
Anders dan ten aanzien van de reis op 20 februari 2014 wel het geval is, vindt de door [medeverdachte 1] genoemde eerdere reis naar Nederland geen steun in het dossier. Zo zijn er geen ARS-gegevens, telefoongegevens, bonnetjes, of verklaringen van betrokkenen die de verklaring van [medeverdachte 1] op dat punt onderschrijven. Bovendien ligt het niet direct voor de hand dat [verdachte] op 20 februari 2014 een sms-bericht naar [medeverdachte 1] zou sturen met het adres waar hij naartoe moest rijden en waar hij zou worden opgehaald, als [medeverdachte 1] daar al eerder was geweest. Voor het hof is in elk geval niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat [medeverdachte 1] reeds vóór 20 februari 2014 samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar Nederland is gereden en in de woning van [medeverdachte 2] heeft verbleven.
De verklaring van [medeverdachte 1] met betrekking tot het waarnemen van een vuurwapen met geluidsdemper in de woning van [medeverdachte 2] , vindt naar het oordeel van het hof echter wel steun in het dossier, namelijk in de verklaring van [medeverdachte 4] . Laatstgenoemde heeft spontaan, zonder dat hem hierover een vraag werd gesteld, verklaard dat hij voorafgaand aan het schietincident van 22 februari 2014 een vuurwapen met geluidsdemper in de woning van [medeverdachte 2] heeft gezien. De omschrijvingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] met betrekking tot het formaat en uiterlijk van het vuurwapen komen met elkaar overeen. Verder verklaarde ook [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] daarbij aanwezig waren (bewijsmiddel 54).
3.5.4 De gebeurtenissen op 21 februari 2014
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [medeverdachte 2] het navigatiesysteem uit zijn auto met een briefje aan [verdachte] heeft gegeven. Op het briefje stond het adres van de manege in de directe nabijheid van de [straatnaam woning slachtoffer] , waar zij later de auto zouden parkeren (bewijsmiddelen 12, 13 en 14).
B. Gegevens uit het dossier
Dit wordt bevestigd door [verdachte] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] het adres van de manege op een briefje heeft geschreven en dit briefje aan hem heeft overhandigd en dat hij dit adres toen in het navigatiesysteem heeft ingevoerd (bewijsmiddel 53).
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij zijn navigatiesysteem aan [verdachte] heeft uitgeleend (bewijsmiddel 50). Uit de personenauto van [medeverdachte 2] is op 6 augustus 2014 een navigatiesysteem (van het merk TomTom) in beslag genomen. Uit het onderzoek aan dit navigatiesysteem is gebleken dat onder meer twee keer de [adres manege] te [plaats 5] was ingevoerd (bewijsmiddelen 65 en 66). Aan dit adres is [naam manege] gelegen. Dit is de manege waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard, zo kan onder meer worden opgemaakt uit de door hem gemaakte tekening (dossierpagina 2112, bewijsmiddelen 13 en 15). De manege is dicht bij de [straatnaam woning slachtoffer] gelegen.
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [verdachte] en hij die dag met de Renault Scénic naar het adres van de manege zijn gereden. Ze reden een rondje over de [straatnaam woning slachtoffer] en [verdachte] wees de woning van [slachtoffer] aan hem aan. [medeverdachte 1] heeft de auto op de parkeerplaats van de manege geparkeerd. Nadat bleek dat [slachtoffer] niet thuis was, hebben zij in de omgeving van de [straatnaam woning slachtoffer] in een bosgebied in de auto overnacht (bewijsmiddelen 12, 13 en 14).
B. Gegevens uit het dossier
Om 15.08 uur straalde de telefoon van [medeverdachte 1] nog de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan. Deze zendmast ligt dicht bij de woning van [medeverdachte 2] en bedekt deze woning. Uit de ARS-gegevens blijkt dat de Renault Scénic van [medeverdachte 1] om 18.34 uur op de N59 werd geregistreerd, vermoedelijk rijdend in oostelijke richting (bewijsmiddelen 34, 46, 47 en 63). Ook [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 december 2018 bevestigd dat [medeverdachte 1] en hij op 21 februari 2014 naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan, dat [slachtoffer] niet thuis bleek te zijn en dat zij vervolgens in het bos hebben overnacht (bewijsmiddel 53). Tot slot hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] die nacht niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] (bewijsmiddelen 54 en 57).
Die avond zagen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] omstreeks 20.00 uur twee mannen over de [straatnaam woning slachtoffer] lopen, komende uit de richting van nummer 57 (bewijsmiddelen 7 en 8).
3.5.5 De gebeurtenissen op 22 februari 2014
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [verdachte] en hij de volgende ochtend tegen 06.00 uur nog een keer naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan. Hij bleek niet thuis te zijn. Hierna zijn zij naar Renesse gereden, alwaar zij de dag hebben doorgebracht (bewijsmiddelen 13 en 14).
B. Gegevens uit het dossier
Op 22 februari 2014 om 06.27 uur straalde de telefoon een zendmast te [plaats 5] aan. Uit ARS-gegevens blijkt dat de Renault Scénic van [medeverdachte 1] om 07.36 uur rijdend over de N59 in westelijke richting ten noorden van [plaats 1] is geregistreerd (bewijsmiddelen 46 en 63). In de Renault Scénic is een bonnetje van een supermarkt te Renesse aangetroffen van 22 februari 2014 te 08.44 uur (bewijsmiddel 25). Om 08.48 uur stuurde [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 5] , waarbij de telefoon van [verdachte] een zendmast in Renesse aanstraalde (bewijsmiddelen 46 en 63). Tot slot heeft ook [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] en hij die dag naar Renesse zijn gegaan (bewijsmiddel 53).
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [verdachte] en hij die avond weer terug zijn gereden naar de woning van [slachtoffer] . [verdachte] had hem verteld dat [slachtoffer] een BMW en een Lexus reed (bewijsmiddel 13).
B. Gegevens uit het dossier
Uit ARS-gegevens blijkt dat de Renault Scénic van [medeverdachte 1] op 22 februari 2014 om 18.01 uur op de N57 bij Serooskerke werd geregistreerd. Van 18.12 uur tot 19.34 uur werd de auto achtereenvolgens te [plaats 1] , Bruinisse en Halsteren geregistreerd (bewijsmiddel 34). [verdachte] heeft verklaard dat de eerste avond alleen de Lexus er stond en niet de BMW. Ook heeft [verdachte] bevestigd dat [medeverdachte 1] en hij op 22 februari 2014 naar de woning van [slachtoffer] zijn teruggekeerd (bewijsmiddel 53).
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
verklaarde dat [verdachte] en hij na de moord weer in de auto zijn gestapt. [verdachte] vertelde [medeverdachte 1] waar hij naartoe moest rijden. [verdachte] had een papiertje bij zich met wat adressen erop. Ze reden eerst naar Essen en daarna naar Antwerpen. [verdachte] had Essen in het navigatiesysteem ingevoerd. In Essen en op de weg van Essen naar Antwerpen maakten zij tussenstops en gooide [verdachte] onder meer de geluidsdemper en een jas weg. Ze kwamen uiteindelijk aan op een parkeerplaats in de haven van Antwerpen. Hier brachten zij de nacht wederom in de auto door (bewijsmiddelen 13 en 17).
B. Gegevens uit het dossier
Om 21.14 uur, acht minuten na de eerste melding bij de Regionale meldkamer van (naar later bleek) het schietincident, belde [verdachte] naar [medeverdachte 5] . De telefoon van [verdachte] straalde daarbij een zendmast te [plaats 5] aan en de telefoon van [medeverdachte 5] straalde de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan. Om 21.16 uur stuurde [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 5] , waarbij de telefoon van [verdachte] in Essen aanstraalde. Om 21.16 uur werd er vanaf het vaste telefoonnummer van [medeverdachte 2] naar het nummer van [medeverdachte 3] gebeld. Om 21.18 uur stuurde [verdachte] nogmaals een sms-bericht naar [medeverdachte 5] . Om 21.27 uur ontving [medeverdachte 1] een sms-bericht over datagebruik in België en straalde de telefoon een mast in Essen aan. Om 23.03 uur belde [verdachte] tweemaal naar [medeverdachte 4] , waarbij de telefoon van [verdachte] een zendmast te Schoten aanstraalde (zijnde een plaats in de provincie Antwerpen, blijkens de openbare bron Google). Om 00.15 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 4] , waarbij de telefoon van [verdachte] een zendmast te Merksem aanstraalde (Merksem is een district van Antwerpen, blijkens de openbare bron Google) (bewijsmiddelen 46 en 63).
Uit onderzoek aan het onder [medeverdachte 2] in beslag genomen navigatiesysteem is gebleken dat de bestemming ‘Essen’ is ingevoerd (bewijsmiddel 66).
Uit triploggegevens, verkregen uit voornoemd navigatiesysteem, volgt voorts dat de auto waarin het navigatiesysteem zich bevond op 23 februari 2014 van 00.16 uur tot en met 01.18 uur op de Sint Michielskaai te Antwerpen reed (alwaar een grote parkeerplaats ligt, blijkens openbare bron Google Maps) (bewijsmiddel 63).
Tot slot heeft [verdachte] ook verklaard dat [medeverdachte 1] en hij eerst naar Essen en daarna naar Antwerpen zijn gereden en dat zij ’s-nachts op een parkeerplaats in de haven van Antwerpen aankwamen, waar zij hebben geslapen (bewijsmiddel 53).
3.5.6 De gebeurtenissen op 23 februari 2014
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat [verdachte] en hij in de ochtend van 23 februari 2014 naar het café zijn gegaan. Het adres van dit café stond op het briefje dat [verdachte] de avond daarvoor uit zijn zak had gehaald. [medeverdachte 1] parkeerde de auto op een grasstrook op ongeveer 200 meter van het café. Later arriveerden ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in het café. Ze hebben een tijd gewacht en [medeverdachte 2] was een aantal keer aan het bellen. Er waren drie belangrijke gesprekken. Uiteindelijk arriveerde ook [medeverdachte 3] in het café. [verdachte] vertelde dat hij het had afgewerkt en werd hierop door iedereen gefeliciteerd. [medeverdachte 3] bracht drugs en geld mee en dit werd in het café overhandigd als beloning voor het succesvol volbrengen van de klus (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 15 en 17).
B. Gegevens uit het dossier
De aanwezigheid van de door [medeverdachte 1] genoemde personen volgt uit telefoonmastgegevens. Op 23 februari 2014 om 07.55 uur is er vanaf het vaste telefoonnummer van [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 1] . Om 09.22 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 4] , waarbij de telefoon van [verdachte] aanstraalde op een zendmast aan de [zendmast 2] te Antwerpen, op luttele afstand van het café [café] , dat is gelegen aan de [adres café] (blijkens de openbare bron Google Maps). Om 09.26 uur belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] , waarbij de telefoon van [medeverdachte 3] een zendmast in [plaats 2] aanstraalde en de telefoon van [medeverdachte 2] een zendmast in [plaats 1] . Om 09.29 uur belde [verdachte] nogmaals naar [medeverdachte 4] , waarbij de telefoon van [medeverdachte 4] in [plaats 1] aanstraalde en de telefoon van [verdachte] in Antwerpen. Om 11.14 uur belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] , waarbij de telefoon van [medeverdachte 3] in [plaats 3] aanstraalde en de telefoon van [medeverdachte 2] in Antwerpen. Om 13.54 uur straalde de telefoon van [medeverdachte 3] een zendmast in [plaats 2] aan bij ontvangst van een bericht van de telecomprovider en om 14.34 uur straalde zijn telefoon een zendmast in Antwerpen aan. Om 17.19 uur straalde de telefoon van [medeverdachte 3] bij een contact de zendmast gelegen aan de [zendmast 3] te Antwerpen aan. Deze zendmast ligt hemelsbreed 200 meter van de zendmast aan de [zendmast 2] (bewijsmiddelen 46 en 63).
[medeverdachte 2] had tussen 09.26 uur en 17.15 uur zestien keer telefonisch contact met [medeverdachte 3] , via sms en bellen. [medeverdachte 2] belde drie keer naar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] belde zeven keer naar [medeverdachte 2] . In vrijwel alle gevallen straalde de telefoon van [medeverdachte 2] daarbij de telefoonmast aan de [zendmast 2] te Antwerpen aan en een keer de telefoonmast aan de [zendmast 3] (bewijsmiddelen 46 en 63).
Het verblijf van de door [medeverdachte 1] genoemde personen in het café te Antwerpen, een dag na het schietincident, wordt bevestigd door de verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Zowel [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat zij met de Volkswagen Passat van [medeverdachte 2] naar het café zijn gereden en dat zij daar [medeverdachte 1] en [verdachte] troffen. [medeverdachte 5] verklaarde dat dit het eerste weerzien met [medeverdachte 1] en [verdachte] was na hun vertrek uit de woning van [medeverdachte 2] enkele dagen daarvoor. [medeverdachte 4] verklaarde dat [verdachte] en [medeverdachte 1] apart met de Renault Scénic kwamen. [medeverdachte 4] verklaarde verder dat [medeverdachte 3] later ook in het café verscheen (bewijsmiddelen 54 en 57).
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat het café de naam ‘ [café] ’ had en dat hij [medeverdachte 3] die dag ook in het café heeft getroffen (bewijsmiddel 50).
Ook [verdachte] heeft verklaard dat hij die ochtend naar een café is gegaan, dat hij [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] daar trof en dat [medeverdachte 3] later op de dag kwam (bewijsmiddel 53).
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] meerdere keren in en uit het café liep en dat hij telefoneerde. Op een gegeven moment werd aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij geld of kilo’s amfetamine wilde. Kort daarna kwam [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] binnen en hij had een zwarte zak bij zich. [medeverdachte 4] verklaarde dat [medeverdachte 3] erbij was toen de drugs en het geld in het café werden uitgedeeld. Het was [medeverdachte 4] duidelijk dat dit de uitbetaling was van zaak die de dag ervoor was afgewikkeld (bewijsmiddelen 54 en 56).
A. Verklaring van [medeverdachte 1]
heeft verklaard dat hij op 23 februari 2014 op een zeker moment erachter kwam dat zijn auto was weggesleept. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] droegen [verdachte] en hem op om naar de auto te gaan om het navigatiesysteem uit de auto te halen. [medeverdachte 1] is vervolgens samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] in de auto van [medeverdachte 2] naar de locatie gegaan waar de auto heen was gesleept. Daar moest [medeverdachte 1] het navigatiesysteem van [medeverdachte 2] en nog enkele andere spullen uit de auto halen. [medeverdachte 3] gaf aan [verdachte] een doek en een vloeistof, waarna [verdachte] delen van de auto schoonmaakte. [medeverdachte 2] verbood [medeverdachte 1] om de auto mee te nemen. Hij vroeg aan [medeverdachte 1] wat de auto waard was en gaf hem dat bedrag, ongeveer € 3.500,- (bewijsmiddelen 12 en 13).
B. Gegevens uit het dossier
Uit onderzoek door de Belgische politie is inderdaad gebleken dat de Renault Scénic met kenteken [kenteken 1] op 23 februari 2014 in Antwerpen door de politie is weggetakeld wegens een verkeersovertreding. Het voertuig stond op een verhoogde berm te Antwerpen, [adres 3] (bewijsmiddel 23).
Ook [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] als [medeverdachte 4] hebben verklaard dat de auto van [medeverdachte 1] bleek te zijn weggesleept. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem dit heeft verteld. [medeverdachte 2] gaf aan dat ze hebben gekeken waar de auto was. Volgens [medeverdachte 4] waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bang dat het navigatiesysteem zou worden gevonden en heeft [medeverdachte 1] het navigatiesysteem uiteindelijk uit de auto gehaald (bewijsmiddelen 48, 50, 54 en 55).
3.6 Conclusie van het hof ten aanzien van de periode vanaf 20 februari 2014 tot aan het dodelijke schietincident en de periode na het schietincident
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat – naast hetgeen in paragraaf 3.4 al is vooropgesteld – de verklaringen van [medeverdachte 1] op wezenlijke onderdelen steun vinden in overig bewijsmateriaal. Dit geldt grofweg voor de door [medeverdachte 1] geschetste tijdslijn en feitelijke gang van zaken ten aanzien van de periode 20 februari 2014 tot en met 23 februari 2014, alsook voor essentiële details van de verklaringen van [medeverdachte 1] .
Daarbij komt nog dat [medeverdachte 1] op het moment dat hij de verklaringen aflegde niet kón weten dat een groot deel van zijn verklaringen later zou worden ondersteund door uit het politieonderzoek naar voren gekomen objectieve gegevens, zoals telefoongegevens van de medeverdachten, ARS-gegevens van de Renault Scénic, gegevens uit het onder [medeverdachte 2] aangetroffen navigatiesysteem, triploggegevens, en gegevens omtrent de weggetakelde auto.
Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte 1] ten aanzien van de periode vanaf 20 februari 2014 tot aan het dodelijke schietincident en de periode na het schietincident
derhalve authentiek en voldoende betrouwbaar, zodat deze bruikbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd en ook tot het bewijs zullen worden gebezigd.
Het hof bespreekt hieronder nog in het bijzonder een aantal specifieke gebeurtenissen en vraagstukken.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] in de ochtend van 21 februari 2014 in de woning van [medeverdachte 2] is geweest wordt – anders dan bij de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] wel het geval is – niet ondersteund door objectieve gegevens, zoals telefoongegevens of ARS-gegevens van de auto van [medeverdachte 1] . Voorts hebben de anderen niet verklaard dat [medeverdachte 3] toen in de woning van [medeverdachte 2] is geweest. [medeverdachte 3] heeft wel verklaard dat hij wel eens bij [medeverdachte 2] thuis kwam, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 3] in het bewuste weekend in de woning van [medeverdachte 2] is geweest, en [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] er toen ook was, maar zij verklaren over een ander moment dan [medeverdachte 1] . Op welk moment [medeverdachte 3] precies in de woning van [medeverdachte 2] is geweest, kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Desalniettemin acht het hof de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat [medeverdachte 3] er tegen [verdachte] op had aangedrongen dat het die dag moest gebeuren/dat hij het moest afmaken, betrouwbaar. Ten aanzien van dit punt heeft [medeverdachte 1] ook van meet af aan in zijn gedetailleerde verklaringen consistent verklaard. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] bij de bespreking van een later moment in de door hem beschreven tijdslijn van gebeurtenissen – welke tijdslijn op veel punten wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen – teruggreep op die uitspraken van [medeverdachte 3] . Dit was toen hij verklaarde dat [verdachte] in de avond van 21 februari 2014 niet terug wilde keren naar de woning van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] verklaarde dienaangaande op 10 juni 2014: ‘ [verdachte] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [verdachte] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [verdachte] wist dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [verdachte] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes.’ (bewijsmiddel 14, dossierpagina 2100). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] de ochtend erna, nadat zij wederom zonder resultaat bij de woning van [slachtoffer] waren geweest, ook niet terug wilde keren naar de woning van [medeverdachte 2] : ‘ [verdachte] kwam terug en zei dat hij niet terug naar huis wilde gaan, omdat zij immers kwaad waren.’ (bewijsmiddel 13). [medeverdachte 1] maakte derhalve een koppeling tussen de uitspraken van [medeverdachte 3] en de omstandigheid dat zij tot twee keer toe niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] . Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor besproken, volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de nacht van 21 februari 2014 inderdaad niet zijn teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar in de auto in het bos hebben overnacht. De volgende ochtend zijn zij wederom niet teruggekeerd naar de woning van [medeverdachte 2] , maar naar Renesse gereden.
Het hof acht de door [verdachte] opgegeven reden voor het niet terugkeren naar de woning van [medeverdachte 2] – namelijk dat [medeverdachte 1] dit niet wilde vanwege problematische verhoudingen met [medeverdachte 4] – niet aannemelijk geworden. Uit het dossier komt eerder naar voren dat de verhoudingen tussen hen (op dat moment) goed waren. Zo waren zij op 20 februari 2014 samen naar Nederland gekomen, ontmoetten zij elkaar op 23 februari 2014 in het café, heeft [medeverdachte 1] die dag aan [medeverdachte 4] geld gegeven om met de trein terug te reizen en troffen zij elkaar later weer in München (dossierpagina’s 3310-3312). Het hof hecht op dit punt geloof aan de verklaring van [medeverdachte 1] en ziet daarin steun voor diens verklaring dat [medeverdachte 3] tegen [verdachte] zou hebben gezegd dat hij het die dag af moest maken. Het hof bezigt derhalve ook dit deel van de verklaring van [medeverdachte 1] tot het bewijs.
Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] , inhoudende dat [medeverdachte 3] op 23 februari 2014 in Antwerpen drugs en geld heeft overhandigd, overweegt het hof het volgende.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben beiden verklaard dat er in het café een uitbetaling van geld en drugs heeft plaatsgevonden als beloning voor de succesvolle klus. Ze hebben allebei verklaard over een zwarte zak waar drugs in zaten en dat het om amfetamine en grote geldbedragen (van duizenden euro’s) ging. Wie wat exact heeft ontvangen en wie het geld en de drugs daadwerkelijk onder de betrokkenen heeft verdeeld, is niet helemaal duidelijk geworden: [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] dit heeft gedaan, terwijl [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] dit deed.
Op wezenlijke onderdelen komen de verklaringen echter wel met elkaar overeen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] drie belangrijke telefoongesprekken heeft gevoerd, dat [medeverdachte 3] uiteindelijk met twee zakken aankwam en dat het geld en de drugs van [medeverdachte 3] afkomstig waren. Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] heeft gebeld, dat [medeverdachte 2] naar buiten ging en korte tijd later terugkwam met [medeverdachte 3] en – naar het hof begrijpt – de drugs en het geld.
Uit de hiervoor reeds besproken telefoongegevens blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 23 februari 2014 veelvuldig telefonisch contact hebben gehad. Zo belde [medeverdachte 2] drie keer naar [medeverdachte 3] en belde [medeverdachte 3] zeven keer naar [medeverdachte 2] . Voorts straalde de telefoon van [medeverdachte 3] pas later op de dag (14.34 uur) in Antwerpen aan (bewijsmiddelen 46 en 63).
Het hof acht, naast voornoemde telefoonmastgegevens, van belang dat uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 4] volgt dat er een tijd in het café is gewacht, dat [medeverdachte 3] pas later arriveerde, dat tóen pas de drugs en het geld verschenen en de uitbetaling vervolgens heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [medeverdachte 3] (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 16, 54 en 56). Op grond van het vorenstaande staat voor het hof genoegzaam vast dat [medeverdachte 3] met de drugs en het geld is gekomen en dat hij de uitbetaling daarvan aldus mogelijk heeft gemaakt en verzorgd.
Het hof ziet ook geen reden te twijfelen aan de door [medeverdachte 1] gegeven lezing omtrent de gebeurtenissen ten aanzien van het wegslepen van de Renault Scénic op 23 februari 2014. Naast hetgeen het hof in paragraaf 3.4 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat ook dit onderdeel van de verklaring voldoende steun vindt in het dossier. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de auto inderdaad was weggesleept. De verklaring van [medeverdachte 1] vindt te dien aanzien bevestiging in het onderzoek van de Belgische politie en in verklaringen van onder meer [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Daarnaast hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij het terugvinden van de auto (bewijsmiddelen 48, 50 en 52).
Tot slot overweegt het hof dat de door [medeverdachte 1] beschreven handelingen van [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , het hof niet onwaarschijnlijk voorkomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de Renault Scénic een dag ervoor was gebruikt bij het dodelijke schietincident aan de [straatnaam woning slachtoffer] (bewijsmiddelen 9, 12, 13, 14, 53 en 54). Dat de auto was weggesleept, was bovendien een voor alle verdachten onvoorziene omstandigheid waarmee zij geen rekening hadden gehouden. Het hof acht het dan ook zeer wel voorstelbaar dat in de auto nog allerlei (persoonlijke) spullen lagen die eruit moesten worden gehaald en dat de verdachten er dus belang bij hadden om de auto terug te vinden en mogelijke sporen te wissen.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 4] op bepaalde onderdelen steun vinden in de verklaringen van [medeverdachte 1] , alsook in overig bewijsmateriaal. Zo heeft [medeverdachte 4] de reis naar Nederland eind februari 2014 erkend, heeft hij verklaard over een wapen met geluidsdemper in de woning van [medeverdachte 2] , over de afwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] op 21 en 22 februari 2014, en over de uitbetaling van geld en drugs in café [café] . [verdachte] heeft zijn aanwezigheid op de plaats delict op 21 en 22 februari 2014 erkend, heeft verklaard over zijn aanwezigheid in Renesse op 22 februari 2014, over de reis die [medeverdachte 1] en hij na de moord maakten naar Essen en Antwerpen, over de overnachting in de auto op een parkeerplaats in de haven van Antwerpen, en over zijn aanwezigheid en de aanwezigheid van andere betrokkenen op 23 februari 2014 in het café te Antwerpen.
Het hof acht de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 4] betrouwbaar, voor zover passages steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat hun verklaringen op andere onderdelen niet accuraat, inconsistent of zelfs aantoonbaar onjuist zijn gebleken, doet niet af aan het oordeel van het hof dat aan de genoemde specifieke passages van de verklaringen van [medeverdachte 4] en [verdachte] wel geloof kan worden gehecht, zodat die onderdelen wel tot het bewijs worden gebezigd.
3.7 Ondervragingsrecht [medeverdachte 1]
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [medeverdachte 1] is geboden, nu [medeverdachte 1] bij zijn verhoor ten overstaan van de raadsheer-commissaris d.d. 26 oktober 2017 niet bereid was om op vragen te antwoorden.
Het hof stelt voorop dat een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM wordt aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1016 en ECLI:NL:HR:2019:123).
Het hof overweegt dat de verdediging de mogelijkheid is geboden de verklaringen van [medeverdachte 1] te toetsen ter gelegenheid van het getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commisaris d.d. 8 maart 2016 en 9 maart 2016. De raadsman van [verdachte] , mr. [raadsman] , en de raadslieden van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren bij dit verhoor aanwezig. De raadsman van [verdachte] heeft [medeverdachte 1] bij deze gelegenheid uitgebreid ondervraagd en [medeverdachte 1] heeft uitgebreid antwoord gegeven op alle vragen die aan hem zijn gesteld.
Aldus concludeert het hof dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geboden verklaringen van [medeverdachte 1] die tot het bewijs zijn gebezigd, te toetsen. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] bij de raadsheer-commissaris niet bereid was om op vragen te antwoorden, behoudens zijn mededeling dat hij bij de politie en de rechtbank naar waarheid had verklaard, naar zijn zeggen omdat de medeverdachten ook niet wilden antwoorden op vragen van zijn toenmalig raadsman, doet aan het oordeel van het hof niet af.
Dit betekent dat tweede vraag, namelijk of de bewezenverklaring al dan niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 1] , feitelijk geen betoog behoeft. Geheel ten overvloede overweegt het hof echter dat, zoals hiervoor reeds uitvoerig is besproken, de verklaringen van [medeverdachte 1] voldoende worden ondersteund door de overige gebezigde bewijsmiddelen en dat dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] die door de verdediging zijn betwist, zodat niet kan worden gesproken van een bewezenverklaring die in beslissende mate (the sole and decisive basis) steunt op één (getuigen)verklaring.
4. Overige onderzoeksbevindingen
Naast de hiervoor besproken onderzoeksresultaten die de verklaringen van [medeverdachte 1] ondersteunen, zijn er uit het onderzoek voorts nog overige relevante bevindingen naar voren gekomen.
4.1 De voorverkenning op 11 februari 2014
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer [slachtoffer] onder een auto (voorzien van kenteken [kenteken 2] ) een GPS-tracker had geplaatst en dat die auto op 11 februari 2014, aldus 10 dagen voor het schietincident, op het chaletpark aan de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] is geweest (bewijsmiddelen 58, 59, 61, 64). De auto vertrok om 23.31 uur vanaf het adres [adres 4] te [plaats 3] en reed om 23.45 uur het chaletpark aan de [straatnaam woning slachtoffer] op, waar op nummer 57 het latere slachtoffer [slachtoffer] woonde. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar op 19 of 20 februari 2014 had verteld dat de auto die hij via het GPS-baken volgde, een week daarvoor langs zijn huis was gereden (bewijsmiddel 58). Verder blijkt uit de GPS-bakengegevens dat de auto op de [straatnaam woning slachtoffer] met een snelheid van 9 kilometer per uur reed en daar niet is gestopt en rechtstreeks na het rondje op het chaletpark is teruggereden naar [plaats 3] (bewijsmiddel 64). Het hof trekt uit het vorenstaande en de overige bewijsmiddelen, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien en nu overigens niet is gebleken dat de auto op dat moment iets te zoeken had op de [straatnaam woning slachtoffer] , de conclusie dat sprake was van een voorverkenning op/in de omgeving van de plaats delict.
De hiervoor genoemde auto stond op naam van de zus van een persoon met wie [slachtoffer] een (zakelijk) conflict had (bewijsmiddelen 58, 59, 60, 62). Uit telecomonderzoek is gebleken dat deze persoon ( [naam 2] ) in de periode van 10 tot en met 13 februari 2014 gebruik maakte van de auto waaronder het GPS-baken was aangebracht (bewijsmiddel 62). Voorts kan uit telecomgegevens (in- en uitgaand sms-verkeer) worden opgemaakt dat diens telefoon zich in de late avond van 11 februari 2014 verplaatste (bewijsmiddelen 62 en 64). Voor het hof staat op grond van het voorgaande voldoende vast dat de auto waaronder het GPS-baken was geplaatst, op dat moment werd bestuurd door de bedoelde kennis van [slachtoffer] , [naam 2] .
Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat [medeverdachte 3] en de hiervoor genoemde bestuurder van de auto op 11 februari 2014 nauw contact hebben gehad met betrekking tot deze voorverkenning en dat [medeverdachte 3] hierbij betrokken is geweest, al dan niet als inzittende van de auto.
Zij kenden elkaar goed en hadden op 11 februari 2014 beduidend intensiever telefonisch contact met elkaar dan op andere dagen in die periode het geval was. Om 22.59 uur, dus een half uur voordat de auto naar de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] vertrok, hadden zij het laatste sms-contact. Beide telefoons straalden op dat moment dezelfde zendmast te [plaats 3] aan. Vervolgens maakte de telefoon van [medeverdachte 3] pas weer contact met een zendmast drie minuten nadat de auto van de voorverkenning was teruggekeerd en weer aan de [adres 4] te [plaats 3] was gestopt (12 februari 2014 te 00.05 uur). De telefoonmastgegevens duiden erop dat [medeverdachte 3] toen weer onderweg was naar zijn woning in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 3] straalde om 00.08 uur en om 00.09 uur twee verschillende zendmasten te [plaats 3] aan. Later die nacht straalde [medeverdachte 3] zendmasten te Kruiningen en [plaats 2] aan (bewijsmiddelen 46 en 64).
4.2 De voorverkenning op 12 februari 2014
Op 12 februari 2014 om 11.23 uur voerden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een telefoongesprek van ruim vijf minuten met elkaar. Op dat moment straalden hun telefoons aan in hun woonplaatsen te [plaats 2] en [plaats 1] . Later die middag hadden zij meerdere keren over en weer sms-contact. Om 18.05 uur belde [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] . De telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] straalden op dat moment allebei de zendmast aan de [zendmast 4] aan.
[verdachte] en [medeverdachte 2] ontvingen om 18.33 en 18.36 uur vier sms-berichten van hun telecomprovider, waaruit blijkt dat dat zij zich op dat moment in het grensgebied met België bevonden. Het is algemeen bekend dat telecomproviders op het moment dat een mobiele telefoon gebruikmaakt van een buitenlands netwerk, sms-berichten versturen in verband met de extra kosten van gebruik in het buitenland.
Uit telefoonmastgegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 2] zich om 20.36 uur in het dekkingsgebied van de woning van [slachtoffer] te [plaats 5] bevond (bewijsmiddel 64). Ongeveer een uur daarna (21.23 uur) straalde zijn telefoon een zendmast aan de [zendmast 5] te [plaats zonnetudio] aan. Deze zendmast ligt in de nabijheid van de zonnestudio van [getuige 4] , waar [slachtoffer] geregeld kwam (bewijsmiddelen 59 en 64 in combinatie met de openbare bron Google Maps). Weer ongeveer anderhalf uur daarna straalden de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] drie minuten na elkaar dezelfde zendmast aan de [zendmast 4] aan (om 22.49 uur en 22.52 uur). Om 23.08 uur was [medeverdachte 2] weer in zijn woonplaats [plaats 1] en om 23.20 uur was [medeverdachte 3] weer in zijn woonplaats [plaats 2] (bewijsmiddel 64).
De straat van de woning van [slachtoffer] , de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] , en de straat waar de zonnestudio was gevestigd, de [adres 5] te [plaats zonnetudio] , zijn allebei twee keer ingevoerd in de TomTom van [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 66).
[verdachte] heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn bezoek met [medeverdachte 1] aan de woning van [slachtoffer] op 21 en 22 februari 2014, eerder samen met [medeverdachte 2] langs de woning was gereden. Ze hadden rondgereden en [medeverdachte 2] had hem de woning en twee auto’s aangewezen (bewijsmiddel 53). Tot slot heeft [medeverdachte 1] al op 11 juni 2014 verklaard dat hij van [medeverdachte 2] had gehoord dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met [verdachte] naar diverse locaties waren gereden, waaronder de zonnestudio (bewijsmiddel 14).
Toen [verdachte] en [medeverdachte 1] negen dagen later naar de woning van [slachtoffer] gingen, was [verdachte] al op de hoogte van de exacte locatie van de woning van [slachtoffer] . Hij heeft de woning aan [medeverdachte 1] aangewezen en wist dat [slachtoffer] twee auto’s tot zijn beschikking had.
Op grond van al het voorgaande stelt het hof vast dat er op 12 februari 2014 wederom een voorverkenning heeft plaatsgevonden, waarbij in ieder geval [medeverdachte 2] en [verdachte] samen naar de genoemde locaties zijn gereden. Of [medeverdachte 3] in Goes is overgestapt in de auto van [medeverdachte 2] en vervolgens mee is geweest naar [plaats 5] en [plaats zonnetudio] , kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Nu [medeverdachte 3] de dag daarvoor al bij een voorverkenning betrokken was geweest, hij op 12 februari 2014 veelvuldig contact met [medeverdachte 2] had, de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vóór en ná de voorverkenning op dezelfde locatie te Goes aanstraalden en de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] enige tijd later weer in hun eigen woonplaatsen aanstraalden, staat voor het hof vast dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] die avond heeft getroffen en directe betrokkenheid heeft gehad bij de voorverkenning op 12 februari 2014, zoals door het tonen/verschaffen van informatie en geven van inlichtingen.
Afsluitend merkt het hof nog het volgende op. Naar het oordeel van het hof kunnen de voorverkenningen niet los worden gezien van elkaar en van de dood van [slachtoffer] . [slachtoffer] is respectievelijk 10 en 11 dagen na de voorverkenningen van achteren door het hoofd geschoten. [medeverdachte 2] heeft [verdachte] op 21 februari 2014 een briefje met het adres van de woning van [slachtoffer] meegegeven en [medeverdachte 3] heeft tegen [verdachte] aangedrongen dat hij het die dag moest afmaken, zo volgt uit de betrouwbaar geachte verklaringen van [medeverdachte 1] . Hierna zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Uit niets blijkt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook maar enige binding met [slachtoffer] hadden. Zij moeten vooraf dus wel zijn geïnstrueerd. Het hof beziet de voorverkenningen en de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] daarbij (geven van instructies en informatie) dan ook in het licht van de overige inhoud van het dossier.
4.3 Aanwezigheid verdachten te Antwerpen op 21 februari 2014
Op 21 februari 2014 stralen de telefoons van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] allemaal binnen een kort tijdsbestek (tussen 20.12 uur en 20.22 uur) aan in Antwerpen (bewijsmiddel 63). [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en hij op die dag met de auto van [medeverdachte 2] naar Antwerpen zijn gegaan en dat zij daar ook [medeverdachte 3] troffen (bewijsmiddel 54).
5. De schutter
Uit de inhoud van het dossier volgt dat feitelijk twee personen voor het toebrengen van het dodelijke schot aan [slachtoffer] in aanmerking komen: [verdachte] en [medeverdachte 1] . Zij waren ten tijde van het schietincident op de plaats delict aanwezig.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] op 22 februari 2014 door het hoofd heeft geschoten. [verdachte] zou die avond, nadat zij waren teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] , op een gegeven moment een pistool met daarop een geluidsdemper in zijn hand hebben gehad en hebben geroepen: “Ik heb hem verwond, verwond.” [verdachte] had op dat moment handschoenen aan. [verdachte] liep hem voorbij, waarna zijn zij samen naar de auto renden en vluchtten. Onderweg zijn zij een aantal keer gestopt en ontdeed [verdachte] zich van kledingstukken en de geluidsdemper. Nadat zij waren aangekomen op de parkeerplaats in de haven van Antwerpen, gooide [verdachte] het pistool aldaar in het water. De volgende dag gaf [verdachte] in het café aan de overige aanwezigen te kennen dat hij [slachtoffer] door het hoofd had geschoten en werd hij gefeliciteerd met de volbrachte klus, zo verklaarde [medeverdachte 1] (bewijsmiddelen 12, 13, 14, 16, 17)
Naar aanleiding van deze verklaringen van [medeverdachte 1] is (forensisch) onderzoek verricht.
Nadat aan de hand van de verklaringen van [medeverdachte 1] was gebleken dat de Renault Scénic – die [medeverdachte 1] destijds in gebruik had en waarmee zij naar de plaats delict waren gereden – inderdaad was weggetakeld, is de auto opgedoken en onderzocht (bewijsmiddelen 23, 24, 26). Bij het sporenonderzoek is een paar handschoenen op de bijrijdersstoel aangetroffen (bewijsmiddel 28). In de binnenkant van de handschoen is celmateriaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [verdachte] met een matchkans van één op één miljard (bewijsmiddelen 31 en 32). Verder heeft [verdachte] aangegeven dat dit zijn handschoenen waren (bewijsmiddel 53). Het hof stelt dan ook vast dat [verdachte] deze handschoenen heeft gedragen.
Op de buitenkant van de handschoen zijn schotresten aangetroffen, te weten 2500 categorie A-deeltjes en 150 categorie B-deeltjes. Het NFI concludeerde dat het schotrestenonderzoek heeft aangetoond dat de onderzochte handschoen van [verdachte] een vrijwel zekere relatie heeft gehad met een schietproces (bewijsmiddel 32). In het vergelijkend schotrestenonderzoek is vastgesteld dat de hypothese dat de schotrestdeeltjes op de handschoen dezelfde bron van herkomst hebben als de deeltjes op de bemonstering van de huls die op het dak van de auto van [slachtoffer] is aangetroffen, iets waarschijnlijker is dan de hypothese dat deze deeltjes een andere bron van herkomst hebben dan de deeltjes op de huls (bewijsmiddel 33).
Nader schotrestenonderzoek heeft uitgewezen dat de bevindingen op de handschoen van [verdachte] beter passen bij een primaire overdracht (door zelf schieten of zich dicht bij het vuurwapen bevinden tijdens het schieten) dan bij secundaire overdracht (aanraken van een met schotresten besmet voorwerp) (bewijsmiddel 33).
Het hof concludeert dat de verklaringen van [medeverdachte 1] met betrekking tot de vraag wie [slachtoffer] heeft doodgeschoten, op belangrijke onderdelen steun vinden in de forensische bevindingen. De forensische bevindingen geven zowel steun voor zijn verklaring dát [verdachte] die avond handschoenen droeg, als voor zijn verklaring dat deze handschoenen een relatie hebben met het schietincident waarbij [slachtoffer] is gedood.
Uit het forensisch onderzoek is voorts gebleken dat op de jas van [medeverdachte 1] , die hij vrijwillig aan de politie heeft afgestaan, óók schotrestdeeltjes zijn aangetroffen. [medeverdachte 1] had deze jas naar eigen zeggen op de dag van het schietincident gedragen. Op de jas is DNA van [medeverdachte 1] aangetroffen (met een matchkans van één op één miljard) en op de mouwen van de jas zijn 7 categorie A-deeltjes en 80 categorie B-deeltjes aangetroffen. Het NFI concludeerde dat het schotrestenonderzoek heeft aangetoond dat de onderzochte delen van de mouwen van de jas van [medeverdachte 1] ook een vrijwel zekere relatie heeft gehad met een schietproces. Nader schotrestenonderzoek heeft uitgewezen dat de bevindingen op de jas van [medeverdachte 1] net zo goed passen bij een primaire overdracht als bij een secundaire overdracht.
Categorie A-deeltjes zijn karakteristiek voor schotrestdeeltjes en hebben een grote bewijswaarde, terwijl categorie B-deeltjes een elementsamensteling hebben die overeenkomsten vertoont met schotrestdeeltjes en een geringe bewijswaarde hebben.
Het hof stelt vast dat er een groot verschil is tussen de aangetroffen hoeveelheid A-deeltjes op de handschoen van [verdachte] en de aangetroffen hoeveelheid A-deeltjes op de jas van [medeverdachte 1] . De resultaten van het schotrestenonderzoek wijzen feitelijk meer in de richting van [verdachte] dan in de richting van [medeverdachte 1] . Het aantal schotrestdeeltjes dat wordt aangetroffen, is echter onder meer afhankelijk van de handelingen met een kledingstuk of voorwerp tussen het moment dat de deeltjes op het kledingstuk of voorwerp terecht zijn gekomen en het moment van bemonsteren. In dat kader merkt het hof op dat [medeverdachte 1] de jas na het schietincident nog enige tijd onder zich heeft gehad en heeft verplaatst, terwijl de handschoen voortdurend in de auto heeft gelegen. Gelet daarop kan op basis van de resultaten van het schotrestenonderzoek op zichzelf nog niet zonder meer worden geconcludeerd dat de drager van de handschoen ( [verdachte] ) de schutter is geweest.
Het hof acht echter voorts het volgende van belang.
De lezing van [verdachte] ten aanzien van het schietincident houdt – kort gezegd – in dat hij de auto voor de manege heeft geparkeerd, dat [medeverdachte 1] en hij een rondje hebben gelopen over de [straatnaam woning slachtoffer] , dat ze hierna terug naar de auto gingen, dat [medeverdachte 1] vervolgens terug naar de woning ging om een gesprek te voeren met [slachtoffer] terwijl [verdachte] bij de auto wachtte, dat [medeverdachte 1] enkele minuten weg bleef, dat [verdachte] achter [medeverdachte 1] aanging toen hij de Lexus voorbij zag komen en dat hij vervolgens [medeverdachte 1] onderweg tegenkwam. [medeverdachte 1] liep rustig naar hem toe en ze zijn in de auto gestapt en naar België gegaan. [verdachte] verklaarde dat hij het vuurwapen pas op de parkeerplaats in de haven van Antwerpen zag. Omdat [verdachte] nog nooit een wapen had gebruikt, liet [medeverdachte 1] hem het wapen zien. [verdachte] heeft vervolgens één keer met het wapen in het water geschoten. Op die manier zijn de schotresten op zijn handschoenen terechtgekomen. Hij gaf het wapen daarna terug aan [medeverdachte 1] en heeft het wapen nooit meer gezien.
Het hof acht het door [verdachte] geschetste scenario niet aannemelijk. [verdachte] heeft bij de politie, ook wanneer hem uitdrukkelijk de hiervoor genoemde belastende omstandigheden werden voorgehouden, steeds gezwegen of verklaard dat hij niets van de zaak af wist. De summiere verklaringen die hij heeft afgelegd, waren op grond van de bewijsmiddelen grotendeels evident onjuist en heeft hij in hoger beroep bijna geheel herzien. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 december 2018 heeft hij een inhoudelijke verklaring afgelegd over hetgeen volgens hem op 22 februari 2014 is gebeurd. Die timing heeft hem de gelegenheid gegeven zijn verklaring tot in de details af te stemmen op de inhoud van het dossier, de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en het in hoger beroep verrichte onderzoek. Verder valt het hof op dat [verdachte] de (op grond van het dossier nauwelijks te ontkennen) onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] in grote lijnen heeft bevestigd, maar ten aanzien van het schietincident het voor hem minst belastende scenario heeft geschetst. De verklaring van [verdachte] met betrekking tot het schietincident is naar het oordeel van het hof overigens niet aannemelijk geworden. Naast de omstandigheid dat zijn lezing (thans) in het geheel niet verifieerbaar is en derhalve niet op juistheid kan worden getoetst, komt het hof het onwaarschijnlijk voor dat [verdachte] bij wijze van experiment/uittesten met een vuurwapen (zonder daarbij de aanwezigheid van een geluidsdemper te hebben genoemd) heeft geschoten op een parkeerplaats aan de haven en in het centrum van Antwerpen, met alle risico’s van dien.
Het hof ziet voorts niet in waarom [verdachte] het – hem van het ten laste gelegde vrijpleitende – scenario niet eerder naar voren heeft willen brengen. De door hem opgegeven reden voor het zeer laat afleggen van de verklaring – namelijk omdat hij ervan overtuigd was dat de rechtbank door de leugens van [medeverdachte 1] heen zou prikken – komt het hof in dat kader bepaald niet logisch en denkbaar voor, in het bijzonder gelet op de vele concrete en voor [verdachte] belastende feiten en omstandigheden waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard, die hij op een later moment voor een groot deel heeft erkend. Het hof acht geen andere reden aannemelijk voor het niet eerder afleggen van dit scenario, dan de mogelijkheid tot afstemming ervan op de overige inhoud van het dossier. Gelet op het vorenstaande hecht het hof aan die verklaring geen geloof. Het hof schuift deze verklaring wat betreft de feitelijke toedracht van het schietincident dan ook als ongeloofwaardig terzijde en zal alleen dat deel van zijn verklaring voor het bewijs gebruiken dat steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Het hof zal ook geen doorslaggevende waarde toekennen aan de verklaring van [medeverdachte 4] , inhoudende dat [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat hij degene is geweest die [slachtoffer] in het hoofd heeft geschoten. [medeverdachte 4] heeft dit voor het eerst verklaard op een moment (op 22 april 2015) nadat [medeverdachte 1] al verschillende verklaringen had afgelegd en [medeverdachte 4] kennelijk wetenschap had van deze verklaringen. Hij verklaarde namelijk dat hetgeen [medeverdachte 1] had gezegd niet klopte en schilderde [medeverdachte 1] meerdere keren af als ‘leugenaar’ (dossierpagina’s 3282, 3311, 3336). Verder merkt het hof op dat in dat kader opvalt dat, hoewel [verdachte] in de lezing van [medeverdachte 4] een beduidend andere rol had dan door [medeverdachte 1] is geschetst, enkele belangrijke onderdelen van de verklaring van [medeverdachte 4] niet door [verdachte] worden bevestigd. Zo verklaarde [medeverdachte 4] dat [verdachte] in de bossages dichtbij het erf van [slachtoffer] stond, terwijl [verdachte] heeft verklaard dat hij bij de auto van [medeverdachte 1] heeft gewacht toen [medeverdachte 1] naar de woning van [slachtoffer] was gegaan. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] verklaard dat [medeverdachte 1] het wapen in ‘de zee’ in Antwerpen heeft weggegooid, terwijl [verdachte] heeft verklaard dat hij in de haven van Antwerpen met het wapen heeft geschoten maar het wapen hierna aan [medeverdachte 1] heeft teruggegeven en daarna nooit meer heeft gezien. Het is op zijn minst genomen opmerkelijk dat [medeverdachte 1] juist degene is geweest die (reeds op 4 juni 2014) heeft verklaard dat het wapen – door [verdachte] – in de haven is gegooid, terwijl [verdachte] deze gebeurtenis in het geheel niet heeft bevestigd, laat staan aan [medeverdachte 1] heeft toegeschreven, zoals [medeverdachte 4] verklaarde. Het hof kan gelet op het voorgaande, in combinatie met de gevoelens van boosheid die hij op dat moment inmiddels jegens [medeverdachte 1] had, niet uitsluiten dat [medeverdachte 4] zijn wetenschap omtrent de gebeurtenissen heeft benut door een gedetailleerde verklaring af te leggen omtrent het schietincident, maar daarbij de namen van [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft omgewisseld.
Het hof heeft daarentegen geen reden te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover deze inhoudt dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten. Anders dan [medeverdachte 4] en [verdachte] , heeft [medeverdachte 1] ook in voormeld verband een consistente en deels verifieerbare verklaring afgelegd (het hof verwijst ook ten aanzien van dit onderdeel naar paragraaf 3.4), die wordt ondersteund door de forensische bevindingen. Verder is [verdachte] degene geweest die kort na het feit naar [medeverdachte 5] heeft gebeld en ge-sms’t, die op dat moment in de woning van [medeverdachte 2] verbleef. Direct daarna belde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 1] heeft zichzelf bovendien toetsbaar opgesteld, door de tas en jas die hij toen droeg aan de politie af te staan. Daarnaast is [medeverdachte 1] , toen hij nog niet wist dat er daadwerkelijk schotresten op zijn jas waren aangetroffen, bij de politie gevraagd hoe hij het zou kunnen verklaren áls er schotresten op de jas zouden zitten. Hij gaf aan dat die schotresten niet op zijn jas konden worden aangetroffen, maar mocht dit toch zo zijn, vroeg hij zich reeds toen af of deze schotresten door aanraking over te dragen zijn. Ten overstaan van de rechter-commissaris is [medeverdachte 1] over het aantreffen van de schotrestdeeltjes op zijn jas bevraagd en heeft hij hieromtrent verklaard dat deze schotrestdeeltjes op zijn jas terecht kunnen zijn gekomen doordat [verdachte] de jas in de auto met de handschoen heeft aangeraakt.
Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 1] , in combinatie met de forensische bevindingen en het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, twijfelt het hof ook ten aanzien van dit onderdeel niet aan de verklaring van [medeverdachte 1] . Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten.
6. De rollen van de afzonderlijke verdachten
[verdachte]
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten. Hij heeft [slachtoffer] met één schot omgebracht. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] , de getuigenverklaring van [echtgenote van slachtoffer] , de wijze waarop [slachtoffer] is aangetroffen (liggend op de grond bij de auto, met zijn hoofd richting de ingang van het erf), trekt het hof de conclusie dat [verdachte] [slachtoffer] onverhoeds en van achteren heeft benaderd en door het hoofd heeft geschoten. Het dossier biedt geen enkele ruimte voor een dodelijk schot als gevolg van een op de plaats delict uit de hand gelopen ruzie. Integendeel, uit de verklaring van [echtgenote van slachtoffer] volgt dat de schietpartij zich in geruisloze stilte en een mum van tijd nadat [slachtoffer] arriveerde en uit zijn auto stapte, heeft voltrokken. Uit deze wijze van uitvoering en de overige bewijsmiddelen leidt het hof af dat zonder meer sprake is geweest van opzettelijk handelen. Het hof merkt [verdachte] dan ook aan als feitelijk uitvoerder van het ten laste gelegde.
Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen.
[medeverdachte 1]
Het hof overweegt dat niet voldoende is komen vast te staan of [medeverdachte 1] op het moment van de schietpartij in of nabij de auto heeft gewacht, of dat hij samen met [verdachte] bij de woning van [slachtoffer] was en daar bijvoorbeeld heeft geholpen met het openhouden van de elektrische poort, zodat sprake zou zijn van een gezamenlijke uitvoering. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in de auto heeft gewacht en pas is uitgestapt en in de richting van de woning van [slachtoffer] is gelopen, toen hij de Lexus zag passeren. Deze verklaring vindt geen steun in de overige inhoud van het dossier. Wel kan uit de verklaring van de getuige [getuige 1] worden opgemaakt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ongeveer drie kwartier vóór het dodelijke schot samen bij de woning van [slachtoffer] zijn geweest en uit de verklaring van [getuige 5] kan worden opgemaakt dat zij ongeveer een halfuur voor het dodelijke schot (nogmaals) in de richting van de woning van [slachtoffer] zijn gelopen. Doch omstreeks het moment van het schietincident zijn er geen getuigen of andere gegevens die op dit punt duidelijkheid kunnen verschaffen. Het hof laat derhalve in het midden waar [medeverdachte 1] zich ten tijde van het schietincident exact heeft gepositioneerd en wat zijn exacte rol is geweest ten tijde van het schietincident. Wel moet deze rol – zo heeft [medeverdachte 1] zelf ook verklaard – minimaal hebben bestaan uit het in de gaten houden van de aankomst van de Lexus vanaf een locatie waar [medeverdachte 1] dit kon waarnemen en, wanneer hij de Lexus zag, in de richting van de woning van [slachtoffer] lopen. Dit was immers de auto waar zij naar uit moesten kijken, omdat het latere slachtoffer zich hierin bevond.
Het hof acht bewezen dat [medeverdachte 1] wetenschap had van wat [verdachte] bij de woning van [slachtoffer] ging doen. [medeverdachte 1] heeft zijn eigen rol geminimaliseerd en verklaard dat hij pas een dag later in het café kennis kreeg van wat er was gebeurd, maar het hof hecht op dat punt geen geloof aan de verklaring van [medeverdachte 1] .
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 1] het bewuste vuurwapen waarmee [verdachte] [slachtoffer] heeft doodgeschoten, vooraf in de woning van [medeverdachte 2] heeft gezien. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben in de woning een geluidsdemper op het vuurwapen geschroefd en [slachtoffer] is later door [verdachte] doodgeschoten met een vuurwapen met een geluidsdemper. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 2] in de woning aan [verdachte] vroeg ‘of het wapen goed was’.
Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 3] herhaaldelijk tegen [verdachte] heeft gezegd: ‘Maak het af’. Hij bleef volgens [medeverdachte 1] benadrukken ‘dat het die dag moest gebeuren’. Dergelijke uitlatingen kunnen naar het oordeel van het hof, zeker in het licht van het voorgaande, bezwaarlijk anders worden opgevat dan het aansporen om iemand om het leven te brengen.
Tot slot blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de (door [medeverdachte 1] geschetste) feitelijke gang van zaken op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 dat [medeverdachte 1] moet hebben geweten wat [verdachte] ging doen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat hij naar Nederland is gekomen voor een ‘klus’, dat [verdachte] en hij twee dagen samen op pad zijn geweest met maar één doel, dat zij in een auto in het bos hebben overnacht omdat [verdachte] niet terug wilde gaan voordat de klus was geklaard en dat zij de volgende dag in de avond weer terug naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan. Het hof acht het onaannemelijk dat [medeverdachte 1] dermate moeite in een ontmoeting met [slachtoffer] stak met slechts de bedoeling een onderhandeling tussen [verdachte] en [slachtoffer] te bewerkstelligen, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard. Wanneer het slechts om onderhandelingen zou gaan, had het veel meer voor de hand gelegen dat er al dan telefonisch een afspraak zou zijn gemaakt en dat [medeverdachte 2] zelf, die de Nederlandse taal machtig is, naar de woning van [slachtoffer] zou zijn gegaan. Bovendien is er voor een onderhandeling geen tweede persoon met een vluchtauto nodig.
Op grond van de in het vorengaande weergegeven, redengevend geachte feiten en omstandigheden, staat voor het hof vast dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] wist dat [verdachte] [slachtoffer] om het leven zou gaan brengen.
Het hof acht voorts bewezen dat [medeverdachte 1] zowel op 21 februari 2014 als op 22 februari 2014 samen met [verdachte] langs de woning van [slachtoffer] heeft gelopen. Het hof kent in dat kader in het bijzonder gewicht toe aan de verklaring van [getuige 1] . Zij heeft verklaard dat zij op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 omstreeks hetzelfde tijdstip dezelfde twee personen zich bij de [adres woning slachtoffer] (zijnde de woning van [slachtoffer] ) zag ophouden. De ene man was langer dan de andere man. De kortere man omschreef zij als ‘een mooie jongen’, met donkere ogen, zwart net geknipt haar, plat kort model kapsel. Voorts verklaarde zij dat de kortere man een laptoptas om zijn schouder droeg (bewijsmiddel 7). Op basis van de verklaring van [getuige 1] is een compositietekening gemaakt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de persoon op die compositietekening veel op hem leek en dat hij zichzelf erin herkende (bewijsmiddelen 13 en 14).
Ook [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 21 februari 2014 een langere en een kortere man uit de richting van de woning van [slachtoffer] zag komen lopen. De kortere man droeg een lange jas en een lichtbruine schoudertas om zijn schouder (bewijsmiddel 8). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij (als hij buiten was) altijd een lichtbruine tas over zijn schouder droeg en dat hij op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 een lange jas droeg (bewijsmiddel 14).
[getuige 1] heeft verder verklaard dat zij zag dat de langere man op 22 februari 2014 over de schutting van de woning van [slachtoffer] keek. [verdachte] heeft erkend dat hij dit heeft gedaan (bewijsmiddel 53).
De tijdstippen waarop [getuige 1] en [getuige 2] de twee personen zagen, vallen bovendien binnen de tijdsspanne of kort voor dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 21 februari 2014 en 22 februari 2014 bij de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] zijn geweest (bewijsmiddelen 13, 14, 34, 46 en 63).
Tot slot acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] zelf belang. Waar [medeverdachte 1] op de hiervoor besproken tot het bewijs gebezigde onderdelen van zijn verklaring telkens consistent en gedetailleerd heeft verklaard, heeft hij op dit punt juist wisselend verklaard. Hij heeft verklaard dat hij zowel op 21 februari 2014 als op 22 februari 2014 bij de [straatnaam woning slachtoffer] is geweest en dat hij verschillende rondjes heeft gelopen. Bij zijn eerste politieverhoren heeft hij echter verklaard dat hij geen rondje samen met [verdachte] over het chaletpark heeft gelopen. Ook toen hem werd voorgehouden dat getuigen in de avond van 21 en 22 februari 2014 twee personen samen over de [straatnaam woning slachtoffer] hebben zien lopen, bleef [medeverdachte 1] volhouden dat hij niet samen met [verdachte] op de [straatnaam woning slachtoffer] kan zijn gezien (dossierpagina’s 2069, 2100). Later verklaarde hij ten overstaan van de politie echter dat hij één rondje samen met [verdachte] heeft gelopen en dat hij niet wist of dit op 21 of 22 februari 2014 was (bewijsmiddel 18).
Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [getuige 1] en [getuige 2] , in onderlinge samenhang beschouwd, staat voor het hof echter genoegzaam vast dat [medeverdachte 1] op beide dagen een rondje met [verdachte] langs de woning heeft gelopen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene blijkt ten aanzien van de bijdrage van [medeverdachte 1] aan het delict het volgende:
-
[medeverdachte 1] is één dag vóór de dag dat de klus had moeten worden volbracht, samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] vanuit München naar Nederland gereisd, voor welke reis [medeverdachte 2] aan hem, [medeverdachte 1] , reisgeld heeft overgemaakt;
-
[medeverdachte 1] is samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in de woning van [medeverdachte 2] aanwezig geweest toen het vuurwapen tevoorschijn kwam, de geluidsdemper op het wapen werd geschroefd en [medeverdachte 2] aan [verdachte] vroeg of het wapen goed was;
-
Hij is vanaf 21 februari 2014 twee dagen lang met zijn auto samen met de schutter [verdachte] op pad geweest;
-
[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de avond van 21 februari 2014 samen een rondje over de [straatnaam woning slachtoffer] gemaakt en op [slachtoffer] gewacht;
-
Zij hebben onverrichter zaken in de auto overnacht, nabij de [straatnaam woning slachtoffer] ;
-
Zij zijn de volgende dag samen naar Renesse gegaan om de tijd vol te maken en zijn de avond van 22 februari 2014, nog steeds met de auto van [medeverdachte 1] , teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] ;
-
Zij hebben die avond nogmaals tenminste één keer gezamenlijk een rondje over de [straatnaam woning slachtoffer] gelopen, waarbij [verdachte] over de schutting van het erf van [slachtoffer] keek;
-
Zij hebben [slachtoffer] die avond gezamenlijk opgewacht, waarbij [medeverdachte 1] in de gaten hield wanneer zijn auto eraan kwam;
-
[medeverdachte 1] was ten tijde van de uitvoering van het schietincident in elk geval in de buurt van de plaats delict en derhalve niet ver verwijderd van de schutter [verdachte] ;
-
Direct na de aanslag op [slachtoffer] zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] met zijn auto gevlucht en bestuurde [medeverdachte 1] deze auto, waarbij [verdachte] hem aangaf hoe te rijden en [medeverdachte 1] deze aanwijzingen opvolgde;
-
[medeverdachte 1] is onderweg meerdere keren gestopt om [verdachte] zich te laten ontdoen van delictgerelateerde voorwerpen zoals kledingstukken, de geluidsdemper en later het vuurwapen;
-
[medeverdachte 1] was de volgende dag aanwezig bij de samenkomst met (onder meer) [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in café [café] , waar de beloning van de klus is uitgekeerd;
-
Ook [medeverdachte 1] heeft toen een geldbedrag voor zijn bijdrage ontvangen;
-
[medeverdachte 1] heeft tot slot geholpen bij het terugvinden van zijn auto die was weggetakeld en heeft het navigatiesysteem uit de auto gehaald en zijn auto laten schoonmaken.
Op grond van het bovenstaande samenstel van redengevend geachte feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de bijdrage van [medeverdachte 1] in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit niet enkel bestond uit het bevorderen en/of vergemakkelijken van het feit. Hij heeft geld overgemaakt gekregen en is speciaal voor deze klus naar Nederland gekomen, vervolgens heeft hij heeft twee dagen lang intensief met de schutter opgetrokken, hij heeft die dagen samen met hem te voet de plaats van de aanslag verkend, hij was aanwezig op verschillende belangrijke momenten, hij heeft zich niet teruggetrokken op daartoe geëigende tijdstippen, maar juist volhard in het volbrengen van de klus door in een auto te overnachten en een dag later met [verdachte] terug te keren, hij heeft de schutter aldus meermalen van en naar de plaats delict vervoerd, hij had tijdens de uitvoering van het delict in elk geval de taak om in de gaten te houden wanneer de auto van het latere slachtoffer arriveerde en hij had tot slot een rol bij de afhandeling van het delict die uit meer bestond dan het enkel faciliteren van de vlucht.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zowel in de voorbereiding als na afloop van het strafbare feit een belangrijke bijdrage aan het delict hebben gehad. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Er zijn (in elk geval) twee voorverkenningen geweest. [medeverdachte 3] is bij beide voorverkenningen nauw betrokken geweest. [medeverdachte 2] is bij de tweede voorverkenning samen met de latere schutter [verdachte] langs de woning van het latere slachtoffer [slachtoffer] gereden, zijnde de plaats van de aanslag. [medeverdachte 2] heeft bij die gelegenheid de woning van [slachtoffer] aan de schutter aangewezen.
[medeverdachte 2] heeft zorg gedragen voor de samenstelling van de groep. Op zijn wens zijn [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] naar Nederland gekomen (dossierpagina 2215) en hij heeft aan [verdachte] en later aan [medeverdachte 1] geld overgemaakt om de reis naar Nederland te maken. Verder heeft hij deze groep personen in het weekend dat [medeverdachte 1] werd gedood, onderdak verschaft door zijn woning aan hen ter beschikking te stellen. Zij kwamen daar samen en op enig moment is het wapen daar tevoorschijn gekomen. [medeverdachte 2] was daarbij aanwezig, heeft het wapen ter hand genomen en aan de schutter gevraagd of het wapen goed was.
[medeverdachte 3] is degene die er meermalen bij [verdachte] op heeft aangedrongen dat het op 21 februari 2014 moest gebeuren/moest worden afgemaakt. Daarmee heeft hij de dag van de schietpartij bepaald en begrensd. Hoe groot de invloed van [medeverdachte 3] en ook [medeverdachte 2] was, blijkt wel uit de omstandigheid dat [verdachte] niet terug wilde naar de woning van [medeverdachte 2] op vrijdagavond 21 februari 2014 en zaterdagochtend 22 februari 2014, omdat hij dacht dat zij boos zouden zijn dat het niet was afgewerkt.
[medeverdachte 2] heeft [verdachte] zijn navigatiesysteem en een briefje met adresgegevens overhandigd. Dit betroffen de adressen van de manege nabij de woning van het latere slachtoffer en adressen waar [verdachte] en [medeverdachte 1] en na de schietpartij naartoe moesten. Volgens [verdachte] zijn [medeverdachte 1] en hij op verzoek van [medeverdachte 2] naar de woning gegaan.
Op de avond ‘dat het moest gebeuren’ (21 februari 2014) waren [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] allen in Antwerpen.
[verdachte] heeft op 22 februari 2014 kort na het fatale schot [medeverdachte 5] – die op dat moment in de woning van [medeverdachte 2] was – gebeld en hem een sms-bericht gestuurd. Direct na het sms-bericht belde [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] . Het kan, in onderling tijdsverband bezien, niet anders dan dat [medeverdachte 2] op dat moment [medeverdachte 3] ervan op de hoogte stelde dat het was gelukt.
[medeverdachte 2] is een dag later met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar café [café] te Antwerpen gereden, alwaar zij [medeverdachte 1] en [verdachte] (de schutter) hebben ontmoet. Zij hebben daar allen gewacht op [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hadden op 23 februari 2014 veelvuldig contact met elkaar (dossierpagina 5705). Later die dag arriveerde [medeverdachte 3] in café [café] te Antwerpen en heeft hij zorg gedragen voor de aanwezigheid van een beloning voor de klus. Hij heeft deze beloning gebracht en (een deel van) de beloning is door [medeverdachte 1] en [verdachte] in ontvangst genomen. [medeverdachte 2] was daarbij aanwezig.
Ten slotte waren [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] betrokken bij het terugvinden en schoonmaken van de auto die bij het feit was gebruikt. Ook werd het navigatiesysteem van [medeverdachte 2] uit de auto verwijderd. [medeverdachte 3] heeft een fles schoonmaakmiddel en een doek aan [verdachte] gegeven om de auto schoon te maken en [medeverdachte 2] verbood [medeverdachte 1] om de auto mee te nemen en gaf hem hiervoor een geldbedrag.
Dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een belangrijke sturende, organiserende en coördinerende rol hebben gespeeld, wordt voorts bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij achteraf heeft gehoord dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de schutter [verdachte] hadden ‘gecoacht’ en hadden voorbereid op het feit en dat zij hoger in hiërarchie stonden dan [verdachte] . Verder heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij de indruk had dat [medeverdachte 2] de ‘overdragende’ of ‘uitvoerende’ voor [medeverdachte 3] was.
[medeverdachte 3] heeft bijna het hele onderzoek gezwegen. Hij heeft geen enkele uitleg gegeven voor de belastende omstandigheden, niet voor de veelvuldige onderlinge contacten, waaronder het contact op 22 februari 2014 even na 21.00 uur en evenmin voor zijn aanwezigheid en gedragingen in Antwerpen op 21 februari 2014 en 22 februari 2014, zijn intensieve contacten met [medeverdachte 2] op 23 februari 2014, zijn aanwezigheid in café [café] met medebrenging van de beloning en zijn rol in het traceren van de weggetakelde auto van [medeverdachte 1] . Dit, terwijl de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof zodanig zijn dat een verklaring in de rede had gelegen. Eerst bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte 3] ten dele verklaard. Hij ontkende iets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben en schilderde [medeverdachte 1] af als pathologisch leugenaar. Hij heeft echter op geen enkel moment concreet benoemd wat er specifiek aan de verklaringen van [medeverdachte 1] zou zijn gelogen. De verklaring is derhalve niet concreet en bovendien in een zodanig laat stadium afgelegd, dat het hof deze verklaring terzijde schuift. Voor het overige heeft [medeverdachte 3] geen (concrete) verklaring afgelegd ten aanzien van het belastende bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt. Hij heeft ten aanzien daarvan slechts een kale ontkennende verklaring afgelegd of dit gekwalificeerd als ‘onzin’, zonder enige onderbouwing.
Ook [medeverdachte 2] heeft veelal gezwegen of slechts een niet concrete en niet volledige verklaring gegeven ten aanzien van het belastende bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt. Ook heeft hij wisselend verklaard. Hij heeft geen (concrete) verklaringen gegeven met betrekking tot de voorverkenning op 12 februari 2014, het aanwijzen van de woning van [slachtoffer] aan [verdachte] , de aanwezigheid van de verdachten in zijn woning, het overhandigde ‘briefje’ met adressen aan [verdachte] , zijn aanwezigheid in het café in Antwerpen op 23 februari 2014 en de beloningen die daar zijn uitgekeerd.
Conclusie ten aanzien van medeplegen
Het hof stelt voorop dat ten aanzien van medeplegen het volgende toetsingskader geldt. In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
In zijn arrest van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, rov. 3.2.3. heeft de Hoge Raad daarbij opgemerkt dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd (vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht (vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Op grond van vorenstaande en de wijze waarop het delict is uitgevoerd, is het hof van oordeel dat alle verdachten het gezamenlijke plan hadden om [slachtoffer] van het leven te beroven. Zij hebben in het bewuste weekend van 21 februari 2014 tot en met 23 februari 2014, alsmede in de periode daaraan voorafgaand, intensief (telefonisch) contact met elkaar gehad. Er was sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij ieder een eigen rol had (in de voorbereiding, uitvoering en/of afhandeling van het delict).
Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden en de vastgestelde bijdragen van de verdachten, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat de bijdragen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of na het strafbare feit van voldoende gewicht waren en welke hun geringe rol dan wel het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict, voldoende compenseert. Derhalve is het hof van oordeel dat ten aanzien van het ten laste gelegde sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Dat slechts één persoon de daadwerkelijke uitvoeringshandeling heeft gepleegd (het overhalen van de trekker) maakt het voorgaande, gelet op de aard van het feit en de intensieve samenwerking met een duidelijke taakverdeling, niet anders.
7. Voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' volgens bestendige jurisprudentie moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 en meer recent HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2058 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2907).
Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en/of tijdens en/of na het begaan van het feit oordeelt het hof dat de verdachte voldoende de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om [slachtoffer] van het leven te beroven en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij acht het hof voorts op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De verdachte heeft blijkens de voorliggende feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en/of tijdens en/of na het begaan van het feit, niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Uit de wijze waarop het delict is uitgevoerd en de overige bewijsmiddelen, leidt het hof immers af dat het delict intensief is voorbereid. Geruime tijd voor het doden van [slachtoffer] is de situatie bij de woning van [slachtoffer] verkend en zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] benaderd en naar Nederland gekomen. Aan de latere schutter, [verdachte] , is voorafgaand aan het fatale schot door [medeverdachte 3] verteld wanneer hij het moest afmaken en is hem door [medeverdachte 2] een navigatiesysteem en een briefje met het adres van de manege verstrekt. Op vrijdag 21 februari 2014 zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] al bij de woning van [slachtoffer] in [plaats 5] geweest met de bedoeling om [slachtoffer] te doden. Die avond waren onder meer [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] al in Antwerpen. Toen het doden van [slachtoffer] die avond niet was gelukt, zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] de volgende dag teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] om het voorgenomen plan te voltooien. Zij hebben [slachtoffer] daar opgewacht en uiteindelijk doodgeschoten. De daaropvolgende dag zijn zij allen bijeengekomen in Antwerpen en is er een beloning voor de klus uitgekeerd.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten hebben gehandeld met voorbedachte raad.
Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer] .
8. Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft, indien het hof vaststelt dat er op het moment van het schieten twee personen bij het huis van [slachtoffer] aanwezig zijn geweest, althans bij het hek hebben gestaan waarvan één persoon om het hek open te houden, voorwaardelijk verzocht om onderzoek naar het (elektronische) hek te laten verrichten.
Nu het hof niet kan vaststellen of één persoon het (elektronische) hek heeft opengehouden en overigens in het midden laat of zich ten tijde van het schietincident twee personen bij de woning van [slachtoffer] hebben begeven, is aan de door de raadsman geformuleerde voorwaarde van het verzoek niet voldaan. Het hof hoeft derhalve geen beslissing te nemen op dit verzoek.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van moord.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de moord op [slachtoffer] . [slachtoffer] is opgewacht bij zijn woning en toen hij nietsvermoedend op de oprit uit zijn auto was gestapt en bij zijn kofferbak stond, van achteren benaderd en door het hoofd geschoten. Hij had geen schijn van kans.
De verdachte heeft de moord uitgevoerd door het fatale schot te lossen.
Moord behoort tot de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. De wetgever heeft voor moord dan ook als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld.
Aan de nabestaanden van het slachtoffer is groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dit blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 2 maart 2015 van de echtgenote van [slachtoffer] , [echtgenote van slachtoffer] , en uit hetgeen zij ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2018 naar voren heeft gebracht. Zij was op het moment van de moord thuis in de woning en heeft [slachtoffer] kort nadat hij was beschoten zwaargewond en zwaar ademend op de oprit aangetroffen. Voor haar moet dit zeer schokkend zijn geweest. Het slachtoffer [slachtoffer] was bovendien vader van een jonge dochter en zijn echtgenote was ten tijde van de moord zwanger van [slachtoffer] . Zijn tweede kind zal zijn vader nooit in persoon leren kennen. Ook voor de buurtbewoners op het chaletpark waar [slachtoffer] woonde, moet de moord een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest. Een moord is bovendien schokkend voor de samenleving als geheel en draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid.
De aard en de ernst van de moord maken reeds uit het oogpunt van vergelding dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van lange duur.
Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf heeft het hof in strafverzwarende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat de moord de kenmerken heeft van een koelbloedige liquidatie. Er is sprake van een zogenaamde huurmoord die goed was voorbereid. Uit het onderzoek komt voorts naar voren dat geen van de verdachten het slachtoffer kende. Het kennelijk gemak waarmee de verdachte bereid is geweest om over andermans leven te beschikken, getuigt naar het oordeel van het hof van gewetenloosheid.
Het hof weegt verder mee dat de verdachte ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft in het begin voornamelijk gezwegen of onjuist verklaard. In hoger beroep heeft hij weliswaar een inhoudelijke verklaring afgelegd waarbij hij een aantal zaken wel heeft erkend, maar hij bleef zijn eigen rol ontkennen en schoof de schuld in de schoenen van [medeverdachte 1] door hem aan te wijzen als schutter. Door deze (ontkennende) proceshouding heeft hij een gebrek aan inzicht in de strafwaardigheid en het verwerpelijke van zijn handelen tentoongespreid. Hij heeft op geen enkel moment berouw getoond over zijn eigen handelen.
Het hof is van oordeel dat uit het oogpunt van generale preventie een liquidatie als de onderhavige streng dient te worden bestraft. Het hof beoogt met de wijze waarop deze zaak wordt afgedaan onder meer duidelijk te maken dat op dit soort ernstige feiten een stevige reactie van de strafrechter volgt, teneinde eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn is overschreden.
Ten aanzien van de berechting in eerste aanleg overweegt het hof als volgt.
De verdachte is op 7 oktober 2014 in verzekering gesteld. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft daarom als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na deze datum. De rechtbank heeft op 26 juli 2016 vonnis gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met bijna 6 maanden overschreden.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof als volgt. De verdachte verkeerde in verband met deze zaak in voorlopige hechtenis. De verdachte heeft op 27 juli 2016 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 4 mei 2020 – en derhalve niet binnen 16 maanden na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 2 jaren en 3 maanden overschreden.
Het hof heeft bij de beoordeling van de redelijkheid van de duur van de zaak echter ook gelet op de ingewikkeldheid van de zaak. In eerste aanleg en in hoger beroep is – deels op verzoek van de verdediging – veel en omvangrijk onderzoek verricht. Zo is er bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris een groot aantal getuigen gehoord, ook in het buitenland. Dat dit onderzoek veel tijd in beslag heeft genomen is naar het oordeel van het hof zonder meer begrijpelijk.
Voorts houdt het hof rekening met de invloed van de verdediging op het procesverloop. Reeds op 1 juni 2018 heeft de zaak voor de eerste keer inhoudelijk gediend. Omdat medeverdachte [medeverdachte 1] vlak daarvoor van raadsman was gewisseld, moest die zaak worden aangehouden. Omdat tussen alle strafzaken een wezenlijke samenhang bestaat en deze om die reden gelijktijdig worden berecht, zijn alle zaken toen aangehouden. Op 30 november 2018 en 3 december 2018 heeft de zaak voor de tweede keer inhoudelijk op zitting gestaan. De zaken zijn toen op verzoek van de raadsman van [medeverdachte 2] wederom aangehouden.
Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn in totaliteit in aanzienlijk mate is overschreden en dat deze overschrijding niet geheel voor rekening van de verdachte dient te komen, maar deze vaststelling dient naar het oordeel van het hof wel te worden gerelativeerd tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden.
Het hof zal vanwege deze overschrijding de straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren, met aftrek van voorarrest.
Vordering van de benadeelde partij [echtgenote van slachtoffer]
De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van – naar het hof begrijpt – € 1.039.290,00 (bestaande uit € 439.290,- aan materiële schade en € 600.000,- aan immateriële schade).
De vordering is – voor zover betrekking hebbend op de materiële schade – als volgt opgebouwd:
-
Gederfde inkomsten € 432.000,-;
-
Kosten psycholoog € 290,-;
-
Begrafeniskosten € 7.000,-.
Deze laatste post bestaat uit, zo blijkt uit de onderbouwing, advocaatkosten, een diner op 12 maart 2014 na de begrafenis in Litouwen, vliegtickets, cement, kosten inrichting van het graf in Litouwen, begrafenis in Litouwen en kosten van een grafzerk en grind, hotelkosten in Nederland in verband met de crematie alhier en de kosten van de uitvaart in Nederland.
De vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.947,34, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Het hof merkt op dat, voor zover de benadeelde partij schadeposten heeft onderbouwd met facturen waarin het geldbedrag in Litouwse Litas is genoemd en geen gegevens beschikbaar zijn van het geldbedrag in euro’s, het hof de bedragen heeft omgerekend en daarbij de wisselkoers heeft aangehouden die op dat moment gold, conform de historische wisselkoersen van de Europese Centrale Bank.
Het hof overweegt dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand ad € 1.000,-, welke kosten verband houden met de strafprocedure, niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv kunnen worden aangemerkt, maar dienen te worden aangemerkt als proceskosten in de zin van artikel 592a Sv.
Materiële schade
Ten aanzien van de gevorderde begrafenis overweegt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (omgerekend) € 5.388,75,-, bestaande uit de volgende schadeposten:
-
cement ad € 4,34;
-
inrichten van het graf ad € 503,90;
-
opbaren en begraven ad € 507,96;
-
het graf ad € 1.816,95;
-
grind ad € 55,60;
-
Zuylen uitvaartverzorging ad € 2.500,-.
Op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv juncto artikel 6:108, tweede lid, BW komen genoemde kosten als “kosten van lijkbezorging” voor vergoeding in aanmerking, zodat de (toereikend onderbouwde) vordering in zoverre wordt toegewezen. De genoemde posten betreffen naar het oordeel van het hof in redelijkheid gemaakte kosten. Het hof zal de gevorderde begrafeniskosten dan ook toewijzen, met uitzondering van de kosten van het diner op 12 maart 2014, de kosten van de vliegtickets en de hotelkosten.
Met betrekking tot de kosten sten betreffende psychologische behandelingen van mevrouw [benadeelde partij] en haar dochter ad € 290,- is het hof van oordeel dat dit geen schade betreft die rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering met betrekking tot deze post.
Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vordering ter zake van inkomstenderving ad € 432.000,- een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De betreffende schade is niet eenvoudig vast te stellen en behoeft een nadere onderbouwing. Het hof is van oordeel dat op basis van de voorhanden zijnde stukken niet eenduidig kan worden vastgesteld wat de financiële situatie en het gezinsinkomen voor de dood van [slachtoffer] is geweest. De enkele mededeling van de benadeelde partij dat het slachtoffer [slachtoffer] kostwinner was en maandelijks ‘ongeveer’ een inkomen van € 2.000,- had, is daartoe onvoldoende. Met het inwinnen van nieuwe informatie zou de behandeling van dit gedeelte van de vordering (opnieuw) een aanzienlijke vertraging oplopen. Dit zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in de vordering niet worden ontvangen en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft ter zake van de gevorderde immateriële schade aangevoerd dat zij in een shocktoestand is geraakt toen zij haar echtgenoot zwaar ademend op de oprit aantrof. Verder voerde zij aan dat zij en haar kinderen een zeer dierbaar persoon zijn verloren, dat zij een geestelijk trauma hebben opgelopen en dat zij, [benadeelde partij] , door de dood van haar echtgenoot alleen voor de zorg van hun twee kinderen is komen te staan.
Voor zover de vordering tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade ziet op affectieschade, overweegt het hof dat de vordering volgens de wet niet voor schadevergoeding in aanmerking komt. Blijkens de per 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018, Stb. 2018, 132 (Wet vergoeding affectieschade) kan een dergelijke vergoeding in aanmerking komen. Artikel 51f, tweede lid, Sv is gewijzigd in die zin dat deze naasten zich in het strafproces kunnen voegen met de hier aan de orde zijnde vordering tot vergoeding van ‘affectieschade’. Echter, ingevolge het overgangsrecht als bepaald in artikel 68 en 69 Overgangswet nieuw BW heeft deze verruiming slechts gevolgen ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019.
Voor zover de vordering tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade ziet op shockschade, overweegt het hof als volgt.
Het hof acht alleszins voorstelbaar en begrijpelijk dat [echtgenote van slachtoffer] ernstig is aangedaan door de aanblik van haar neergeschoten echtgenoot, die met een ernstige hoofdwond op de grond lag en later in het ziekenhuis is overleden. Toekenning van een vergoeding ter zake van shockschade is ingevolge artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek echter alleen mogelijk indien het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Het dossier bevat hieromtrent geen concrete objectieve informatie die erop duidt dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De enkele omstandigheid dat de benadeelde partij haar neergeschoten echtgenoot zwaar ademend op de grond aantrof en zij daardoor in de door haar benoemde een shocktoestand verkeerde, is daartoe op zichzelf – hoe wrang ook – onvoldoende. Ook overigens is de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou dus nader onderzoek noodzakelijk zijn. Daardoor zou de behandeling van dit gedeelte van de vordering (opnieuw) een aanzienlijke vertraging en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade en kan (dit onderdeel van) de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling
Voor wat betreft de gevorderde kosten ter zake van rechtsbijstand merkt het hof het volgende op.
Het hof zoekt voor de rechtsgang in eerste aanleg aansluiting bij het “liquidatietarief” kantonzaken. Gelet op het verschil tussen het gevorderde en het door het hof toegewezen bedrag, ziet het hof aanleiding om als hoofdsom bij de berekening van de proceskosten uit te gaan van het toegewezen bedrag. Bij een toegewezen bedrag tussen de € 5.000,- en € 10.000,- wordt in de regel € 300,- per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband één punt toe voor het indienen van de vordering. Het hof zal de gevorderde advocaatkosten toewijzen tot het bedrag van € 300,-.
Verder heeft de benadeelde partij per e-mailbericht d.d. 5 juni 2018 aangegeven dat zij kosten heeft gemaakt om de terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 juni 2018 bij te wonen. Dit betreffen kosten van het hotel ad € 157,48 en vliegtuigkosten ad € 197,48. Deze kosten dienen naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als door de benadeelde partij gemaakte proceskosten. De benadeelde partij heeft hierdoor tijdens de procedure in hoger beroep een bedrag van € 345,58 aan proceskosten gemaakt. Het hof veroordeelt verdachte in die proceskosten.
Het hof zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die tot een hogere vergoeding nopen. De proceskosten, die ten laste van de verdachte zullen worden gebracht, worden daarom tot op heden begroot op € 645,58.
Hoofdelijkheid
Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 5.388,75. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De raadsman heeft verzocht om de mogelijkheid tot gijzeling in het kader van een schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten, omdat de verdachte niet in staat zal zijn de betalingsverplichting te voldoen. Het hof kan bij gebrek aan informatie over zijn financiële situatie niet vaststellen dat hij in het geheel niet beschikt over enig vermogen, en voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de verdachte thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Daarbij betrekt het hof nog de hoogte van het bedrag en de omstandigheid dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk wordt opgelegd.
Het hof zal derhalve bepalen dat bij de schadevergoedingsmaatregel gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 (negentien) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.388,75 (vijfduizend driehonderdachtentachtig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 645,58 (zeshonderdvijfenveertig euro en achtenvijftig cent);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.388,75 (vijfduizend driehonderdachtentachtig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen.
toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 4 mei 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
BIJLAGE
Parketnummer: 20-002456-16
Datum uitspraak: 4 mei 2020
Aanvulling bewijsmiddelen
Arrest inzake:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] (Joegoslavië) op [geboortedatum 1] 1983 ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel.
Aangevuld door het gerechtshof op 4 mei 2020
en ondertekend op die datum door mr. A.M.G. Smit.Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het onderzoek TGO Hainichen, zaak A, van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, proces-verbaalnummer 2014038067, doorgenummerde dossierpagina’s 1-9436, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Feit 1
Eerste bevindingen en verklaringen na het schietincident
1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2014, dossierpagina’s 4946-4947, betreffende een relaas van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 4946)
Op 22 februari 2014 omstreeks 21.06 uur heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Op 22 februari 2014 omstreeks 21.15 uur was ik belast met de uitvoering van de districtelijke noodhulp van het district De Markiezaten. Ik deed dit samen met collega Linders. Op dat moment kregen wij van de politiemeldkamer te Tilburg de opdracht te gaan naar de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] voor een reanimatie.
Toen wij ter plaatse kwamen zag ik dat er reeds een ambulance aanwezig was. Tevens zag ik dat er ook een andere politie-eenheid ter plaatse was, gevormd door collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Ik zag dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en het personeel van de ambulance doende waren bij een man die op de grond lag van een oprit van een woning. Het betrof een woning, gelegen aan een smalle weg op het vakantiepark de [straatnaam woning slachtoffer] . De voorzijde van de woning was bestraat en ik zag dat daar een grijze personenauto van het merk BMW stond. Vanaf de weg gezien stond naast de woning een zwarte Lexus geparkeerd met een kenteken uit Litouwen. Ik zag dat voor deze auto een man op de grond lag. Deze man lag ongeveer twee meter van deze auto vandaan. Hij lag met zijn hoofd in de richting van de ingang van het erf en met zijn voeten naar de auto. Ik zag dat de man op zijn rug lag. Ik zag dat er naast de man een grote plas bloed op de grond lag. Tevens zag ik dat de man gewond was aan de rechterzijde van zijn hoofd. Ik zag dat de wond van zijn hoofd betrekkelijk klein was en dat er uit die wond niet alleen bloed, maar ook een andere substantie kwam.
Ik heb in ieder geval drie vrouwen in de woning gezien, van wie één vrouw was gekleed in een roze badjas. Ik heb naderhand gehoord dat dit de vrouw was van de man die op de grond lag.
(dossierpagina 4947)
De man had aan de zijkant van zijn hoofd, boven zijn slaap, een wond. Inmiddels was er een arts van het traumateam ter plaatse gekomen. Ik hoorde haar zeggen dat wij er ernstig rekening mee moesten houden dat de verwonding een schotwond zou kunnen zijn.
Ik heb geholpen de man in de ambulance te leggen. Ik zag dat een medewerker van de GGD aan de zijkant van de Lexus stond. Ik hoorde deze man op een zeker moment zeggen dat er iets op het dak van de auto lag. Ik heb vervolgens gekeken en ik zag dat er een patroonhuls op het dak van de auto lag.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2014, dossierpagina’s 4948-4949, betreffende een relaas van verbalisant [verbalisant 4] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 4948)
Op 22 februari 2014 omstreeks 21.15 uur kregen wij een melding van het GMK om te gaan naar de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] . Wij hoorden dat hier een persoon onwel was geworden en dat wij ter plaatse moesten gaan voor een reanimatie. Enkele minuten na het uitgeven van de melding kwamen wij ter plaatse op het vakantiepark de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] . Ik zag dat er twee ambulancebroeders op de oprit van nummer 57 over een persoon gebogen zaten. Ik zag dat de man een wond aan de rechterzijde van zijn hoofd had, ongeveer vijf centimeter boven zijn rechteroor. Ik zag dat de man niet bij bewustzijn was.
Ik zag dat er een vrouw in de deuropening van de woning stond. Ik heb aan haar het identiteitsbewijs van de man gevraagd. Zij toonde mij vervolgens een Litouws paspoort van het slachtoffer, welke bleek te zijn [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 3] . Ik heb aan de vrouw haar paspoort gevraagd. Zij bleek te zijn [echtgenote van slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 4] , echtgenote van [slachtoffer] .
3. Een rapport d.d. 28 februari 2014 van het NFI, betreffende ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, opgemaakt door A. Maes, NFI-deskundige forensische pathologie, bijlage 10.1, pagina’s 126-130, van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 128)
Overledene
[slachtoffer] is overleden te Universitair Ziekenhuis Antwerpen op 23 februari 2014 omstreeks 04.30 uur.
Vraagstelling
In opdracht van de rechter-commissaris in Breda werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.
Resultaten
Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:
Er was rechts in de behaarde hoofdhuid op 179 centimeter van de voetzolen en 11 centimeter rechts van het midden een ronde huidperforatie met een diameter van 1,2 centimeter.
(pagina 129)
Daaromheen in de huid een zwarte rand met een diameter van circa 2,5 centimeter. Uit de verwonding liep bloed en hersenweefsel. Er was aan de strekzijde van de rechteronderarm een onderhuidse bloeduitstorting van circa 8 x 9 centimeter. Er was links op de rug een oppervlakkige ronde huidontvelling van 1,5 centimeter doorsnee.
In relatie met het letsel was er aan het gestrekte lichaam een schotkanaal te herleiden dwars door het hoofd van rechts naar links en iets voetwaarts. Er was een schotkanaal door de grote hersenen van rechts naar links met fragmentatie/kneuzing van hersenweefsel en veel gerelateerde bloeding in en rondom het schotkanaal. Er was een gedeformeerde geelmetalen volmantel kogel links naast de middenhersenen. Deze kogel werd aan de politie overhandigd.
Interpretatie van de resultaten
Bij sectie werd een inschotverwonding rechts aan het behaarde hoofd gezien meteen schotkanaal van rechts naar links door de grote hersenen. Er was een projectiel in de hersenen. Er was veel begeleidende bloeduitstorting in en naast het
schotkanaal met ernstige hersenkneuzing en hersenzwelling. Het overlijden wordt door functieverlies van de hersenen zondermeer verklaard.
(pagina 130)
Conclusie
[slachtoffer] , 37 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van een bij leven opgelopen schotverwonding door het hoofd.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 februari 2014, dossierpagina’s 5053-5067, betreffende de verklaring van [echtgenote van slachtoffer] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5054)
V: Op welk adres staat u officieel ingeschreven?
A: [adres woning slachtoffer] in [plaats 5] .
V: Wie staan daar nog meer ingeschreven?
A: Mijn partner [slachtoffer] en [dochter] .
V: Wie is de vader van [dochter] ?
A: [slachtoffer] , mijn man. Ik ben officieel getrouwd in Litouwen.
(dossierpagina 5059)
V: Hoe zag uw zaterdagochtend eruit?
A: [slachtoffer] was met de Lexus vertrokken.
(dossierpagina 5060)
V: (…)
A: [slachtoffer] was thuis gekomen tegen ongeveer negen uur.
V: Hoe wist u dat hij thuiskwam?
A: Je zit bij ons in een hoekje van de woonkamer. Daar zijn grote ramen waar doorheen je mensen ziet lopen als ze op de oprit lopen of de oprit op rijden. Ik zat op de bank en ik zag dat hij binnenreed. De bank is tegenover grote vitrineramen, naast de voordeur, en dan kun je alles zien. De auto werd geparkeerd voor de voordeur.
V: Hoe was het met de autoverlichting?
A: De verlichting was aan. Hij heeft de auto uitgezet en alles was normaal.
V: Ik ga even terug naar de elektrisch bedienbare poort.
A: Overal is de binnentuin middels een hek afgesloten.
(dossierpagina 5061)
V: En hoe was hij thuisgekomen?
A: De poort gaat met een afstandsbediening open. Hij heeft met de afstandsbediening de poort geopend en is de poort binnengereden en uitgestapt. Ik bleef op de bank zitten. Ik dacht hij komt over een seconde binnen. Ik ben niet de deur uit gelopen. En daarna hoorde ik: (verbalisant: getuige hijgt alsof ze niet op adem kan komen) en daarna rende ik naar buiten toe om te kijken. Dan zie ik dat hij daar ligt. De kofferbak stond open.
V: Wat is het eerste wat je ziet of hoort dat je weet dat [slachtoffer] thuiskomt?
A: De poort ging open. Dat hoor je, want het is luidruchtig. Ik zag de lichten van de auto over mijn gezicht schijnen. Dat was rond negen uur.
V: En toen?
A: De auto was gestopt en ik zag dat de koplampen uitgingen en hoorde dat de motor werd uitgezet en hoorde dat hij uitstapte.
(dossierpagina 5062)
V: Hoe wist je dat hij was uitgestapt?
A: Ik hoorde dat het portier openging en daarna werd gesloten. Ik had voor mezelf vastgesteld dat hij was binnengekomen op de oprit maar heb mijn ogen niet gericht naar buiten. Ik hoorde voetstappen en ik vermoedde daarom dat hij nog iets uit de auto moest halen want anders was hij al lang binnen geweest.
V: En toen?
A: Ja dat zwaar ademen.
V: Wanneer hoorde u dat?
A: Meteen, één of twee seconden nadat ik die voetstappen hoorde.
V: En toen?
A: Toen ik die zware ademhaling hoorde, ben ik naar buiten gerend. Ik kwam buiten en zag hem liggen. Zijn ogen waren een beetje open en zijn ademhaling zo zwaar. Ik heb hem de vraag gesteld: ‘ [slachtoffer] , [slachtoffer] , wat is er gebeurd?’ Hij reageerde daar niet op, toen merkte ik dat er overal bloed was.
5. Een proces-verbaal onderzoek plaats delict, bijlage 2.1, pagina’s 15-19 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina’s 16-17)
[straatnaam woning slachtoffer] betreft een voormalig vakantiepark buiten de bebouwde kom van de gemeente [plaats 5] . Het park is gelegen in het bosgebied genaamd: Straartsche Duinen. Het park heeft één centrale openbare toegangsweg, genaamd [straatnaam woning slachtoffer] , welke zich na ongeveer 100 meter splitst in twee rondes door het park. Perceel 57 betreft het derde perceel links van die splitsing.
Tussen de doorgaande weg en het perceel [adres woning slachtoffer] is links voor het perceel een grasstrook en rechts een met betonklinkers betegelde oprit, die doorloopt op het perceel. Perceel [adres woning slachtoffer] betreft een rechthoekig omheind perceel met op de linker achterhoek een vrijstaande woning. Het deel rechts van de woning, nagenoeg de helft van het perceel, is betegeld met betonklinkers. De omheining bestaat uit houten hekken tussen betonpalen en heeft een hoogte van 1.80 meter. Aan de voorzijde is de rechterhelft van het hek een elektronisch bedienbaar schuifhek. Het overige deel van het perceel is omgeven door een houten omheining. Linksvoor op het perceel, tussen de omheining en de woning, is een grasveld. Aan de binnenzijde van het hek, aan de zijkanten van het schuifhek, zitten sensoren, zogenaamde veiligheids-fotocellen. Deze zorgen ervoor dat het hek niet sluit als er zich iets tussen bevindt.
Op het midden van het betegelde deel stond een personenauto, merk Lexus. Op het midden van het dak van deze auto lag een huls.
De huls op het dak van de auto betrof een huls, merk S&B kaliber 9 mm. De huls werd veiliggesteld voor eventueel nader onderzoek en voorzien van SIN AAGX7653NL.
6. Een rapport d.d. 26 juni 2014 van het NFI, betreffende ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats 5] op 22 februari 2014’, opgemaakt door ing. R. Hermsen, NFI-deskundige wapens en munitie, bijlage 10.3, pagina’s 142-143 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 142)
SIN
AAGX7653NL Munitie (huls), aangetroffen op het dak personenauto op oprit.
AAGZ2859NL Munitie (kogel), bij sectie veiliggesteld.
Resultaat/conclusie
De huls, kaliber 9 mm Browning Kort van het merk Sellier & Bellot, en de kogel,
passend bij kaliber 9 mm Browning Kort en het merk Sellier & Bellot, bezitten
beide individuele sporen in de vorm van kraslijnen en oneffenheden die geschikt
zijn voor vergelijkend huls- en kogel onderzoek.
Deze huls is vermoedelijk verschoten met een semiautomatisch werkend pistool
van het merk Beretta, model 1934 in het kaliber 9 mm Browning Kort. De
systeemsporen in de kogel passen onder andere bij pistolen van het merk Beretta.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. zondag 23 februari 2014, dossierpagina’s 4978-4985, betreffende de verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 4981)
V: (…)
A: Ik ging op vrijdagavond om 20.00 uur wandelen. Ik weet dat omdat mijn man naar het achtuurjournaal ging kijken. Ik ga dan altijd wandelen.
V: En toen?
A: Die donderdagavond (het hof begrijpt: vrijdagavond 21 februari 2014) kwam ik bij mijn tweede rondje ter hoogte van het begin van de poort van nummer 57 twee mannen tegen. De mannen kwamen mij tegemoet lopen. Ik keek naar die mannen. Ik zag dat de ene man groter was dan de andere. Ik zag dat de kleine man een tas schuin over zijn schouder droeg. Het leek mij een laptoptas. Die kleine man heb ik aangekeken. Ik zag dat hij donker haar had en bruine ogen. Hij had een Europees uiterlijk. Die grote man deed terwijl ik keek zijn capuchon over zijn hoofd en hield zijn handen dicht bij zijn gezicht. Ze liepen voorbij. Ik ben mijn rondje verder gaan lopen.
(dossierpagina 4982)
V: Wat kunt u over zaterdag vertellen?
A: Ik vertrok weer om 20.00 uur. Ik had het grote rondje gelopen en kwam net langs huisje 57. Ik zag op dezelfde plek als vrijdag die twee mannen lopen. Ik ben ze toen voorbij gelopen. Ik ben op de hoek van de straat gaan kijken waar die mannen naartoe gingen. Ik ben in de bosjes gaan staan zodat ze mij niet konden zien. Ik zag dat de mannen stil bleven staan bij de poort van huisje 57. Ik zag dat de kleine man midden op de weg bleef staan en dat de grote man naar de schutting links van de poort liep. Ik zag dat de grote man tegen de schutting ging staan en op zijn tenen ging staan om zo over de schutting te kunnen kijken bij 57. Ik ben toen verder gelopen.
V: En toen?
A: Ik heb mijn kleine rondje afgemaakt. Ik kwam de straat in lopen waar mijn huis staat. Daar zag ik die twee mannen mij tegemoet komen lopen. Ze kwamen mijn richting op lopen. Ik zag dat ze ongeveer halverwege de straat waren. Ik ben die mannen voorbij gelopen. Ik heb daar staan kijken of die mannen door liepen. Ik zag dat ze doorliepen. Ik zag de mannen niet meer lopen. Ik ben toen naar mijn eigen huis gelopen. Boven heb ik vanuit het raam gekeken of ik die mannen nog zag of dat ik kon zien met welke auto ze weggingen. Ik zag de mannen niet meer en ook geen auto wegrijden. Ik ben toen weer naar beneden gegaan om dit aan mijn man te vertellen. Ik zag toen op de televisie dat de weerman zijn praatje hield. Daaruit maak ik op dat ik maar een kwartier of 20 minuten heeft geduurd dat ik aan het lopen ben geweest.
(dossierpagina 4983)
V: Kunt u de grote man omschrijven?
A: Hij had een normaal postuur. De eerste keer deed hij zijn capuchon op, op het moment dat ik hem zag en de tweede keer had hij de capuchon al op. Hij had een blanke huidskleur.
V: En de kleine man?
A: Die heb ik duidelijker gezien. Hij had donkere ogen, zwart haar, netjes geknipt, plat kort model kapsel. Hij had een gladde huid. Het was een mooie jongen. Hij had mooie wenkbrauwen met een goede vorm. Hij was korter dan de andere man. Hij had een slank postuur. Hij was blank maar niet heel blank.
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 maart 2014, dossierpagina’s 4997-4999, betreffende de verklaring van [getuige 2] , wonende aan de [straatnaam woning slachtoffer] 9 te [plaats 5] , voor zover inhoudende:
V: Wat heeft u op vrijdag 21 februari 2014 gezien?
A: Om 20.00 uur ging ik het huis uit. Vanaf het straatje waar huisnummer 57 aan is gelegen, zag ik twee mannen, een lange en een beduidend kortere man. Ik kreeg de indruk dat ze daar niet op het park thuishoorden. Ik dacht dat het buitenlandse types waren. Het viel ook op dat die twee mannen te voet kwamen en te voet het park verlieten, rechtsaf richting de manege. Het enige dat mij opviel was dat de kortere man een soort schoudertas om zijn schouder droeg, een lichtbruine tas. Ik ben ze voorbij gereden.
De kortere man had volgens mij een langere jas aan, tot op zijn knieën.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 februari 2014, dossierpagina’s 5020-5026, betreffende de verklaring van [getuige 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5020)
M: Uit ons onderzoek is gebleken dat jouw vader de eigenaar is van restaurant ‘De Wolfshoek’, gevestigd bij de manege ‘ [naam manege] ’, gelegen aan de [adres manege] te [plaats 5] .
A: Dat klopt.
(dossierpagina 5021)
Op 22 februari 2014 omstreeks 20.00-20.15 uur ging ik naar buiten. Ik was op dat moment in het restaurant. Op de parkeerplaats van de manege zag ik één auto staan.
Ik heb even naar het kenteken gekeken. Het eerste teken op de kentekenplaat was een Z. Vervolgens volgde er een N of een G. Het was een witte kentekenplaat met zwarte letters. De letters waren groter dan op een Nederlandse kentekenplaat.
(dossierpagina 5022)
V: (…)
A: Ik ben vervolgens naar het [buurthuis] gereden. Ik denk dat ik er minder dan zeven minuten over doe om vanuit de manege daar te komen. Ik heb het plastic en de flessen in de containers gestopt. Ik schat dat ik daar ongeveer 5 minuten mee bezig ben geweest. Ik ben daarna meteen terug naar huis gereden. Ik reed langs de [straatnaam woning slachtoffer] . Tussen de ingang van de parkeerplaats van de manege en de [straatnaam woning slachtoffer] zag ik voor mij, aan de linkerzijde van de weg, twee mannen lopen. Ze liepen mij tegemoet. Ik reed de parkeerplaats van de manege op en zag dat de eerder genoemde auto nog op dezelfde plek en op dezelfde wijze geparkeerd stond.
Verklaringen van [medeverdachte 1]
10. Een proces-verbaal van relaas opsporingsonderzoek d.d. 26 augustus 2015, dossierpagina’s 4875-4945, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 4887)
Op 3 juni 2014 werd het onderzoeksteam in kennis gesteld van het feit dat op 2 april 2014 in München (Duitsland) een Kroatische man was aangehouden, [medeverdachte 1] , ter zake van inbraak en het bezit van amfetamine, die spontaan verklaard had dat hij betrokkenheid had bij een moord, gepleegd op 22 februari 2014 in [plaats 5] (Nederland). Hij was daar met een andere man die had geschoten. Op 4 juni 2014 werd [medeverdachte 1] te München hierover gehoord. Dit verhoor werd in het kader van een rechtshulpverzoek verstrekt aan het onderzoeksteam.
11. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 30 mei 2014, afgelegd op het politiebureau te München, dossierpagina’s 2191-2195, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2191)
Een vriend van mij zei dat familie van hem naar München zou komen. Ik geloof dat het 28 januari 2014 of 22 januari 2014 is geweest dat ik de familie heb ontmoet te München. Het gaat om [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .
12. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. op 4 juni 2014 op het politiebureau te München en vertaald uit de Duitse taal, dossierpagina’s 2212-2225, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2215)
Ik had een Renault Scénic. [medeverdachte 5] heeft verteld dat hij via een belwinkel contact met [medeverdachte 2] had opgenomen. [medeverdachte 2] wilde dat [medeverdachte 5] naar Nederland reed. Daartoe had [medeverdachte 2] via Western Union op mijn naam als ontvanger € 150,- overgemaakt. Het geld heb ik bij het filiaal opgehaald. Ik heb [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] met mijn auto gereden. We zijn via Venlo Nederland in gereden en naar het huis van [medeverdachte 2] in [plaats 1] gereden. Ik heb daar in de [adres 2] geparkeerd en we zijn naar zijn huis gelopen.
(dossierpagina 2216)
We zijn tegen 02.00 uur of 03.00 uur aangekomen. [medeverdachte 2] sliep al, [verdachte] deed voor ons open. Ik ben in de fauteuil gaan slapen. Ik ben tegen 07.00 uur wakker geworden. Toen heb ik ook gehoord dat [medeverdachte 2] wakker was.
(dossierpagina 2217)
V: (…)
[medeverdachte 3] heeft tegen [verdachte] gezegd dat [verdachte] het vandaag moest afmaken.
(dossierpagina 2218)
[medeverdachte 3] zei nog een keer tegen [verdachte] dat hij de aangelegenheid moest afmaken. Hij rekende daarop.
[medeverdachte 2] bracht zijn navigatie en overhandigde deze aan [verdachte] met een briefje. De navigatie had hij uit de auto gehaald. Ik heb [verdachte] rondgereden in mijn Renault. We waren ongeveer twee dagen onderweg. Tenslotte zijn we naar Antwerpen in België gereden. In Antwerpen waren we in een café. Later zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] bij het café aangekomen. [medeverdachte 2] reed in een Volkswagen Passat met een Nederlands kenteken. Later kwam [medeverdachte 3] .
Iedereen heeft [verdachte] gefeliciteerd. [medeverdachte 3] is met twee zakken gekomen. In die zakken zat kilo’s amfetamine en tienduizenden euro’s aan geld.
(dossierpagina 2219)
De zakken waarin de amfetamine was verpakt, waren van die speciale zakken. De zakken zijn zwart, relatief dik en voelde aan als een rubberlaag.
(dossierpagina 2220)
[medeverdachte 2] wilde zijn navigatiesysteem terug hebben uit mijn auto. Toen ik naar mijn auto ging, stond hij er echter niet meer. Ik had hem per ongeluk geparkeerd op een plaats met een parkeerverbod. De auto was blijkbaar weggesleept.
(dossierpagina 2223)
Mij werd verboden de auto op te halen en gevraagd hoeveel hij waard was. Ik zei dat de auto € 3.000,- tot € 3.500,- waard was en dat hij van een vriend uit Kroatië was. [medeverdachte 2] gaf me geld voor mijn auto. Ik ben met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terug het café ingegaan. We wilden [verdachte] halen. Toen zijn we met de auto van [medeverdachte 2] naar het adres gereden waar mijn auto naartoe was gesleept. Ik had dat adres van de politie gekregen. We zijn naar de auto gegaan. Ik heb mijn persoonlijke spullen en het navigatiesysteem uit de auto genomen. [verdachte] heeft de rest van de tassen uit de auto genomen. [verdachte] had een lap doordrenkt met een vloeistof en met de lap aansluitend het stuur, de bedieningsrichting en de passagierskant afgeveegd.
13. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 4 juni 2014 op het politiebureau te München (welk verhoor is vertaald uit de Duitse taal), dossierpagina’s 2046-2089, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2051)
[medeverdachte 2] heet, zoals ik gehoord heb, [voornaam medeverdachte 2] met zijn voornaam. [medeverdachte 5] heet met zijn voornaam [voornaam medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] heet [voornaam medeverdachte 4] .
V: Hoe ging het verder toen u bij [medeverdachte 2] was?
A: (…) Ik heb een klein pistool en een geluidsdemper gezien.
(dossierpagina 2052)
V: Was het een pistool of een revolver?
A: Het was een pistool. Het was metaalkleurig, niet zwart. Het pistool had een lichte kleur.
(dossierpagina 2053)
V: Hoe groot was het wapen ongeveer?
A: Even groot als uw wapen.
V: Kunt u iets vertellen of het een echt pistool was?
A: Zover ik er iets vanaf weet, ja.
(dossierpagina 2054)
V: Kunt u de geluidsdemper beschrijven?
A: Deze was groter dan het pistool. Die was ook lichtkleurig en van metaal.
(dossierpagina 2055)
V: Heeft u het wapen en de geluidsdemper gezien, dat ze aan elkaar zaten?
A: Ze hebben het pistool meerdere keren met de geluidsdemper verbonden en vastgeschroefd en weer losgeschroefd. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben dat gedaan. [medeverdachte 2] heeft [verdachte] ook gevraagd of het wapen goed was.
(dossierpagina 2056)
V: Wie waren er op dat tijdstip aanwezig?
A: [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en ik.
(dossierpagina 2057)
Opmerking van de verdachte: Ik kan u ook nog zeggen waar het wapen is. Het ligt in de haven van Antwerpen. Ik kan ook zeggen op welke plaats, bij welke zuil het in het water gegooid werd.
V: Wie heeft het wapen weggegooid?
A: [verdachte] .
V: Werd de geluidsdemper ook in de haven van Antwerpen gegooid?
A: Nee, alleen het pistool. De geluidsdemper heeft [verdachte] weggegooid bij een korte stop op een kleine inham op de autosnelweg die je van Essen naar Antwerpen neemt. Hij heeft de geluidsdemper over een daar staande vier tot vijf meter hoge betonmuur gegooid.
(dossierpagina 2058)
Bovendien heeft hij ook nog het jack dat hij aan had toen hij met het pistool geschoten heeft, uitgetrokken en in een zak gedaan en toen die zak met het jack over een muur gegooid.
(dossierpagina 2061)
V: Weet u nog wanneer u het geld, € 150,-, bij Western Union opgehaald heeft?
A: Dat was ongeveer drie tot vier dagen voor de moord in [plaats 5] .
V: Hoe ging het toen verder?
A: We zijn met zijn drieën, dus [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en ik, met mijn Renault Scénic vanuit München naar [medeverdachte 2] te [plaats 1] gereden.
(…)
[medeverdachte 2] ging naar zijn auto. Hij haalde het navigatiesysteem uit zijn auto. Toen hij weer terugkwam, heeft hij het navigatiesysteem en een briefje aan [verdachte] gegeven. Op dat briefje stond het adres waar de moord heeft plaatsgevonden.
(dossierpagina 2062)
V: Stond daar de naam van een stad of van een persoon?
A: Nee alleen de straat, misschien ook de stad. En het huisnummer. Ik weet nog dat er bij dat adres een paardenstal was.
(dossierpagina 2063)
[verdachte] en ik reden naar het adres dat in het navigatiesysteem was ingevoerd. Zoals ik later vaststelde, was dat niet het adres van de man die we wilden bezoeken, maar het adres van de paardenstal. Ik zou dat graag voor u willen tekenen (bijlage 3) (het hof: in combinatie met bewijsmiddelen 17 en 18 stelt het hof vast dat bijlage 3 op dossierpagina 2112 is weergegeven.).
V: Zegt u mij wat heeft u getekend?
A: Ik heb een rechthoek met meerdere streepjes getekend. Dat moet de paardenstal voorstellen. Toen heb ik nog eens een rechthoek ingetekend met P1 en nog een kleinere met P2, dat zijn beide parkeerplaatsen.
(dossierpagina 2064)
Ik heb een ingekleurde kleine rechthoek getekend met het woord auto erin geschreven. Dat was de plaats waar ik gestaan heb. Toen heb ik er een straat in getekend, van de parkeerplaats waar ik overwegend stond, tot aan het begin van de straat, waar de man woont, is het ongeveer 200 meter tot die ringweg. Daar rijdt men om de daar staande huizen heen. Als je erin komt en links naar de ringweg rijdt, staan er enkele huizen naast elkaar. Ongeveer over een lengte van 250 meter zijn deze huizen gebouwd en in een van deze huizen woont de man.
V: Hoe wist u dat?
A: Toen het navigatiesysteem ons naar de paardenstal gebracht had, zei [verdachte] : ‘We rijden nog een rondje.’ Bij dat rondje heeft [verdachte] gewezen en gezegd dat de man daar woont.
V: (…)
A: We hebben dat rondje gereden en zijn naar de parkeerplaats gereden.
(dossierpagina 2067)
V: (…)
A: Ik ben in de richting van de ringweg gegaan en heb een rondje gemaakt.
(dossierpagina 2069)
Ik stond met mijn auto zoals tevoren op de parkeerplaats. Ik heb de auto niet verplaatst. [verdachte] zei tegen mij dat hij de man niet ontmoet had. Daarna reden we weg. We reden aan de inmonding voorbij, de straat verder, die vanaf de paardenstal komt. Vanaf de parkeerplaats heb ik ongeveer twee tot drie kilometer op deze weg gereden en toen naar zo’n bosperceel afgebogen. Wanneer men van de grote weg rechts afbuigt, komt men weer op een kleinere weg die dan overgaat in een veldweg het bos in. Daar hebben we geparkeerd en in de auto overnacht. Ik vroeg hem waarom we niet naar de woning van [medeverdachte 2] reden en hij zei: ‘Nee, die zal kwaad op ons zijn, morgen gaan we erheen als ik dat afgewerkt heb.’
V: Van welk voertuig maakte u gebruik?
A: Een zilverkleurige Renault Scénic, bouwjaar 1999.
(dossierpagina 2070)
Hij wilde niet dat we naar [medeverdachte 2] reden. Hij meende, omdat hij niets afgewerkt had. Omdat de anderen zeker geïrriteerd zouden zijn. Het was koud, we hebben daar overnacht. Ik heb steeds de auto laten lopen, zodat de verwarming ging.
De volgende dag tegen zes uur ben ik weer naar deze parkeerplaats teruggegaan waar ik de vorige dag ook al stond. [verdachte] is er nog een keer heen gelopen.
(dossierpagina 2071)
Hij was vijf tot tien minuten weg. [verdachte] kwam terug en zei dat hij niet terug naar huis wilde gaan, omdat zij immers kwaad waren. We zijn toen ver van de paardenstal naar de volgende stad gereden, misschien 100 kilometer. De stad heet Renesse. Dat is een toeristische plaats. We hebben daar koffie gedronken en iets gegeten. We waren enkele uren in Renesse. We hebben daar ook een beetje overdag op het strand geslapen. Toen zijn we weer naar dat huis gereden.
Ik heb op dezelfde parkeerplaats geparkeerd. Op de weg terug heeft [verdachte] verteld dat de man een BMW en een Lexus rijdt.
[verdachte] zei dat, wanneer ik de BMW of de Lexus voorbij zou zien rijden, ik in de richting van dat huis moest lopen.
(dossierpagina 2072)
V: Hoe laat was het ongeveer toen [verdachte] in de richting van de ringweg liep?
A: Om 19.00, 20.00 of 21.00 uur.
V: Hoe ging het toen verder?
A: Ik heb gezien dat een Lexus voorbij reed. (…) [verdachte] kwam naar mij toe gelopen.
(dossierpagina 2073)
[verdachte] had een pistool met de geluidsdemper in de hand. Hij zei: ‘Ik heb hem verwond, verwond.’ Hij liep aan mij voorbij en ik begon ook te lopen. Hij liep verder de straat in naar de grotere straat en ik liep achter hem aan.
(dossierpagina 2074)
V: Waar hield hij de geluidsdemper?
A: Die zat nog op het pistool.
V: Weet u nog welke kleding [verdachte] op dat moment droeg?
A: Spijkerbroek, ik geloof donkerblauw. Een jack met capuchon. Hij droeg ook een muts en handschoenen.
(dossierpagina 2076)
V: Hoe ging het verder nadat u achter [verdachte] aan gelopen bent?
A: We kwamen bij de auto aan. Ik heb de auto opengemaakt. (…) Ik heb het pistool gezien en hij heeft gezegd dat hij de man verwond had. Toen hebben we ook nog gerend. [verdachte] heeft het navigatieapparaat uit de houder getrokken. Hij heeft gezegd dat ik naar Essen moest rijden en hij heeft me toen ook gezegd hoe ik moest rijden. Vanaf de parkeerplaats ben ik naar links gereden, dus weg van de ringweg. Toen zijn we eerst naar rechts afgebogen.
(dossierpagina 2077)
V: (…)
A: Hij heeft uit zijn broekzak een briefje met adressen in Essen gehaald, een ervan was het station in Essen. Daar ben ik gestopt en is hij uitgestapt. Op het station in Essen heb ik gezien dat hij naar een container liep en daar iets in gegooid heeft.
(dossierpagina 2078)
V: Hoe ging het toen verder?
A: We zijn toen in de richting van Antwerpen gereden. Op deze weg, waar ik voorheen reeds over verteld heb, heeft hij de geluidsdemper en het jack over de muur gegooid. Toen we in Antwerpen waren, reden we naar de haven. Daar heeft hij toen op de grote parkeerplaats daar het pistool in het water gegooid. Dat was aan het einde van de parkeerplaats, waar campingwagens en kleinere vrachtwagens stonden. Ik teken het voor u (bijlage 7). Ik heb het haventerrein getekend, de zee, een schip dat daar lag, de parkeerplaats. Ik heb meerdere kleine vierkantjes getekend, dat zijn betonpaaltjes van ongeveer 30 centimeter hoog. Mijn auto heb ik met een rechthoek ingetekend. Ik heb in de zee een rechthoek getekend en daarin een kruis. Ongeveer op die plaats heeft [verdachte] het pistool erin gegooid. Tussen de betonpaaltjes en de zee is er een weg, waarop men kan lopen. Van daaruit heeft hij het pistool in het water gegooid. [verdachte] heeft ter hoogte van de auto het pistool erin gegooid.
(dossierpagina 2079)
V: (…)
A: We hebben daar gewacht tot het licht werd. Hij (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft geslapen. De volgende morgen zijn we naar het café gegaan, waarvan het adres op het briefje stond dat hij de avond tevoren uit zijn zak gehaald had.
V: Was er in het café iets aan de hand?
A: Daar hebben we gewacht. Toen kwamen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en later ook [medeverdachte 3] . [verdachte] werd door iedereen die daar was gefeliciteerd.
V: (…)
A: We waren urenlang in dat café. Toen kwam [medeverdachte 3] met twee zakken.
(dossierpagina 2080)
[medeverdachte 2] heeft een paar keer getelefoneerd en toen zei hij dat de chef tevreden was.
V: Waarom werd [verdachte] gefeliciteerd?
A: Nadat we enige tijd in het café waren, nog voordat dat (het hof begrijpt: de overdracht) met de drugs plaatsvond, zei [verdachte] tegen de anderen dat hij het afgewerkt had. Daarop feliciteerden de anderen hem met de slag van de hand. In het café heeft [verdachte] gezegd dat hij de man had gedood.
(dossierpagina 2081)
V: Heeft hij daarbij nog iets gezegd?
A: Ja: ‘De hond was twee dagen niet thuis. Ik moest op hem wachten terwijl ik in de wei lag.’ (…) [medeverdachte 5] heeft hem gevraagd hoe [verdachte] het gedaan heeft en [verdachte] zei dat hij van achteren naar hem toegegaan is en hem toen in zijn hoofd geschoten heeft. Ik geloof dat [verdachte] zelfs gezegd heeft dat de man op dat moment iets uit de kofferruimte gehaald heeft.
(dossierpagina 2083)
V: (…)
A: Toen we in dat café waren, is mijn auto door de politie weggesleept. Ik had deze op een groenstrook geparkeerd.
(dossierpagina 2084)
V: Waar staat de auto nu?
A: Ik denk dat de auto nog op die bewaarplaats staat in Antwerpen.
V: Ligt het navigatieapparaat nog in de auto?
A: Nee, omdat ik toen met [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in zijn Passat naar de bewaarplaats ben gereden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben mij en [verdachte] opgedragen om naar de auto te gaan en het navigatiesysteem te halen. Ik moest mijn spullen halen. [verdachte] hebben ze nog een doek gegeven. [medeverdachte 3] heeft hem toen een kleine plastic fles gegeven die naar alcohol rook. [medeverdachte 3] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij met de doek en het middel het stuur, dashboard en de deurgrepen zuiver moest maken. [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] heeft ook nog gezegd dat [verdachte] de vloermatjes mee moest nemen. We zijn toen naar binnen gegaan en hebben tegen de mensen van de bewaking gezegd dat ik nog iets uit mijn auto wilde halen en dat werd ons toegestaan.
(dossierpagina 2085)
V: Kunt u ongeveer aangeven wanneer de moord plaatsvond?
A: Het was in februari en ’s-avonds tussen 20.00 uur en 23.00 uur.
(dossierpagina 2086)
[medeverdachte 2] heeft me een YouTube video laten zien. In de video werd over een moord verteld. [medeverdachte 2] heeft het voor me vertaald. Dat een vrouw het gezien had. Dat er een compositietekening van mij was. Ik heb die compositietekening bekeken en vastgesteld dat het werkelijk veel op mij lijkt.
(dossierpagina 2087)
V: Bedoelt u daarmee de compositietekening (bijlage 8) (het hof: dossierpagina 2041)?
A: Ja, dat is de compositietekening die in de video getoond werd.
V: Kunt u zich nog herinneren aan voertuigen die in deze video getoond werden?
A: De kleur van de auto’s was vals. Er werd een gezinsauto gezocht, maar ze hebben een Ford laten zien, een donkere Ford. Mijn auto was echter een Renault Scénic zilverkleurig.
V: Was het u duidelijk dat er naar uw auto werd gezocht?
A: Dat was me duidelijk. Heel duidelijk was me ook dat getuigen daar iets verwisseld moesten hebben. [medeverdachte 2] heeft me de hele video vertaald en daarom weet ik dat deze Ford in verbinding met de compositietekening werd gezocht. Bovendien werd in de video verteld dat de getuigen niet zeker waren of het kenteken met ZG of ZN begon. Ik had op mijn Renault Scénic het kenteken ZG.
(dossierpagina 2088)
V: (…)
A: Ik had altijd alleen de Renault Scénic van mijn vriend in Kroatië met het ZG-kenteken.
(dossierpagina 2089)
Mij schiet nog te binnen dat ik de kleding nog heb die ik toen droeg. De politie heeft die kleding meegenomen.
V: Wat voor kleding droeg u?
A: Een lange zwarte wintermantel, daaronder een zwart hemd, zwarte stoffen broek en witte Puma sportschoenen.
14. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 10 juni 2014, dossierpagina’s 2090-2108, welk verhoor plaatsvond in het politiebureau te München, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2091)
V: Jij hebt situatieschetsen bij je. Wat staat erop?
A: Dit zijn schetsen van de locaties. Nummer 1: Dit gaat over de situatie toen de moord al gepleegd was. Van sommige voorwerpen weet ik waar ze zijn. Het zijn voorwerpen die bij de moord gebruikt zijn. Dit is een rustplaats bij de weg. Dat is misschien 500 meter van de grens met België. Het is een grote rustplaats. Er stond een vrachtauto. Ik moest daar stoppen van [verdachte] .
(dossierpagina 2092)
V: Wij beginnen het verhoor over hetgeen is voorgevallen op vrijdag 21 februari 2014, de dag voor de moord. Wat heb jij die dag gedaan?
A: Ik begin in de ochtend. We waren in het huis van [medeverdachte 2] in [plaats 1] . Ik heb de exacte positie van het huis al aan de politie laten zien op Google Maps. In het huis waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] .
[medeverdachte 3] zei herhaaldelijk: ‘Maak het vandaag af, maak het alsjeblieft vandaag af.’ Hij bleef benadrukken dat het die dag moest gebeuren.
(dossierpagina 2093)
De rest van de jongens ging weg. De enigen die in het huis bleven, waren [verdachte] en ik. Nog vlak daarvoor ging [medeverdachte 2] naar zijn auto en haalde daar zijn navigatie uit. Dat gaf hij aan [verdachte] . Samen met nog een stukje papier.
V: Wat voor auto heeft [medeverdachte 2] ?
A: Hij had een donkerblauwe Passat, ik geloof een model tussen 1998 en 2003 met Nederlandse kentekenplaten. Ik zag duidelijk gele platen.
V: Wat stond er op het papiertje?
A: Het was het adres van de manege waar de auto later geparkeerd stond. Ik zag het adres toen [verdachte] het adres in de navigatie aan het typen was. Het was een geel post-it briefje. We zijn nog een paar uurtjes in het huis gebleven en daarna heb ik hem nog rondgereden naar een aantal locaties.
V: (…)
A: Het nummer dat [verdachte] gebruikte, ken ik en het moet mogelijk zijn om te achterhalen of dat nummer daar gebruikt is. Het nummer staat in mijn telefoon en die is hier in beslag genomen. Het nummer staat in mijn telefoon onder de naam Celavi, dat betekent Kale.
(dossierpagina 2094)
V: Waar zijn jullie na het rondrijden naartoe gereden?
A: Naar de manege. Dat was ongeveer 50 kilometer rijden, ongeveer drie kwartier. Er waren twee aparte parkeerplaatsen. Een grotere in de buurt van een café. Eenmaal daar aangekomen zei [verdachte] dat ik niet moest stoppen. We doen nog even een kort rondje, zei hij. (Verbalisant: Verdachte maakt een schets en tekent een rondje. Aan hem wordt ook bijlage 3 getoond) Dat is exact de tekening. Een van de vijf huizen wees [verdachte] aan. Hij wees naar de woningen aan mijn rechterkant. Ik was linksaf het rondje in gereden. Hij zei dat het de woning was van de betreffende persoon. Daarna ben ik naar parkeerplaats P2 gereden. Ik parkeerde de auto met de voorkant in de richting van het rondje dat wij daarvoor hadden gereden.
(dossierpagina 2097)
Ik hoorde van [verdachte] dat de man niet thuis was gekomen. [verdachte] zei dat ze de volgende dag terug zouden komen.
(dossierpagina 2098)
V: Had jij zelf een tas bij je?
A: (…) Ik had een klein tasje met documenten. Ik droeg dat tasje over mijn schouder, schuin over mijn lichaam. Het is van lichtbruin leer. Ongeveer het formaat A5. De tas is door de politie hier in beslag genomen.
V: Wanneer is de foto gemaakt die op Facebook staat?
A: [verdachte] heeft die foto gemaakt. Ik heb volgens mij vier of vijf foto’s. Daar sta ik op zoals ik gekleed was op vrijdag en zaterdag van de moord. Die foto’s heeft [verdachte] in Renesse gemaakt.
V: Wanneer droeg je die tas?
A: Die tas had ik altijd bij me als ik uit de auto ga.
V: Hoe lang ben jij?
A: 1.78 meter.
V: Hoe lang is [verdachte] ?
A: Hij is behoorlijk langer. Misschien wel 25 centimeter langer. Ik denk dat ik tot aan zijn schouders kom.
V: Jij hebt de compositietekening gezien. Wat vond je daarvan?
A: Ik zag alleen die ene tekening die op mij sloeg. Ik herkende mijzelf daarin.
(dossierpagina 2099)
V: Hoe kan het dat verschillende getuigen hebben verklaard over de man van de tekening die daar tegelijk met een andere man was?
A: (…) Op de dag van de moord was ik met hem samen.
(dossierpagina 2100)
V: (…)
A: [verdachte] zei dat we niet terug konden gaan omdat de klus niet geklaard was. [verdachte] had gezegd dat hij het vandaag zou regelen en dat was niet gelukt. En [verdachte] wist dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hierover pissig zouden zijn. Dit was de reden dat [verdachte] zei dat we in de bosjes zouden slapen. Daarop hebben we in de auto geslapen, iets verder in de bosjes. Ik had het behoorlijk koud.
V: Waar ergens?
O: De verdachte wijst twee straten aan op de plattegrond. Staartseduinen en Heidebaan.
A: Een van deze straten was het. Ik denk de Heidebaan.
(dossierpagina 2101)
Het verhaal begon in München, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn uit Bosnië gekomen. Er werd gezegd dat [verdachte] een chauffeur nodig had voor een klus.
(dossierpagina 2102)
V: (…)
A: Ik heb daags na de moord geld gekregen. Dat was in Antwerpen.
V: Van wie kreeg je dat geld?
A: Het geld kwam van [medeverdachte 3] .
In het café in Antwerpen voerde [medeverdachte 2] een telefoongesprek in de Albanese taal of in het Nederlands.
Er waren drie belangrijke gesprekken. [medeverdachte 2] voerde het gesprek in een vreemde taal. In het tweede belangrijke gesprek richtte [medeverdachte 2] zich weer tot [verdachte] . Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei dat de man dood was en dat de klus geklaard was. Iedereen begon [verdachte] te feliciteren. Men was opgelucht en blij dat het gelukt was. [medeverdachte 2] zei dat [verdachte] niet slim was maar wel betrouwbaar. Als je hem een klus opdraagt voert hij die ook uit.
V: Je hebt in je verklaringen een aantal personen genoemd. Omschrijf die personen eens. De vriend uit Bosnië die contacten in München had?
A: Dat is de jongste broer van [medeverdachte 5] , Ismar [medeverdachte 5] .
(dossierpagina 2104)
V: Wanneer heb je [medeverdachte 4] voor het eerst ontmoet?
A: In München toen hij samen met [voornaam medeverdachte 5] hier naartoe kwam.
(dossierpagina 2105)
[medeverdachte 2] woont al jaren in Nederland in [plaats 1] . De straat is in de buurt van de [adres 2] . In die straat is een soort van verscholen parkeerplaats. [medeverdachte 2] heeft een duivenkooi in zijn tuin. Hij had een wietkwekerij in zijn huis.
V: Waar heb je [verdachte] voor het eerst ontmoet?
A: In [geboorteplaats 1] toen ik bij Ismar op bezoek was.
(dossierpagina 2106)
V: Je hebt verklaard dat jullie foto’s hebben gemaakt op het strand. Wij hebben een afdruk van die foto’s gemaakt en tonen jou er een.
A: Ik herken [verdachte] van die foto. Dit was de kleding die hij vrijdag aan had in Renesse. Op zaterdag had hij compleet andere kleren aan. Hij had toen een donkere spijkerbroek aan en een zwarte jas.
V: Welke talen spreekt hij?
A: Bosnisch en zwak Engels.
V: Wat is zijn verblijfsadres?
A: Hij verblijft bij [medeverdachte 2] in zijn woning. Hij was daar altijd als ik daar op bezoek was. Ik weet dat hij bij [medeverdachte 2] is ingetrokken.
Het slachtoffer dat vermoord is, had een solarium. [verdachte] werd een hele maand op de moord voorbereid. Hij werd gecoacht door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Ze hebben hem diverse locaties laten zien. Ik heb dit van [medeverdachte 2] gehoord. Ik hoorde dat ze bij de zonnestudio zijn geweest en dat het slachtoffer daar ook was.
15. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2014 met bijlagen, dossierpagina’s 2109-2118, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2109)
Op 10 juni 2014 werd [medeverdachte 1] als verdachte gehoord. Tijdens zijn verhoor werd meerdere malen verwezen naar schetsen welke door verdachte werden gemaakt en naar foto’s welke aan verdachte werden getoond. Bij het opmaken van het proces-verbaal van verhoor verdachte zijn de betreffende bijlagen echter niet nader omschreven en vernoemd en evenmin als bijlage bij dit proces-verbaal van verhoor gevoegd. De relevante passages uit de door verdachte [medeverdachte 1] afgelegde verklaring worden hierna nader omschreven:
Pagina 2 van het verhoor (het hof: dossierpagina 2091): Verdachte heeft een schets gemaakt van de locatie en verklaart hierover: ‘Dit zijn schetsen van de locaties. Nummer 1: Dit gaat over de situatie toen de moord al gepleegd was.’
Opmerking verbalisant: genoemde schets is als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd (het hof: dossierpagina 2111).
Pagina 5 van het verhoor (het hof: dossierpagina 2094): Verdachte maakt een schets van de locatie en tekent een rondje. ‘Een van de 5 huizen wees [verdachte] aan.’
Opmerking verbalisant: genoemde schets is als bijlage 2 bij dit proces-verbaal gevoegd (het hof: dossierpagina 2112).
(dossierpagina 2110)
Pagina 9 van het verhoor (het hof: dossierpagina 2098): Foto van de verdachte welke op Facebook staat en welke is gemaakt in Renesse.
Opmerking verbalisant: genoemde foto is als bijlage 4 bij dit proces-verbaal gevoegd (het hof: dossierpagina 2115).
Pagina 11 van het verhoor (het hof: dossierpagina 2100): Verdachte wijst twee straten aan op de plattegrond.
Opmerking verbalisant: genoemde plattegrond is als bijlage 6 bij dit proces-verbaal gevoegd (het hof: dossierpagina 2117)
Pagina 17 van het verhoor (het hof: dossierpagina 2116): Verdachte wordt een foto getoond en verdachte herkent de persoon op deze foto als [verdachte] .
Opmerking verbalisant: genoemde foto is als bijlage 7 bij dit proces-verbaal gevoegd (het hof: dossierpagina 2118).
16. De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 11 juni 2014, met bijlagen, dossierpagina’s 2119-2167, welk verhoor plaatsvond in het politiebureau te München, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2120)
V: Wat is het signalement van [medeverdachte 3] ?
A: Lengte 1.80 tot 1.90 meter denk ik. Hij heeft min of meer een normale bouw, met een bierbuikje, hij is niet echt te dik, maar hij heeft wel wat kilo’s teveel. Hij heeft kort haar en een beetje grijs.
(dossierpagina 2121)
Ik schat hem tussen de 30 en 40 jaar oud. Ik weet dat [medeverdachte 3] kinderen heeft. Ik weet dat de kinderen klein zijn.
V: (…)
A: Dit was vanuit een gesprek tussen [medeverdachte 3] (…) en [medeverdachte 2] . Twee klanten kwamen bij [medeverdachte 3] drugs kopen. Deze deal ging verkeerd. En de klanten begonnen toen te schieten. Deze deal was bij [medeverdachte 3] thuis. Ze hadden in het gesprek erover wat voor risico’s dit met zich bracht voor zijn kinderen.
(dossierpagina 2122)
V: Welke talen spreekt hij?
A: Bosnisch, Kroatisch, Servisch, Albanees, Duits en Nederlands. Hij sprak met [medeverdachte 2] Albanees op de momenten dat hij iets discreets moest zeggen.
V: Waar woont hij ergens?
A: Hij woont ergens in de buurt van [plaats 1] , maar ik weet niet precies in welk stadje. [medeverdachte 2] heeft een paar keer duidelijk gezegd dat [medeverdachte 3] niet in [plaats 1] woont. Een paar keer was ik erbij dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] uitnodigde. [medeverdachte 3] was er dan elke keer binnen 20 minuten. Als [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 2] langskwam had [medeverdachte 3] het commentaar dat hij kotsmisselijk werd van al die bruggen, omdat er camera’s op die bruggen staan.
(dossierpagina 2123)
V: Van welke voertuigen maakt hij gebruik?
A: Audi A4 station model. Gele kentekenplaten, ik geloof dat ze Nederlands waren.
(dossierpagina 2127)
V: Onder welke namen staan [verdachte] , [voornaam medeverdachte 4] en [voornaam medeverdachte 5] opgeslagen?
A: [verdachte] staat geregistreerd onder zijn bijnaam Celavi. [voornaam medeverdachte 4] en [voornaam medeverdachte 5] staan onder hun eigen namen opgeslagen. Het is mogelijk dat [voornaam medeverdachte 4] onder de naam [bijnaam medeverdachte 4] staat opgeslagen.
(dossierpagina 2131)
Opmerking verbalisant: Aan verdachte werden een zwarte jas en een bruine tas getoond.
V: Is de getoonde jas de jas die je aan had op de dag voor de moord en de dag van de moord?
A: Ja.
(dossierpagina 2132)
V: Geef je toestemming aan de Nederlandse politie om deze jas mee te nemen ten behoeve van het onderzoek in Nederland?
A: Ja.
V: Is de tas die je getoond is, de tas die je bij je had op de dag voor de moord en de dag van de moord?
A: Ja.
V: Geef je toestemming aan de Nederlandse politie om deze tas mee te nemen ten behoeve van het onderzoek in Nederland?
A: Ja.
(dossierpagina 2134)
V: (…)
A: [verdachte] had vanaf het moment dat ik hem naar mij toe zag rennen, nadat de moord gepleegd was tot het moment van de stop, handschoenen aan.
(dossierpagina 2135)
V: (…)
A: [voornaam medeverdachte 4] had een geldbedrag van duizenden euro’s en amfetamine, dat was zijn beloning voor de succesvolle klus. [verdachte] heeft dit gekregen van [medeverdachte 3] .
Ik weet dat [medeverdachte 3] drugs en geld aan [verdachte] gaf.
[medeverdachte 3] gaf [verdachte] een geldbedrag van tienduizenden euro’s en kilo’s amfetamine. [voornaam medeverdachte 5] kreeg een geldbedrag van enkele duizenden euro’s en amfetamine. Ik kreeg geld. Er was op dat moment nog amfetamine in de auto van [medeverdachte 3] . Dit was de Audi A4 die ik eerder bij [medeverdachte 3] heb beschreven.
(dossierpagina 2136)
[medeverdachte 3] kwam dus met het geld en de amfetamine. Er was nagenoeg geen gesprek waardoor ik de indruk kreeg dat het van tevoren was gepland en afgesproken wat iedereen kreeg.
(dossierpagina 2137)
O: Verdachte wordt een foto getoond, dit is bijlage B (het hof: dossierpagina 2145).
V: Is dit het café?
A: Ja.
(dossierpagina 2139)
V: Foto’s C en D (het hof: dossierpagina’s 2146-2147)?
A: Dit is [verdachte] . D in Renesse, C in Antwerpen, vlak voor de dierentuin bij het beeld van de dinosaurus.
V: Foto E (het hof: dossierpagina 2148)?
A: [medeverdachte 5] . Deze foto is gemaakt kort nadat ze vanuit Bosnië naar München zijn gekomen.
V: Foto F (het hof: dossierpagina 2149)?
A: [medeverdachte 5] , is een foto gemaakt in München.
V: Foto G (het hof: dossierpagina 2150)?
A: Dit is [verdachte] in Renesse. Hij schrijft in het zand het woord ‘Celo’.
(dossierpagina 2143)
V: Foto I (het hof: dossierpagina 2152)?
A: Dat ben ik. Ik draag de kleding die ik droeg op de dag van de moord. En niet alleen de dag van de moord, maar die drie dagen.
17. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 mei 2015, dossierpagina’s 2433-2448, betreffende de verklaring van [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2438)
[verdachte] had een papiertje bij zich met wat adressen erop. Hij heeft later Essen in het navigatiesysteem ingevoerd.
(dossierpagina 2440)
O: Verdachte maakt een tekening van een parkeerterrein. De tekening wordt als bijlage 6 bij dit proces-verbaal gevoegd (dossierpagina 2448).
A: Er waren meerdere ingangen bij het parkeerterrein. Ik weet dat er aan de ene kant veel auto’s en mensen waren en dat wij naar de andere kant van het parkeerterrein gingen. Daar was het rustiger en waren slechts wat kleine vrachtwagentjes en oude campers. [verdachte] stapte daar uit. Ik had geparkeerd in de eerste rij, vlak bij het water. Er was daar een klein muurtje of het waren bloembakken. Daar heeft [verdachte] het wapen weggegooid. Ik kon het goed zien omdat er een straatlantaarn was. De reden dat ik een schip heb getekend is omdat er veel activiteit aan boord was. Het lukte niet om weg te gaan omdat de motor niet meer goed was. We konden de auto niet meer starten volgens mij. [verdachte] ging in de auto slapen. In de ochtend zijn we naar het café in Antwerpen gegaan.
V: Was dat het café waar jullie de buit hebben verdeeld?
A: Ja. Eenmaal daar aangekomen heb ik geparkeerd op het gras. Daarom werd mijn auto door de politie weggesleept. Die plek was 200 meter van het café.
18. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2015, dossierpagina’s 2449-2459, betreffende de verklaring van [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2450)
V: Heb jij voor de moord nog in de omgeving rondgelopen?
A: Ja.
V: Hoe is dat gegaan?
A: Ik ging steeds maar één dezelfde weg wandelen. Het is een circulair pad. Ik ging een paar keer de ronde lopen.
V: (…)
A: Ik denk dat ik een cirkel samen met [verdachte] heb gelopen. De straat loopt in een cirkel. Ik weet niet zeker of dit de eerste of tweede dag was.
V: Waar ben je met [verdachte] geweest toen je met hem rondliep?
A: De straat loopt in een cirkel. Daar hebben we gelopen.
(dossierpagina 2451)
V: Bij welke woningen ben je geweest?
A: De straat is daar best smal. We zijn langs alle woningen gelopen.
V: Zijn jullie samen langs de woning van het slachtoffer gelopen?
A: Aangezien die woning in die straat ligt, ja.
V: (…)
A: Ik heb op de eerste dag samen met [verdachte] met de auto een rondje door de straat gereden. Toen heeft [verdachte] gezegd: ‘Hier woont die man’.
(dossierpagina 2452)
V: Je zei dat [verdachte] niet naar huis wilde voordat de klus geklaard was.
A: Ja, hij wilde niet naar huis voordat de klus geklaard was. [medeverdachte 3] heeft meerdere keren tegen [verdachte] gezegd: “Maak het vandaag af, maak het vandaag af.” Het commentaar van [verdachte] was: als we teruggaan zonder dat de klus geklaard is, zouden we problemen en gezeik krijgen.
Ik merkte tijdens de interactie dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] qua hiërarchie hoger zaten dan [verdachte] . Dat was te merken aan de manier van omgaan.
(dossierpagina 2455)
V: Wat is jou, ongeacht het tijdstip, verteld over het motief waarop deze man dood moest?
A: De man moest eraan wegens een mislukte drugsdeal. Dan bedoel ik dat er iets niet is betaald of iemand is opgelicht. Een probleem over een betaling of een levering of iets dergelijks.
Gegevens van Western Union
19. Een proces-verbaal van bevindingen uitlevering van bescheiden gegevens d.d. 24 juli 2014, met bijlage, dossierpagina’s 5673-5676, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 17] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5674)
Op 24 juli 2014 werden digitaal gegevens verstrekt door Western Union aan de politie Zeeland-West-Brabant.
(dossierpagina 5675)
Op 18 februari 2014 om 09.04 uur heeft [medeverdachte 2] een bedrag van € 150,00 overgemaakt naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] heeft het geld verzonden vanuit het GWK Travelex te Roosendaal. [medeverdachte 1] heeft op 19 februari 2014 om 06.59 uur het geld opgehaald bij Western Union International B.V. te München.
20. Een proces-verbaal van bevindingen Western Union België d.d. 26 november 2014, dossierpagina’s 5684-5685, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 17] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5684)
Naar aanleiding van de gewelddadige dood van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 3] te Vilnius (Litouwen), wonende aan de [adres woning slachtoffer] 4635 SB [plaats 5] ( [gemeente] ), werd op 23 februari 2014 in opdracht van het Openbaar Ministerie te Breda een team grootschalige opsporing geformeerd onder de werknaam TGO Hainichen met onderzoeksnummer 20TGO14005.
(dossierpagina 5685)
Op 21 november 2014 werden aan de politie Zeeland-West-Brabant
digitaal gegevens verstrekt door het FGP Antwerpen betreffende de ontvangen Western Union gegevens.
Op 27 januari 2014 om 13.09 uur heeft [medeverdachte 2] een bedrag van € 300,00 overgemaakt naar [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft het geld verzonden vanuit Western Union te Antwerpen. [verdachte] heeft op 28 januari 2014 om 05.14 uur het geld opgehaald bij Investicioni Komercijaina Bank te [geboorteplaats 1] (Bosnië-Herzegovina).
Onderzoek aan onder [medeverdachte 1] in beslag genomen voorwerpen, onderzoek naar de Renault Scénic en sporenonderzoek aan de in de Renault Scénic aangetroffen voorwerpen
21. Een proces-verbaal van bevindingen uitvoering rechtshulpverzoek d.d. 13 juni 2014, dossierpagina’s 799-800, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 7] , [verbalisant 8] en [verbalisant 6] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 799)
Op 10 en 11 juni 2014 werden wij in de gelegenheid gesteld om de verdachte [medeverdachte 1] te verhoren in het politiebureau te München.
Door de Duitse politie werden alle goederen die op de hotelkamer van de verdachten van de inbraak waren aangetroffen, in beslag genomen. Deze goederen, onder andere kleding, tassen en gereedschappen, waren opgeslagen in 12 grote plastic zakken. Uit het beslag werden de volgende goederen aan mij meegegeven: jas en tas van [medeverdachte 1] , SD-kaart-7, documenten, kassabonnen, treintickets, moneytransfers Western Union en een agenda. Nadat de verdachte [medeverdachte 1] verklaarde geen bezwaar te hebben tegen de overdracht van deze in beslag genomen goederen aan de Nederlandse justitie, werden deze goederen aan ons overgedragen. De goederen werden later door ons aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld.
22. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2014, dossierpagina 2168, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] , voor zover inhoudende:
Tijdens het verhoor van [medeverdachte 1] op 11 juni 2014 werden er foto’s getoond aan verdachte [medeverdachte 1] . De getoonde foto’s zijn als bijlagen bij de verklaring van [medeverdachte 1] gevoegd. De getoonde foto’s waren afkomstig van een door de Duitse politie onder [medeverdachte 1] in beslag genomen SD-kaart, genoemd SD-kaart-7. De SD-kaart is door de Duitse politie aan het onderzoeksteam overhandigd.
23. Een proces-verbaal ‘uitvoering ambtelijke opdracht’ van de Federale gerechtelijke politie te Antwerpen d.d. 6 juni 2014 (proces-verbaalnummer 011598/2014), met bijlage, dossierpagina’s 5317-5321, betreffende een relaas van [verbalisant 15] (gerechtelijk commissaris, Officier van Gerechtelijke Politie) en [verbalisant 16] (rechercheur, Officier van Gerechtelijke Politie), voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5318)
Nazicht in onze documentatie doet inderdaad blijken dat het voertuig Renault Scénic met de Kroatische nummerplaat [kenteken 1] in Antwerpen op 23 februari 2014 getakeld werd door de lokale politie. Het voertuig stond geparkeerd op een verhoogde berm te Antwerpen, [adres 3] . Het voertuig werd uit hoofde van de verkeersovertreding weggetakeld naar het takelbedrijf depannage 2000 (het hof: blijkens dossierpagina 5321 gevestigd aan de E. Vloorsstraat te Antwerpen). In het kader van de uitvoering van huidige rechtshulpverzoek hebben wij op 6 juni 2014 contact opgenomen met takelbedrijf 2000, met de vraag het bewuste voertuig gerechtelijk in beslag te stellen, gevolge het rechtshulpverzoek. Hieraan werd gevolg gegeven.
(dossierpagina 5319)
Als gevolg van het telefonisch onderhoud werd het desbetreffende voertuig door onze rechercheur Daems Herbert overgedragen aan de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten voor verder onderzoek. Het voertuig werd afgehaald door een Nederlands takelbedrijf.
24. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2014, dossierpagina 5370, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 13] , voor zover inhoudende:
In het kader van het opsporingsonderzoek TGO Hainichen werd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek een personenauto van het merk Renault, type Megane Scénic, voorzien van het Kroatische kenteken [kenteken 1] in België in beslag genomen. Op 11 juni 2014 werd voornoemd voertuig Nederland binnengebracht en in beslag genomen. Het voertuig werd vervolgens overgebracht naar een afgesloten terrein bij takelbedrijf Van Eijck.
25. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2014 met fotobijlagen, dossierpagina’s 5404-5425, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 14] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5404)
In het kader van TGO Hainichen heb ik een onderzoek ingesteld naar de in de Renault Scénic [kenteken 1] aangetroffen papieren.
17-12-2013
Huur-/leencontract van Renault Scénic [kenteken 1] .
(dossierpagina 5405)
20-02-2014
Tankbon Agip Tankstelle Furholzen Ost. Duitsland
Tankbon Shell station Freiheitsstrasse 234 Viersen
Bon voor koffie Serways Raststatte Siegburg Ost Siegburg
Opwaardeerbon T-Mobile AUGA Fürholzen.
22-02-2014
Bon Jumbo Supermarkt Wilhelminaweg 1 Renesse, tijdstip 08.44.29.
23-02-2014
Bon overnachting Columbus Hotel Frankrijklei 4 Antwerpen.
26. Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 23 juni 2014, bijlage 5.1, pagina’s 50-64 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 9] , [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , voor zover inhoudende:
(pagina 50)
Het onderzoek werd verricht in een loods van takel- en bergingsbedrijf Van Eijk te Gilze. Het onderzoek werd verricht in het navolgende voertuig:
Renault Scénic, grijs, [kenteken 1] .
(pagina 52)
Op de zitting van de rechter voorstoel lag een zwarte handschoen. Deze handschoen werd door mij, Grauwmans, veiliggesteld (AAHE5664NL).
Op de vloer voor de linker voorstoel lagen twee koffiebekers, één van Douwe Egberts. Deze koffiebeker werd door mij, [verbalisant 10] , met een wattenstaafje bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal (AAHE5652NL). Op de vloer voor de linker voorstoel lag een peuk. Deze peuk werd door mij veiliggesteld ten behoeve van eventueel nader DNA-onderzoek (AAHE5679NL).
Op de vloer voor de rechterstoel van de achterbank lag een fles Rivella. Deze fles werd door mij, Grauwmans, met een wattenstaafje bemonsterd op de eventuele aanwezigheid van humaan DNA-houdend celmateriaal (AAHE5689NL). De fles werd vervolgens door mij ten behoeve van eventueel nader onderzoek veiliggesteld (AAHE5690NL).
(pagina 53)
Aan de rugleuning van de bestuurdersstoel was aan de achterzijde een klaptafel bevestigd. Tussen de klaptafel en de rugleuning zat een paar lederen handschoenen, kleur zwart. Deze handschoenen werden door mij, [verbalisant 10] , veiliggesteld (AAHE5700NL).
(pagina 54)
Van de peuken, aangetroffen in de asbak in het dashboard en in de asbak van het linker achterportier, werden er tien apart verpakt en voor nader DNA-onderzoek verstuurd naar het NFI. Deze peuken zijn voorzien van de navolgende SIN:
- (…)
- AAHE5669NL (uit asbak dashboard).
27. Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 25 juli 2014, bijlage 5.10, pagina’s 97-99, van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 12] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 97)
In het kader van het onderzoek TGO Hainichen werd door medewerkers van het onderzoeksteam een jas in beslag genomen bij [medeverdachte 1] . Deze jas werd op 24 juli 2014 overgebracht naar het team Forensische Opsporing en aan mij ter beschikking gesteld voor nader onderzoek. Door mij werd deze jas gewaarmerkt met SIN AAGZ1860NL.
(dossierpagina 98)
SIN AAGZ1860NL
Inhoud: zwarte herenjas, halflang model.
Forensisch onderzoek
28. Een rapport d.d. 30 juli 2014 van het NFI, betreffende ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in [plaats 5] op 22 februari 2014’, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, NFI-deskundige forensische pathologie, bijlagen 10.4-10.8, pagina’s 157-160 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 157)
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
(…)
AAHE5652NL#01 een bemonstering (Douwe Egberts beker AAHE5650 voor linker voorstoel)
AAHE5689NL#01 een bemonstering (Rivella fles AAHE5690)
(pagina 158)
|
SIN |
Beschrijving DNA-profiel |
Celmateriaal kan afkomstig zijn van |
Matchkans DNA-profiel |
|
AAHE5652NL#01 |
DNA-profiel van een man |
Onbekende man B |
Kleiner dan één op één miljard |
|
AAHE5689NL#01 |
DNA-mengprofiel van twee personen |
Onbekende man B en onbekende man C |
Niet berekend |
(pagina 159)
Bemonstering AAHE5652#01 (onbekende man B)
Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAHE5652#01 is op 28 juli 2014 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is, naast de in tabel 1 vermeld staande match met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAHE5689NL#01 uit deze zaak, een match gevonden met een DNA-profiel van een spoor uit een andere zaak. Deze matchende DNA-profielen zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 29145. Dit betekent dat (een deel van) het celmateriaal in de bemonsteringen in DNA-profielcluster 29145 afkomstig kan zijn van dezelfde onbekende man. Voor de gegevens van de zaken en de berekenende frequentie of matchkans van de DNA-profielen in dit DNA-profielcluster, wordt verwezen naar DNA-profielcluster 29145 dat als bijlage aan dit rapport is toegevoegd.
Bemonstering AAHE5689NL#01 (onbekende man B en onbekende man C)
Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAHE5689NL#01 is op 28 juli 2014 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Hierbij is, naast de in tabel 1 vermeld staande match met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAHE5652NL#01 (onbekende man B) uit deze zaak, een match gevonden met DNA-profielen van twee sporen uit andere zaken. Deze matchende DNA-profielen zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 29323. Dit betekent dat (een deel van) het celmateriaal in de bemonsteringen in DNA-profielcluster 29323 afkomstig kan zijn van dezelfde onbekende persoon. Voor de gegevens van de zaken en de berekenende frequentie of matchkans van de DNA-profielen in dit DNA-profielcluster, wordt verwezen naar DNA-profielcluster 29323.
(pagina 164)
Bijlage DNA-profielcluster 29145
NFI-zaaknummer: 2014.02.25.003
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een bemonstering (Douwe Egberts beker AAHE5650N)
DNA-identiteitszegel: AAHE5652NL#01
Delict: schietincident
Soort DNA-profiel: enkelvoudig
Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard
NFI-zaaknummer: 2014.02.25.003
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een bemonstering (Rivella fles AAHE5690NL)
DNA-identiteitszegel: AAHE5689NL#01
Delict: schietincident
Soort DNA-profiel: mengprofiel
Matchkans DNA-profiel: niet berekend
(pagina 165)
NFI-zaaknummer: 2014.06.27.072
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een peuk
DNA-identiteitszegel: AAHE5669NL#01
Soort DNA-profiel: enkelvoudig
Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.
29. Een geschrift, te weten een brief van Bundeskriminalamt d.d. 25 september 2014, bijgevoegd onder bijlage 13.2, pagina’s 270-271 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 270)
Das DNA-Muster K091416900350 (identisch mit der Spur K091417700824) ist gespeichert für: [medeverdachte 1] , geboren 16.01.1990.
(pagina 271)
Am 10.07.2014 hatten wir die Niederlande auf den Treffer des DNA-Datensatzes K091416900350 ( [medeverdachte 1] ) mit der dortigen Spur NL-S-AAHE5669NL#01 hingewiesen.
30. Een rapport d.d. 10 oktober 2014 van het NFI, betreffende ‘DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde’, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, NFI-deskundige forensische pathologie, bijlage 6.1, pagina’s 103-106 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 103)
Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAY7269NL van de veroordeelde [verdachte] is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster is een DNA-profiel verkregen dat op 12 september 2014 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn tot op heden drie matches gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het NFI geregistreerd onder DNA-profielcluster 29323. Voor de gegevens van deze zaken wordt verwezen naar DNA-profielcluster 29323 in de bijlage.
(pagina 105)
Bijlage DNA-profielcluster 29323
NFI-zaaknummer: 2013.09.05.054
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een referentiemonster wangslijmvlies
DNA-identiteitszegel: RAAY7269NL
Soort DNA-profiel: enkelvoudig
Datum opname DNA-datumbank 12 september 2014
NFI-zaaknummer 2014.02.25.003
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een bemonstering
DNA-identiteitszegel: AAHE5689NL#01
Delict: schietincident met dodelijke afloop
Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.
(pagina 106)
NFI-zaaknummer 2014.02.25.003
Omschrijving onderzoeksmateriaal: handschoen
DNA-identiteitszegel: AAHE5664NL#01
Delict: doodslag
Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.
31. Een rapport d.d. 10 oktober 2014 van het NFI, betreffende ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop in [plaats 5] op 22 februari 2014’, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, NFI-deskundige forensische pathologie, bijlage 10.12, pagina’s 173-175 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 73)
Onderzoek naar biologische sporen
Jas AAGZ1860NL
De binnenkant van de kraag van de jas is bemonsterd, gericht op celmateriaal van de drager(s) van de jas Deze bemonstering is als AAGZ1860NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Handschoen AAHE5664NL
De binnenkant van de handschoen is bemonsterd, gericht op celmateriaal van de drager(s) van de handschoen. Deze bemonstering is als AAHE5664NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
De bemonsteringen AAGZ1860NL#01 en AAHE5664NL#01 zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.
(pagina 74)
De volgende DNA-profielen zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek:
- (…)
- DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAHE5652NL#01 (Douwe Egberts beker AAHE5650NL voor linker voorstoel, gekoppeld aan onbekende man B),
- (…)
Tabel 1: Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
|
SIN |
Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van |
Matchkans DNA-profiel |
|
AAGZ1860NL#01 (binnenkant kraag jas) |
DNA-profiel van een man Onbekende man B |
Kleiner dan één op één miljard |
|
AAHE5664NL#01 (binnenkant handschoen) |
DNA-profiel van een man [verdachte] (zie DNA-databank) |
Kleiner dan één op één miljard |
|
AAHE5689#01 (bemonstering van een fles AAHE5690NL) |
DNA-mengprofiel van twee personen [verdachte] en onbekende man B |
Kleiner dan één op één miljard |
32. Een rapport d.d. 28 oktober 2014 van het NFI, betreffende ‘Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats 5] op 22 februari 2014’, opgemaakt door ing. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige schotrestenonderzoek, bijlage 10.15, pagina’s 183-192 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 185)
1. Te onderzoeken materiaal
AAGX7653NL (munitie, huls)
AAHE5664NL (handschoen, op zitting stoel rechtsvoor)
(pagina 186)
Vraagstelling
(…)
Kan een relatie worden aangetoond tussen de bemonsterde delen van de handschoen en een schietproces?
(pagina 187)
De buitenzijde van de handschoen AAHE5664NL is bemonsterd met stubs. De stubs waarmee de handschoen is bemonsterd, zijn onderzocht met een elektronenmicroscoop. Hiermee kan informatie worden verkregen over de afmeting, vorm, morfologie en elementssamenstelling van deeltjes.
Uit de huls AAGX7653NL zijn schotresten veiliggesteld. Voor nader onderzoek is een deel van de veiliggestelde schotresten uit de huls overgebracht op een stub. De stub is onderzocht met een elektronenmicroscoop.
(pagina 189)
Resultaten
Op de stubs waarmee de buitenzijde van de handschoen AAHE5664NL is bemonsterd, zijn met de elektronenmicroscoop deeltjes met verschillende elementssamenstellingen aangetroffen.
(pagina 190)
Op de stub waarop veiliggestelde schotresten uit de huls AAGX7653NL zijn overgebracht, zijn met de elektronenmicroscoop loodhoudende categorie A- en B-deeltjes aangetroffen.
Interpretatie resultaten
Bij het afvuren van een patroon met een vuurwapen komen schotresten vrij. Het aantal schotresten dat vrijkomt is afhankelijk van onder andere de combinatie van de gebruikte munitie en het gebruikte vuurwapen en varieert van nul tot duizenden
deeltjes. Deze schotresten kunnen direct of na verloop van enige tijd terechtkomen
op onder andere de handen of kleding van de schutter, de beschoten persoon of
voorwerp en andere personen of voorwerpen in en nabij de schootsbaan.
Naast deze primaire overdracht kunnen schotresten die aanwezig zijn op een
persoon of voorwerp overgedragen worden op andere personen of voorwerpen
doordat deze met elkaar in contact komen, de zogenaamde secundaire overdracht.
Er worden twee categorieën anorganische schotrestdeeltjes onderscheiden:
categorie A- en categorie B-deeltjes. Alleen deeltjes die geen zichtbaar kristallijne
structuren vertonen worden meegenomen voor het bepalen van de conclusie.
Categorie A
Dit zijn deeltjes met een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes. Deeltjes uit deze categorie zijn vrij zeldzaam in de natuur. Op blanco’s (bemonsteringen van personen die voor zo ver bekend is niets te maken hebben met een schietproces) zijn binnen Nederland tot op heden geen deeltjes uit deze categorie aangetroffen. De bewijswaarde van deze deeltjes is daarom groot.
(pagina 191)
Categorie B
Dit zijn deeltjes met een elementsamenstelling die overeenkomsten vertoont met die van schotrestdeeltjes. In deze categorie is de kans dat de deeltjes een andere bron van herkomst hebben dan een schietproces groter dan bij deeltjes uit categorie A. De elementsamenstelling van deze deeltjes is algemeen van aard. Dit type deeltjes wordt met enige regelmaat aangetroffen op bemonsteringen van personen die voor zover bekend is niets te maken hebben met een schietproces. De bewijswaarde
van deze deeltjes is gering.
Het aantal deeltjes dat aangetroffen wordt op de stubs waarmee de bemonstering van een kledingstuk of een voorwerp is uitgevoerd, is onder andere afhankelijk van
de manier van bemonsteren en van de handelingen met het kledingstuk of voorwerp
tussen het moment dat de deeltjes op het kledingstuk of voorwerp terecht zijn
gekomen en het moment van bemonsteren.
Op basis van de aangetroffen deeltjes op de stubs wordt een uitspraak gedaan over
de mate waarin een relatie wordt aangetoond4 met een schietproces.
Handschoen
Op de stubs waarmee de buitenzijde van de handschoen [AAHE5664NL] is
bemonsterd, zijn circa 2500 categorie A-deeltjes aangetroffen.
Met het aantreffen van categorie A-deeltjes wordt een vrijwel zekere
relatie aangetoond met een schietproces.
Op de stubs zijn eveneens circa 150 categorie B-deeltjes aangetroffen. De
aanwezigheid van deze deeltjes past bij de eerder genoemde bevinding.
(pagina 192)
7. Conclusie
(…)
Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde
delen van de handschoen [AAHE5664NL] en een schietproces.
33. Een rapport d.d. 26 maart 2015 van het NFI, betreffende ‘Beantwoording vragen en aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats 5] op 22 februari 2014’, opgemaakt door ing. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige schotrestenonderzoek, bijlage 10.16, pagina’s 193-204 van het afzonderlijk opgemaakte Unit Forensisch Technisch Onderzoek, voor zover inhoudende:
(pagina 198)
Er is een vergelijkend schotrestenonderzoek uitgevoerd tussen de aangetroffen deeltjes op de [mouwen van de jas AAGZ1860NL], de deeltjes op de handschoen AAHE5664NL en de deeltjes op de huls AAGX7653NL. Bij het vergelijkend schotrestenonderzoek zijn de kenmerken van de verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen op [mouwen van de jas], de handschoen en de huls met elkaar vergeleken. Het vergelijkend schotrestenonderzoek wordt beschouwd aan de hand van twee sets hypothesen, waarbij een uitspraak wordt gedaan over de waarschijnlijkheid van de bevindingen in het licht van de hypothesen.
(pagina 201)
Hypothesen
Het vergelijkend schotrestenonderzoek wordt beschouwd aan de hand van twee sets
hypothesen. Aan de hand van deze hypothesen wordt een uitspraak gedaan over de
waarschijnlijkheid van de bevindingen. Op basis van de vraagstelling zijn de
volgende hypothesen geformuleerd:
Hypothese H1: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de
handschoen [AAHE5664NL] hebben dezelfde bron van herkomst als de deeltjes die zijn aangetroffen op de schotrestenbemonstering van de huls [AAGX7653NL].
Hypothese H2: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de
handschoen [AAHE5664NL] hebben een andere bron van herkomst dan de deeltjes die zijn aangetroffen op de schotrestenbemonstering van de huls [AAGX7653NL].
(pagina 202)
Vergelijking handschoen – huls
De bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese H1 juist is, dan wanneer hypothese H2 juist is.
(pagina 203)
Op de onderzochte delen van de stubs waarmee de handschoen is bemonsterd, zijn circa 2500 categorie A deeltjes en circa 150 categorie B deeltjes aangetroffen. Deze bevindingen passen beter bij een primaire overdracht (door zelf schieten of zich dichtbij het vuurwapen bevinden tijdens het schieten) dan bij een secundaire overdracht (aanraken van een met schotresten besmet voorwerp).
ARS-gegevens met betrekking tot de Renault Scénic
34. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 september 2014, dossierpagina’s 5429-5430, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5429)
Uit onderzoek is vast komen te staan dat de personenauto van het merk Renault, voorzien van het Kroatische kenteken [kenteken 1] , in gebruik is bij de verdachte [medeverdachte 1] . Teneinde de verkeersbewegingen van voornoemd voertuig vast te kunnen stellen, werden middels vordering van de officier van justitie bij ARS Traffic and Transport Technology alle geregistreerde verplaatsingen van voornoemd voertuig opgevraagd over de periode van 1 september 2013 tot en met 28 februari 2014.
Uit de gegevens blijkt dat van genoemd voertuig gedurende de opgevraagde periode 20 verplaatsingen werden geregistreerd, welke uitsluitend plaatsvonden op 21 en 22 februari 2014.
(dossierpagina 5430)
Vrijdag 21 februari 2014
uur N59 t.h.v. Oude Tonge;
uur Rijksweg (N59) nabij splitsing met N257, zuidelijke rijrichting ri. Bruinisse;
uur Rijksweg (N59) ten westen van Bruinisse, westelijke rijrichting ri. Nieuwerkerk/ Zierikzee ;
uur Rijksweg (N59), t.h.v. Oosterland, westelijke rijrichting ri. Nieuwerkerk/ Zierikzee ;
uur N59 ten zuiden van Nieuwerkerk, westelijke rijrichting ri. Zierikzee ;
uur N59 ten noordoosten van Zierikzee
uur Nieuwe Koolweg (N59) ten noorden van Zierikzee ;
uur Nieuwe Koolweg (N59) ten noorden van Zierikzee ;
uur Nieuwe Koolweg (N59) ten noorden van Zierikzee ;
uur N59 ten noordoosten van Zierikzee ;
uur Nieuwe Koolweg (N59) ten noorden van Zierikzee ;
uur N59 ten noorden van Zierikzee ;
uur N59 ten zuiden van Nieuwerkerk, oostelijke rijrichting ri. Bruinisse;
uur Rijksweg (N59), t.h.v. Oosterland, oostelijke rijrichting ri. Bruinisse;
uur Halsterseweg (N259) Steenbergen richting autosnelweg A4, zuidelijke rijrichting ri Bergen op Zoom ;
uur Halsterseweg (N259) Steenbergen richting autosnelweg A4, zuidelijke rijrichting ri Bergen op Zoom .
Onderzoek naar identificatie verdachten
35. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2014, dossierpagina’s 3096-3098, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 27] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 3096)
Op 10 juni 2014 heb ik naar aanleiding van het verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 4 juni 2014 een onderzoek ingesteld naar de identiteit van een persoon genaamd [medeverdachte 3] . Goren [medeverdachte 1] verklaarde dat [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij een schietpartij. Twee klanten kwamen bij hem drugs kopen maar deze deal ging verkeerd en deze personen begonnen te schieten. In de politiesystemen heb ik gezocht op de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ en ‘schieten’. Deze zoekvraag leverde de registratie PL1900 2012014650 uit de Basis Voorziening Handhaving op. In deze registratie komt [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (voormalig Joegoslavië) voor als verdachte/betrokkene. Op 27 februari 2012 komt er een melding binnen dat er geschoten zou zijn in het pand Markt 15 te Middelburg. In het pand worden twee magazijnhouders van een vuurwapen en enkele patronen aangetroffen. Uit deze registratie blijkt dat [medeverdachte 3] ook daadwerkelijk in dit pand aanwezig was.
(dossierpagina 3097)
[medeverdachte 1] verklaarde dat [medeverdachte 3] kleine kinderen heeft. Hij denkt dat de ene 2 jaar is en de andere 6 jaar. Het betreft een zoon en een dochter. Uit de GBA bleek dat [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (voormalig Joegoslavië) staat ingeschreven aan de [adres 6] te [plaats 2] . Vanaf 10 juni 2003 is hij gehuwd met [naam 3] .
Zoon: [naam 4] (2006),
Dochter: [naam 5] (2009),
Zoon: [naam 6] (2011),
Allen ingeschreven te [adres 6] te [plaats 2] .
Uit Google Maps blijkt dat de afstand tussen [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] en [adres 6] te [plaats 2] circa 50 kilometer is. Om hier te komen moet men over een brug, namelijk de Zeelandbrug (Oosterscheldebrug).
Uit de Rijksdienst Wegverkeer blijkt dat [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (voormalig Joegoslavië) sinds 9 april 2011 een blauwe Audi A4 voorzien van kenteken [kenteken 3] op zijn naam heeft staan.
36. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 oktober 2014, dossierpagina’s 3099-3100, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 18] en [verbalisant 19] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 3099)
Op 7 oktober 2014 omstreeks 5.18 uur hielden wij op de locatie [adres 6] te [plaats 2] als verdachte aan: [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (voormalig Joegoslavië).
37. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2014, dossierpagina’s 2624-2625, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 27] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2624)
Op 30 mei 2014 verklaarde [medeverdachte 1] dat hij op enig moment naar Nederland was gereden. Hij moest zijn auto parkeren aan de [adres 2] te [plaats 1] en te voet naar de woning van [medeverdachte 2] lopen. Door IRC Zuid werd een bevraging meegezonden betreffende:
[medeverdachte 2]
Geboren op 22 december 1979 te [geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië)
Wonende te [plaats 1] .
Naar aanleiding van deze gegevens werd door mij op 10 juni 2014 een onderzoek ingesteld in de politiesystemen naar voornoemde [medeverdachte 2] .
Uit de GBA blijkt dat [medeverdachte 2] , geboren op 22 december 1979 te [geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië) sinds 10 oktober 2011 staat ingeschreven op het adres [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] . Vanaf 1 mei 1997 tot en met 10 oktober 2011 heeft hij ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] 8 te [plaats 1] .
(dossierpagina 2625)
Uit Google Maps blijkt dat de afstand tussen de [adres medeverdachte 2] en de [adres 2] 8, 210 meter is.
In Rijksdienst voor Wegverkeer blijkt dat [medeverdachte 2] een Volkswagen Passat voorzien van kenteken [kenteken 4] op naam heeft staan.
38. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 oktober 2014, dossierpagina’s 2626-2627, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 20] en [verbalisant 21] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2626)
Op 7 oktober 2014 omstreeks 5.00 uur hielden wij op de locatie [adres 7] te [plaats 1] als verdachte aan [medeverdachte 2] , geboren op 22 december 1979 te [geboorteplaats 1] (voormalig Joegoslavië).
39. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2014, dossierpagina 2478, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 13] , voor zover inhoudende:
Gedurende het onderzoek TGO Hainichen werd bekend dat een betrokkene in het onderzoek de naam [verdachte] droeg en vermoedelijk van niet-Nederlandse nationaliteit was. Door mij, werkzaam bij de Vreemdelingenpolitie van de Politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, is een onderzoek ingesteld in de Politie Suite Handhaving Vreemdelingen, waar ik toegang tot heb. In de database PSHV worden vreemdelingen opgesomd. Door mij werd een nader onderzoek ingesteld naar de naam [verdachte] en achtereenvolgens de geboortejaren 1974 tot en met 1984 in PSHV. Verder werd als zoekvraag mannelijk, en als geboorteland Bosnië-Herzegovina ingevoerd. Er ontstond een lijst met 81 personen. Die lijst stelde ik beschikbaar aan [verbalisant 22] , informatiecoördinator behorend bij het onderzoekend politieteam.
40. Een proces-verbaal van bevindingen identificatie vanuit politieregisters d.d. 16 juli 2014, dossierpagina’s 2479-2481, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 22] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2479)
Op 15 juli 2014 was ik belast met de verificatie van een lijst met 81 personen, geboren in de jaren 1974 tot en met 1984, met de voornaam [verdachte] , van mannelijk geslacht en geboren in Bosnië-Herzegovina.
Ik ben vervolgens bij nummer 1 op de lijst begonnen. Ik verifieerde nummer 67 op de lijst: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 te Bosnië-Herzegovina. Bij de verificatie van deze persoon in de Strafrechtketendatabank (SKDB) kreeg ik een match op deze persoon.
(dossierpagina 2480)
In SKDB was de volgende foto bijgesloten. Als informatiecoördinator in het onderzoek Hainichen heb ik ambtshalve kennisgenomen van onderstaande foto, waarover [medeverdachte 1] verklaarde dat dit NN16 [verdachte] betrof (het hof: het betreft dezelfde foto als de foto op dossierpagina 2146, bijlage C van het verhoor van 11 juni 2014).
Toen ik beide foto’s met elkaar vergeleek, zag ik dat deze zeer veel gelijkenis vertoonden en vermoedde ik dat het hier dezelfde persoon betrof. Ik zag dit met name in de vergelijking van het gelaat, de haarlijn, haarkleur, wenkbrauwen, neus, vorm van de mond en het rechteroor.
41. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 oktober 2014, dossierpagina’s 2485-2486, betreffende het relaas van verbalisanten [verbalisant 23] en [verbalisant 24] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2485)
Op 7 oktober 2014 hielden wij op de locatie [adres 8] te Zoetermeer als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] (Joegoslavië).
Telefoongegevens
42. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2015, dossierpagina’s 6179-6185, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 25] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 6179)
Op 7 oktober 2014 werd [medeverdachte 2] , geboren op 22 december 1979, aangehouden. Bij hem werd een iPhone 5 voorzien van IMEI-nummer 01355600749515 in beslag genomen. Deze werd door de digitale recherche onderzocht. Uit de contacten en berichten in de iPhone bleek dat [medeverdachte 2] de gebruiker was. De WhatsApp accountnaam was [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] @s.whatsapp.net met naam [medeverdachte 2] .
(dossierpagina 6185)
Het telefoonnummer [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] was in gebruik bij [medeverdachte 2] en zat in de iPhone.
43. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2014, met bijlagen, dossierpagina’s 5488-5545, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 25] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5488)
Op 2 april 2014 werd [medeverdachte 1] door de Duitse politie aangehouden ter zake van een vermogens- en opiumdelict. Tijdens zijn detentie verklaarde hij aan de Duitse politie dat hij betrokken was bij de moord van [slachtoffer] . Op basis van rechtshulpverzoek KLR-U-2014024386, gericht aan Duitsland, werden de gegevens van de mobiele telefoons van [medeverdachte 1] aan Nederland aangeleverd. Ik ontving de bestanden van drie mobiele telefoons welke bij [medeverdachte 1] aangetroffen waren, namelijk een Nokia 100, een Sony C1505 en een Nokia 220. Door de tolk werden de sms-berichten die in de Bosnische taal waren geschreven vertaald. Tevens vertaalde hij de namen in de contactlijsten. De sms-bestanden zijn als bijlagen onderdeel van dit proces-verbaal (het hof: dossierpagina’s 5493-5545).
(dossierpagina 5489)
Nokia 100
Op 22 februari 2014 te 22.36 uur ontving de telefoon een sms-bericht met daarin informatie over datagebruik in België. Dit betekende dat de telefoon op een bepaald moment gebruik had gemaakt van het Belgische telefoonnetwerk.
Na 26 februari 2014 waren er geen in- en uitgaande oproepen of sms-berichten meer.
Contact [voornaam medeverdachte 5] , geregistreerd met telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 5]
Contact [naam 1] , geregistreerd met telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 5]
Op basis van de telefoonlijsten viel het op dat er op 25 februari 2014 naar contact [voornaam medeverdachte 5] werd gebeld. Nadat er geen contact was geweest werd er 21 seconden later naar contact [naam 1] gebeld. Op basis hiervan kan het mogelijk zijn dat contacten [voornaam medeverdachte 5] en [naam 1] dezelfde persoon is.
Contact Celavi, geregistreerd met telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte]
[medeverdachte 1] verklaarde dat Celavi ‘kaal’ betekende en dat hij hiermee [verdachte] bedoelde. Op 25 en 26 februari 2014 werden er meerdere berichten over en weer gestuurd. (dossierpagina 5490) Op 26 februari 2014 werd er een sms-bericht ontvangen waarin het adres van een bergingsbedrijf stond waar de politie Antwerpen de in beslag genomen voertuigen stalt. Het sms-bericht werd ondertekend met de naam [medeverdachte 2] .
(dossierpagina 5490)
De gebruiker van de telefoon noemde zich in meerdere verzonden sms-berichten [medeverdachte 1] .
Contact [bijnaam medeverdachte 4] , geregistreerd met telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] verklaarde dat hij [medeverdachte 4] onder de naam [bijnaam medeverdachte 4] in zijn telefoon had staan. Contact [naam 7] verstuurde het telefoonnummer van [medeverdachte 4] via een sms-bericht naar [medeverdachte 1] . Hierna stuurde [medeverdachte 1] een sms-bericht naar [medeverdachte 4] .
Nokia 220
Op basis van een analyse van de sms-berichten werd duidelijk dat de telefoon in ieder geval tot en met 28 januari 2014 door [medeverdachte 4] gebruikt werd. Door de Duitse politie werd de telefoon aan [medeverdachte 4] toegeschreven. Uit de berichten bleek dat de gebruiker van de telefoon (het hof begrijpt blijkens dossierpagina’s 5524-5525: met telefoonnummer + [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] ) op 29 april door meerdere tegennummers gefeliciteerd werd. [medeverdachte 4] werd op 29 april geboren. In een van deze berichten werden de felicitaties gericht aan ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ (dossierpagina 5525).
(dossierpagina 5491)
Contact Celo/Celavi, geregistreerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte]
Het telefoonnummer bleek hetzelfde te zijn als contact Celavi uit de Nokia 100 van [medeverdachte 1] . Op 20 februari 2014 stuurde [verdachte] het adres [adres 2] te [plaats 1] naar [medeverdachte 1] , met daarin de opmerking dat [medeverdachte 1] achter het huis moest parkeren en dat [verdachte] hem zou ophalen.
Contact [voornaam medeverdachte 5] , geregistreerd met telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 5]
44. Een proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte 3] d.d. 7 juli 2014, met bijlage, dossierpagina’s 9255-9257, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 26] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 9255)
Uit een CIOT bevraging blijkt dat op het GBA-adres van [medeverdachte 3] het gsm-nummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] is afgegeven.
(dossierpagina 9256)
Hierop werd in het kader van het onderzoek TGO Hainichen in gevolge artikel 126m van het Wetboek van Strafrecht, telecommunicatie gevoerd middels de telefoonaansluitingen [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] opgenomen en afgeluisterd. Bij het beluisteren van de in- en uitgaande gesprekken over deze lijn blijkt dat het nummer voornamelijk wordt gebruikt door een man, welke de Albanese, Bosnische, Servo-Kroatische en Nederlandse taal spreekt.
Door mij werd op deze lijn een inkomend gesprek beluisterd van 3 juli 2014, vastgelegd onder het sessienummer 348. Dit gesprek werd gevoerd in de Nederlandse taal. Door de man die de inkomende oproep aannam werd gezegd: “Goedemiddag met [medeverdachte 3] ”. De beller vroeg om postcode en huisnummer. Hierop zei [medeverdachte 3] : [postcode] , [huisnummer] . De beller vroeg hierop: “ [medeverdachte 3] ”. [medeverdachte 3] zei: “klopt.”.
Opmerking verbalisant: de uitdraai van het betreffende tapgesprek is als bijlage hierbij gevoegd.
De in het gesprek door [medeverdachte 3] opgegeven postcode 4384AR en het huisnummer corresponderen met het GBA-adres van de verdachte [medeverdachte 3] , [adres 6] te [plaats 2] .
45. Een proces-verbaal gebruiker [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] d.d. 19 augustus 2014, met bijlagen, dossierpagina’s 9262-9267, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 9262)
Binnen onderzoek Hainichen zijn historische verkeersgegevens gevorderd van telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] over de periode 14 juli 2013 tot en met 14 juli 2014. Er zijn contacten geregistreerd van dit nummer in de periode tussen 12 september 2013 en 18 april 2014.
Vanuit de historische verkeersgegevens bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] gedurende de gevorderde periode gebruik maakte van twee telefoons voorzien van de IMEI-nummers [IMEI-nummer] en [IMEI-nummer] . De historische verkeersgegevens van bovengenoemde IMEI-nummers zijn gevorderd over de periode van 24 juli 2013 tot en met 24 juli 2014.
Telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] en ARS-gegevens [medeverdachte 3]
Binnen het onderzoek zijn de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] over de periode van 23 juni 2013 tot en met 23 juni 2014. Dit telefoonnummer staat bij het CIOT geregistreerd op naam van [medeverdachte 3] , [adres 6] te [plaats 2] .
Binnen het onderzoek zijn de ARS-gegevens van de auto in gebruik bij [medeverdachte 3] , voorzien van het kenteken [kenteken 3] gevorderd over de periode 01 september 2013 tot en met 28 februari 2014.
Vergelijking verkeersgegevens [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] met telefoonnummer van [medeverdachte 3]
Door mij zijn de historische verkeersgegevens van [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] vergeleken met de historische verkeersgegevens van [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] . Hierbij keek ik naar de zendmast locatiegegevens van geregistreerde contacten van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en geregistreerde contacten van [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] , waarbij er maximaal 10 minuten tijdsverschil zit tussen het moment van contact op [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en het contact op [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] . Dit in de periode tussen 19 januari 2014 en 10 maart 2014.
(dossierpagina 9263)
In deze periode zijn er 35 gevallen waarin het geregistreerde contact van de ene telefoon binnen 10 minuten van het geregistreerde contact van de andere telefoon ligt, een zogenoemd contactpaar.
Bij alle 35 contactparen liggen de aangestraalde zendmastlocaties in de zeer nabije omgeving van elkaar. Zie hiervoor bijgevoegde tabel 1 (dossierpagina’s 9265-9266).
De telefonische contacten van [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] zijn vergeleken met contacten van andere telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 3] . Hieruit blijkt:
Vergelijking telecomcontacten
Contact met [naam 3]
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] heeft in de gevorderde periode 66 contacten met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Telefoonnummer [telefoonnummer 1] is in gebruik bij [naam 3] , de vrouw van [medeverdachte 3] .
Op 20 februari 2014 om 17:34:30 uur ontvangt [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] een sms van [telefoonnummer 1] ( [naam 3] ), om 17:36:45 uur belt [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] , op naam van [medeverdachte 3] , naar [telefoonnummer 1] ( [naam 3] ).
Vergelijking verkeersgegevens [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en ARS-gegevens
Door mij zijn de historische verkeersgegevens van [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] vergeleken met de historische ARS-gegevens van het kenteken [kenteken 3] , in gebruik bij [medeverdachte 3] . Hierbij keek ik naar de zendmast locatiegegevens van geregistreerde contacten van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en de geregistreerde passage van het kenteken [kenteken 3] , waarbij er maximaal 10 minuten tijdsverschil zit tussen het moment van contact op [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en het moment van de kentekenregistratie.
In de periode 21 januari 2014 tot en met 24 februari 2014 komen er 10 gevallen voor waarin een geregistreerd contact op [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en een passage van kenteken [kenteken 3] binnen 10 minuten van elkaar geregistreerd zijn. Zie tabel 2.
(dossierpagina 9267)
Bij alle 10 paren ligt de locatie van de aangestraalde zendmast in de nabije locatie van de ARS-registratie.
46. Een proces-verbaal telecom, dossierpagina’s 5699-5709, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5699)
Tijdens het onderzoek TGO Hainichen werden door de officier van justitie historische verkeersgegevens gevorderd van telefonische contacten. Middels rechtshulp zijn er verkeersgegevens gevraagd van de telefonische contacten van telefoonnummers en/of IMEI-nummers dan wel zendmastgegevens van buitenlandse providers. Binnen onderzoek Hainichen zijn onder meer van de volgende telefoonnummers de historische verkeersgegevens gevorderd.
(dossierpagina 5700)
|
Gebruiker |
Telefoonnummer/IMEI-nummer |
Gevorderde periode |
|
[medeverdachte 1] |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 1] |
15-07-2013 t/m 15-07-2014 |
|
[medeverdachte 1] |
[telefoonnummer 2 medeverdachte 1] |
28-07-2013 t/m 28-07-2014 |
|
[verdachte] |
[telefoonnummer 1 verdachte] |
20-06-2013 t/m 20-06-2014 |
|
[verdachte] |
[IMEI-nummer] (IMEI) |
25-06-2013 t/m 25-06-2014 |
|
[medeverdachte 4] |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 4] |
02-07-2013 t/m 02-07-2014 |
|
[medeverdachte 4] |
[telefoonnummer 2 medeverdachte 4] |
02-07-2013 t/m 02-07-2014 |
|
[medeverdachte 5] |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 5] |
14-07-2013 t/m 14-07-2014 |
|
[medeverdachte 2] |
[vaste telefoonnummer medeverdachte 2] |
20-06-2013 t/m 20-06-2014 |
|
[medeverdachte 2] |
[mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
04-07-2013 t/m 04-07-2014 |
|
[medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
14-07-2013 t/m 14-07-2014 |
Vaststelling gebruiker telefoonnummer
[medeverdachte 1] : [telefoonnummer 2 medeverdachte 1]
Op 2 april 2014 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] door de Duitse politie aangehouden. De door hen met zich meegevoerde telefoons zijn door de Duitse politie in beslag genomen. Naar aanleiding van het door de Nederlandse politie gedane rechtshulpverzoek werden de uitkomsten van het uitlezen van de in beslag genomen telefoons van [medeverdachte 1] door de Duitse politie middels e-mail door het onderzoeksteam toegezonden. Uit de door de Duitse politie toegezonden bestanden blijkt dat bij de telefoons van [medeverdachte 1] de IMEI-nummers [IMEI-nummer] en [IMEI-nummer] horen. Uit analyse van de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer [IMEI-nummer] blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] van de telefoon met dit IMEI-nummer gebruik maakte.
[medeverdachte 1] : [telefoonnummer 1 medeverdachte 1]
Op 27 juni 2014 e-mailde de Duitse politie het onderzoeksteam dat [medeverdachte 1] verklaarde aan de Duitse politie dat hij het Duitse telefoonnummer + [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] gebruikte.
[verdachte] : [telefoonnummer 1 verdachte]
Op 11 juni 2014 verklaarde [medeverdachte 1] dat de persoon met wie hij in [plaats 5] was, [verdachte] genaamd, in zijn telefoons opgeslagen staat onder de naam Celavi, de bijnaam van [verdachte] .
Later blijkt de door [medeverdachte 1] genoemde [verdachte] , [verdachte] te zijn. [medeverdachte 1] bedoelde met zijn telefoons de door de Duitse politie onder hem in beslag genomen telefoons. Naar aanleiding van het door de Nederlandse politie gedane rechtshulpverzoek werden op 17 juni 2014 door de Duitse politie de uitkomsten van het uitlezen van de telefoons van [medeverdachte 1] middels e-mail naar het onderzoeksteam toegezonden.
(dossierpagina 5701)
In twee door de Duitse politie toegezonden bestanden stond onder de naam ‘Celavi’ het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte] opgeslagen. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte] is dus zeer waarschijnlijk in gebruik geweest bij [verdachte] .
[verdachte] : [telefoonnummer 2 verdachte]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte] maakte gebruik van telefoon voorzien van het [IMEI-nummer] . De historische verkeersgegevens van het [IMEI-nummer] zijn gevorderd. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat het Kroatische telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] in de gevorderde periode ook gebruik maakte van de telefoon voorzien van dit IMEI-nummer. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] is dus zeer waarschijnlijk in gebruik geweest bij [verdachte] .
[medeverdachte 4] : [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 4]
[medeverdachte 1] verklaarde dat het telefoonnummer van [medeverdachte 4] in het telefoongeheugen van zijn telefoons, welke in beslag zijn genomen door de Duitse politie, is opgeslagen onder de naam [bijnaam medeverdachte 4] , de bijnaam van [medeverdachte 4] .
Naar aanleiding van het door het door de Nederlandse politie gedane rechtshulpverzoek werden er op 17 juni 2014 door de Duitse politie de uitkomsten van het uitlezen van de telefoons van [medeverdachte 1] middels e-mail naar het onderzoeksteam toegezonden.
In de door de Duitse politie verstrekte gegevens stonden onder de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 4] ’ twee telefoonnummers opgeslagen: [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] .
[medeverdachte 5] : [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 5]
Uit de door de Duitse politie aangeleverde gegevens afkomstig van de telefoons van [medeverdachte 1] blijkt dat [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] opgeslagen staat onder de naam [naam 1] .
Op de bellijst van de telefoon van [medeverdachte 1] was te zien dat deze telefoon op 25 februari 2014 contact zocht met het telefoonnummer, opgeslagen onder de naam [voornaam medeverdachte 5] , hier kwam geen verbinding tot stand. 21 seconden later belde de telefoon van [medeverdachte 1] uit naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] opgeslagen onder de naam [naam 1] .
Uit de door de Duitse politie aangeleverde gegevens afkomstig van de telefoons van [medeverdachte 1] blijkt dat onder de naam [voornaam medeverdachte 5] het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 5] stond opgeslagen.
(dossierpagina 5702)
[medeverdachte 2] : [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] en [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2]
Het telefoonnummer [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] staat bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek
Telecommunicatie geregistreerd op naam van [medeverdachte 2] op het adres [adres medeverdachte 2] , [plaats 1] . [medeverdachte 2] staat volgens de Gemeentelijke Basis Administratie ingeschreven op het adres [adres medeverdachte 2] , [plaats 1] .
Het telefoonnummer [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] is derhalve in gebruik bij [medeverdachte 2] , dan wel bij personen die bij hem thuis verbleven.
Er is een telecomtap aangesloten op het telefoonnummer [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] . Vanuit opgenomen gesprekken is gebleken dat de gebruiker van dit telefoonnummer [medeverdachte 2] is. Bron: proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte 2] (pv nr. 94).
[medeverdachte 3] : [telefoonnummer 2 medeverdachte 3]
Vanuit onder meer analyse van de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] en telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] (bij het CIOT geregistreerd op naam van [medeverdachte 3] , [adres 6] [plaats 2] en daadwerkelijk in gebruik bij [medeverdachte 3] ) is gebleken dat [medeverdachte 3] de gebruiker is
van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] .
[naam 2] [telefoonnummer 2]
Vanuit historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] blijkt dat dit telefoonnummer:
- 661 geregistreerde contacten heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] op naam van [naam 8] . Vanuit telefoontaps op nummers in gebruik bij [naam 2] blijkt dat hij vaak afspraken maakt met [naam 8] om haar te bezoeken.
(dossierpagina 5703)
- 441 geregistreerde contacten heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , in gebruik bij [naam 9] . [naam 9] is de partner (echtgenote) van [naam 2] .
- 274 geregistreerde contacten met telefoonnummer [telefoonnummer 5] , op naam van [naam 9] .
- (…)
-154 geregistreerde contacten met telefoonnummer [telefoonnummer 6] , in gebruik bij [naam 10] . Uit telefoontaps blijkt dat [naam 10] een goede vriendin is van [naam 2] , die voor hem zaken behartigt met betrekking tot zijn huis in [plaats 3] . [naam 10] is ook gemachtigd op de rekening van [naam 2] .
Vanuit bovenstaande is het zeer waarschijnlijk dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik was bij [naam 2] .
Telefonische contacten verdachten 20 – 23 februari 2014
Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 1] op 10 en 11 juni 2014 is er gekeken naar de telefonische contacten die verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben gehad op de dagen rondom de moord op [slachtoffer] .
20-21 februari 2014: aankomst [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] in Nederland – reis naar [plaats 1]
[medeverdachte 1] verklaarde dat hij op 20 februari 2014 samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in zijn auto naar de woning van [medeverdachte 2] is gegaan. Vanuit historische verkeersgegevens van de verdachten blijkt dat:
- Op 20 februari 2014 om 21.35 uur ontvangt [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) een sms-gericht van [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ). Uit de uitgelezen telefoon van [medeverdachte 1] blijkt de inhoud van dit sms-bericht te zijn (vertaald door tolk) “ [adres 2] , stad [plaats 1] , dat is de stad en het adres, achter het huis parkeren, dan pik ik je op”.
- Op 20 februari 2014 om 21.58 uur/21.59 uur ontvangen [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) sms-berichten van servicenummer 119. Hierbij stralen de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] de zendmast aan die gelegen is aan de Heymansstraat 9 te Venlo.
- Op 21 februari 2014 om 00.28 uur wordt [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) gebeld door [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ). Hierbij straalt de telefoon van [medeverdachte 1] de zendmast aan gelegen aan de Boslaan 1 te Gilze.
- Op 21 februari 2014 om 00.35 uur ontvangt [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) sms-berichten van een Duits servicenummer. Hierbij straalt zijn telefoon de zendmast aan gelegen aan de parkeerplaats Lage Aard aan de A58 te Molenschot.
(dossierpagina 5704)
De zendmasten Boslaan 1 te Gilze en Lage Aard aan de A58 Molenschot liggen 6 kilometer van elkaar vandaan.
Verblijf verdachten [plaats 1]
- [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) heeft op 22 februari 2014 twee contacten rond 8.48 uur en er zijn contacten om 21.14 uur, 21.16 uur, 21.18 uur en 21.59 uur. De telefoon waarvan [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) gebruik maakt, straalde bij al deze contacten de zendmast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan.
- [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) straalde bij zijn contacten op 21 februari 2014 tussen 01.52 uur en 11.34 uur zendmasten aan gelegen aan de Julianastraat 17 te [plaats 1] en de [zendmast 1] te [plaats 1] .
- Op 21 februari 2014 om 15.08 uur wordt [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) gebeld. Hierbij straalde de telefoon van [medeverdachte 1] de zendmast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan.
- [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) heeft in de periode van 4 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 166 contacten waarbij zijn telefoon de zendmast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aanstraalt. Ook bij contacten op de avond van 20 februari 2014 en op 21 februari 2014 tussen 00.28 uur en 13.43 uur straalt zijn telefoon deze mast aan.
- De telefoon waarvan [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) gebruik maakte, straalde op 21 februari 2014 bij contacten tussen 12.41 uur en 18.47 uur en op 22 februari 2014 tussen 11.01 uur en 11.52 uur en tussen 18.05 uur en 19.38 uur de mast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan.
De zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] is de zendmast die de telefoons van [medeverdachte 2] het meest aanstralen. Deze ligt in de directe nabijheid van zijn woning aan de [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] .
Telefoons verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] rondom plaats delict te [plaats 5]
- Op 21 februari 2014 om 21.11 uur ontving [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) sms-berichten van 119 (een servicenummer van KPN). Hierbij straalde zijn telefoon de zendmast gelegen aan de Oudebaan 61A te Essen aan.
- Op 21 februari 2014 om 23.05 uur straalde de telefoon van [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) de zendmast Oudebaan 61A te Essen aan.
- Op 22 februari 2014 om 06.27 uur ontving [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) sms-berichten van 119. Hierbij straalde [medeverdachte 1] de zendmast aan gelegen aan het [adres 12] te [plaats 5] .
- Op 22 februari 2014 om 21.27 uur ontving [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) sms-berichten van 119. Hierbij straalde zijn telefoon de zendmast Oudebaan 61A te Essen aan.
- Op 22 februari 2014 om 21.35 uur straalde [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) de zendmast gelegen aan de Oudebaan 61A te Essen aan.
(dossierpagina 5705)
- Op 22 februari 2014 om 21.14 uur belde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ). Bij dit contact straalde de telefoon van [verdachte] de zendmast gelegen aan de Weg naar Wouw te [plaats 5] aan. Dit contact duurt 8 seconden.
Op 21.16.22 uur en 21.18.56 uur stuurde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) sms-berichten naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ). 1 seconde na beide berichten is een sms-contact geregistreerd met de sms-centrale van KPN. Bij deze contacten straalde de telefoon van [verdachte] de zendmast gelegen aan de Dorpsstraat 59 te Nispen aan. De telefoon waar [medeverdachte 5] gebruik van maakte, straalde bij dit contact de zendmast gelegen aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan. Direct nadat [verdachte] naar [medeverdachte 5] had gebeld, belde [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] (huislijn [medeverdachte 2] ) naar [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ).
Telefoontjes van [medeverdachte 2] op 23 februari 2014
[medeverdachte 1] verklaarde dat [medeverdachte 2] drie belangrijke telefoontjes pleegde toen hij in het café te Antwerpen was.
Het blijkt dat [medeverdachte 2] ( [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ) op 23 februari 2014 tussen 11.14 uur en 14.34 uur veelvuldig contact had met [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ). [medeverdachte 2] belde drie keer naar [medeverdachte 3] en [medeverdachte 3] belde zeven keer naar [medeverdachte 2] . Ook zijn er enkele sms’jes tussen hen verstuurd in deze periode.
Naast de contacten met [medeverdachte 3] had [medeverdachte 2] ( [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ) met slechts één ander telefonisch contact, dit was met telefoonnummer [telefoonnummer 7] , welk nummer in gebruik was bij zijn vader.
De telefoon van [medeverdachte 2] straalde bij al deze contacten (op één na) de zendmast gelegen aan de [zendmast 2] te Antwerpen aan. De andere zendmast die de telefoon van [medeverdachte 2] aanstraalde, is de [zendmast 3] te Antwerpen. Deze zendmasten liggen hemelsbreed op 200 meter van elkaar vandaan.
Contacten van [medeverdachte 3] op 23 februari 2014
Op 23 februari 2014 tussen 09.26 uur en 17.15 uur heeft [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] zestien contacten met [medeverdachte 2] ( [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ).
De telefoon van [medeverdachte 3] straalde bij de contacten om 09.26 uur en 09.37 uur een zendmast aan in [plaats 2] . Daarna straalde hij bij contacten om 9.56 uur en 10.11 uur zendmasten aan in Goes. Bij contacten tussen 11.14 uur en 12.58 uur straalde de telefoon van [medeverdachte 3] zendmasten aan in [plaats 3] .
Om 14.34 uur stuurde [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) een sms-bericht naar [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ), waarbij de telefoon van [medeverdachte 3] de mast aanstraalde gelegen aan Straatsburgdok Noordkaai te Merksem (België). Bij contacten tussen 17.15 uur en 21.56 uur straalde de telefoon van [medeverdachte 3] masten aan in België.
(dossierpagina 5706)
Andere contacten tussen verdachten onderling op 22 en 23 februari 2014
Op 22 februari 2014 om 08.48 uur stuurde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) een sms-bericht naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ). Om 23.03 uur en op 23 februari 2014 om 00.15 uur belde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ). Bij deze contacten straalde de telefoon van [verdachte] de zendmast aan gelegen aan [adres 9] en [adres 10] , Antwerpen (België) aan.
Op 23 februari 2014 om 00.18 uur en om 07.55 uur belde [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] (huislijn [medeverdachte 2] ) uit naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ). Hier kwam geen verbinding tot stand.
Op 23 februari 2014 om 10.31 uur maakte [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) contact met de zendmast gelegen aan de [zendmast 6] te Antwerpen.
[verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] rond de [adres café] te Antwerpen op 23 februari 2014
[medeverdachte 1] verklaarde dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , hij en later nog [medeverdachte 3] zijn samengekomen in een café in Antwerpen. Dit café blijkt café [café] te zijn, gelegen aan de [adres café] , Antwerpen. Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat:
- Om 09:22 uur belde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ), deze oproep duurde 8 seconden. Om 09:29 uur belde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) naar [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ), deze oproep duurde 25 seconden. Bij deze oproepen straalde de telefoon van [verdachte] aan op zendmasten gelegen aan [zendmast 2]
Antwerpen en [zendmast 3] Antwerpen.
- [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) had op 23 februari 2014 om 09.44 uur een contact waarbij zijn telefoon de zendmast gelegen aan de [straat 1] te Antwerpen aanstraalde.
- De telefoon van [medeverdachte 2] ( [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ) straalde bij contacten tussen 11.14 uur en 14.34 uur de zendmasten gelegen aan de [zendmast 2] te Antwerpen en aan de [zendmast 3] te Antwerpen aan.
- De telefoon van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ) straalde bij een contact om 17.19 uur de zendmast gelegen aan de [zendmast 3] te Antwerpen aan.
|
Datum |
Aantal contacten tussen [medeverdachte 3] en [naam 2] |
|
20 januari |
4 |
|
22 januari |
5 |
|
1 februari |
1 |
|
3 februari |
5 |
|
5 februari |
1 |
|
6 februari |
13 |
|
11 februari |
11 |
|
12 februari |
4 |
|
13 februari |
5 |
|
19 februari |
4 |
|
20 februari |
7 |
Contacten tussen [medeverdachte 3] en [naam 2]
Uit historische verkeersgegevens blijkt dat [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) op 20 januari 2014 twee sms-berichten stuurde naar en later belde met 31647909123 ( [naam 2] ). Bij het bellen kwam er geen verbinding tot stand. Ongeveer een half uur later belde [telefoonnummer 2] ( [naam 2] ) naar [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ).
(dossierpagina 5707)
Op 11 februari 2014 om 10:53 uur is er een uitgaand gesprek geregistreerd van [verdachte] naar [medeverdachte 1] van de duur van 471 seconden.
Het eerste geregistreerde contact tussen [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) en [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) is op 11 februari 2014 om 11:26 uur. Hier belde [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ) naar [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ), er is een contact van 1 seconden geregistreerd. Gelijk daarna belde [telefoonnummer 1 verdachte] ( [verdachte] ) naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] ( [medeverdachte 4] ), dit gesprek duurde 374 seconden. Om 12:09 uur belde [verdachte] [medeverdachte 4] wederom, dit gesprek duurt 538 seconden.
47. Een proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens d.d. 1 juli 2014, pagina’s 4387-4389 van het Methodieken proces-verbaal, los opgenomen in het dossier, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] , voor zover inhoudende:
(pagina 4387 van het Methodieken proces-verbaal)
Uit gevorderde verkeersgegevens van de telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 1] is gebleken dat de telefoon van [verdachte] (+ [telefoonnummer 1 verdachte] ) te 13.43 uur en het nummer van [medeverdachte 1] (+ [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] ) te 15.08 uur aanstraalde op de KPN zendmast 51207 in [plaats 1] . Deze zendmast bedekt ook de woning van [medeverdachte 2] .
(pagina 4388 van het Methodieken proces-verbaal)
Nabij de woning [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] is een netwerkmonitoring uitgevoerd door medewerkers van de Intercepie regio Zeeland-West-Brabant. Daarbij is gebleken dat negen keer de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] werd aangestraald.
Verklaringen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte]
48. Een proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 oktober 2017, betreffende de verklaring van [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende:
[medeverdachte 2] en ik waren vrienden. We hadden redelijk vaak telefonisch contact. We zagen elkaar wisselend. Ik ken het café [café] . Ik kwam daar wel vaker.
Ik kwam wel eens bij [medeverdachte 2] thuis. Ik heb [verdachte] bij [medeverdachte 2] thuis ontmoet. Het kan zijn dat ik op 23 februari 2014 in café [café] ben geweest.
U vraagt mij of ik mij kan herinneren dat de auto van [medeverdachte 1] is weggesleept. Ik heb van [medeverdachte 2] gehoord dat er een auto is weggesleept.
Ik had een telefoonnummer eindigend op 453.
49. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 oktober 2014, dossierpagina’s 2682-2702, betreffende de verklaring van [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2687)
Mijn enige vriend met wie ik omga heet [medeverdachte 3] .
(dossierpagina 2688)
V: (…)
A: Mijn telefoonnummer van mijn iPhone is [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] . Dat nummer heb ik al 10 jaar.
(dossierpagina 2692)
V: Wie komen er bij jou allemaal over de vloer?
A: [medeverdachte 3] komt het vaakst. Hij is mijn beste vriend.
V: Wie komen er nog meer bij jou binnen?
A: Een paar keer was er een jongen bij mij geweest. Die jongen heet [verdachte] .
(dossierpagina 2697)
M: Wij tonen jou nu een aantal foto’s die door de politie zijn genomen van jouw woning, waarbij er mensen jouw woning naar binnen gaan en naar buiten komen. Wij tonen de verdachte bijlage 1A (dossierpagina 2704).
A: Dit ben ik.
M: Wij tonen bijlage 5 (dossierpagina 2705).
A: Dit is [medeverdachte 3] .
50. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 oktober 2014, dossierpagina’s 2733-2756, betreffende de verklaring van [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2735)
V: Welk telefoonnummer gebruikte je?
A: Ik geloof dat ik in 90% van alle gevallen het nummer [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] heb gebruikt.
(dossierpagina 2737)
V: (…)
A: Het klopt dat ik op een zondag in [café] ben gekomen.
(dossierpagina 2738)
V: Welk café bedoel je?
A: [café] op [straat 3] .
V: Waar is [medeverdachte 3] in Antwerpen geweest?
A: Hij was in dat café.
V: (…)
A: We keken waar de auto was. Want de auto stond geparkeerd, niet ver van het café [café] . Maar het bleek dat de auto door de sleepdienst was weggehaald wegens fout parkeren.
(dossierpagina 2739)
Ik heb eerst drie tot vier keer gebeld met mijn telefoon om te vragen waar de auto was. Ik belde naar mensen die ik in Antwerpen ken, om te vragen waar gesleepte auto’s worden gestald.
(dossierpagina 2740)
O: Wij tonen de verdachte twee foto’s van [medeverdachte 5] .
A: (…) Ik heb deze man gezien.
(dossierpagina 2741)
O: Wij tonen de verdachte een foto van [medeverdachte 4] .
A: Hij kwam samen met de persoon op de vorige foto.
V: Hoe lang zijn zij bij jou thuis gebleven?
A: Waarschijnlijk een dag of twee à drie dagen.
V: Wie waren er nog meer in jouw woning?
A: [medeverdachte 1] .
V: Waar sliepen [verdachte] en zijn vrienden (het hof begrijpt dat met ‘vrienden’ wordt bedoeld: [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] )?
(dossierpagina 2742)
A: Beneden had ik een tweezitsbank, een driezitsbank en een fauteuil.
(dossierpagina 2745)
V: Van welke andere telefoonnummers heb jij gebruik gemaakt?
A: Ik heb ook een thuisnummer.
V: Wat kun jij vertellen over het nummer [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] ?
A: Ik geloof dat dit mijn thuisnummer is.
(dossierpagina 2747)
V: (…)
A: Er zin veel mensen aan wie ik mijn navigatiesysteem heb uitgeleend.
V: Van wie kun jij je dat herinneren?
A: [verdachte] heeft mijn navigatie gebruikt. De rest kan ik mij niet herinneren.
51. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 april 2015, dossierpagina’s 2927-2951, betreffende de verklaring van [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2936)
V: (…)
A: Op de 20ste hebben zij (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) volgens mij het hotel in München verlaten. Dan duurt het ongeveer 8 tot 10 uur voordat ze in [plaats 1] zijn. Dat betekent dat ze in de nacht van 20 op 21 februari na middernacht bij mij zijn gearriveerd.
V: Wanneer zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] weggegaan?
A: Ik denk dat dit de 21ste was, ergens in de namiddag. [medeverdachte 1] heeft bij mij overnacht.
(dossierpagina 2937)
V: Rond hoe laat waren jullie de 23ste in Antwerpen?
A: Ik denk dat het in de ochtend was.
V: Hoe kan het dat [voornaam medeverdachte 5] en [voornaam medeverdachte 4] in Antwerpen waren de 23ste?
A: Ik denk dat zij met mij meegereden zijn.
52. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 oktober 2014, dossierpagina’s 2505-2518, betreffende de verklaring van [verdachte] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 2514)
V: De auto van [medeverdachte 1] was kapot en kwijt?
A: Hij had hem ergens geparkeerd. Later bleek dat hij was weggesleept. Die twee hebben geholpen dat de auto teruggevonden werd, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] is volgens mij per toeval met [medeverdachte 3] meegegaan.
53. De verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 3 december 2018, opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 3 december 2018, voor zover inhoudende:
(pagina 6 tot en met 9 van het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 3 december 2018)
U, voorzitter, vraagt mij of ik op 22 februari 2014 samen met [medeverdachte 1] in de nabijheid van de woning van het latere slachtoffer [slachtoffer] aan de [adres woning slachtoffer] te [plaats 5] ben geweest. Ik ben daar geweest. U vraagt mij waarom ik naar de woning van het slachtoffer ben gegaan. [medeverdachte 2] heeft mij gevraagd om daar met [medeverdachte 1] naartoe te gaan. U vraagt mij of ik behalve op 22 februari 2014 ook al eerder bij die woning ben geweest. Ja. Ik ben daar één keer eerder geweest. Ik ben als gast bij [medeverdachte 2] gekomen. We hebben rondgereden. Hij heeft het huis aan mij aangewezen en ook twee auto’s. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] zouden ook nog bij hem langskomen. Hij was aan het wachten op nog een ander, [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] zou achterblijven met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .
In het navigatiesysteem kon je het adres van de manege invoeren. [medeverdachte 1] en ik zijn daar op 22 en 23 februari 2014 geweest (het hof begrijpt: 21 en 22 februari 2014).
U vraagt of ik dan wel vaker op de [straatnaam woning slachtoffer] ben geweest. Ja, twee keer.
U, voorzitter, vraagt mij wat ik in de tussentijd heb gedaan en waarom ik bij het eerste bezoek weer ben weggegaan. Toen wij de eerste keer langs gingen, was de man niet thuis. De BMW was niet voor het huis geparkeerd, alleen de Lexus. (…) Wij hebben in het bos geslapen. Wat die getuigen hebben verklaard over een lange man die keek op de binnenplaats, dat klopt. Ik was aan het kijken of die auto daar was. [medeverdachte 1] is klein en kon dat niet zien.
We zijn naar Renesse gegaan. Het klopt dat we op 22 februari 2014 zijn teruggekeerd. We hebben een rondje gelopen.
(…)
De oudste raadsheer houdt mij voor dat er forensisch onderzoek is verricht aan een handschoen die is aangetroffen in de auto, dat de binnenkant ervan is bemonsterd en onderzocht en dat de conclusie is dat het monster celmateriaal bevat dat van mij afkomstig kan zijn en dat de matchkans één op één miljard is. Het waren mijn handschoenen.
De advocaat-generaal vraagt of ik op enig moment een briefje heb gezien met het adres in [plaats 5] . Dat adres had ik bij me. [medeverdachte 2] had dat voor mij opgeschreven. Dat was op een stuk papier. Ik heb het ingevoerd in de navigatie.
De advocaat-generaal vraagt mij waar [medeverdachte 1] en ik naartoe zijn gegaan. Naar Antwerpen. Eerst naar Essen en daarna naar Antwerpen. U vraagt of dat ’s-Nachts of ’s-Avonds was. ’s-Nachts. Wij kwamen in de haven aan. Er was niemand anders op de parkeerplaats (pagina 7). We hebben in de haven geslapen. In de ochtend zijn we naar een cafeetje gegaan. De advocaat-generaal vraagt of ik nog heb gebeld die nacht. Dat zou kunnen. Met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Wij hebben geprobeerd te bellen.
De advocaat-generaal vraagt mij waar wij naartoe gegaan zijn vanuit de haven. Om 08.00 uur of 09.00 uur ben ik naar een café gegaan. De advocaat-generaal vraagt mij of ik daar de rest van de dag ben gebleven. Zo ongeveer. We gingen wel naar buiten en weer terug naar dat café. De advocaat-generaal vraagt mij wie ik die dag heb gezien in het café. Ik heb [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] direct om 09.00 uur gezien. [medeverdachte 3] heb ik kort ergens gezien aan het eind van de dag.
De advocaat-generaal vraagt mij of ik ook in een hotel in Antwerpen heb verbleven. Dat klopt. [medeverdachte 1] en ik hebben in een hotel verbleven. Ik geloof dat het op 23 februari was.
Verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]
54. De verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 21 april 2015, dossierpagina’s 3276-3338, afgelegd bij de politie te Augsburg, voor zover inhoudende:
(dossierpagina 3279)
V: Hoe luidt uw roepnaam?
A: Ik heet [medeverdachte 4] en mijn bijnaam is [bijnaam medeverdachte 4] . Ze noemen me allemaal met de naam [bijnaam medeverdachte 4] .
O: Er worden nu foto’s van personen getoond die uit het onderzoek bekend zijn geworden. Deze foto’s zijn als bijlagen 1 tot en met 9 bij het proces-verbaal van het verhoor gevoegd.
(dossierpagina 3280)
V: Zegt de naam ‘Celo’ iets?
A: Ja, dat is de bijnaam van [verdachte] .
V: Wie is de persoon op bijlage 2 (het hof: dossierpagina 3248)?
O: De heer [medeverdachte 4] schrijft de naam op de foto. De geschreven naam luidt: [medeverdachte 5] [voornaam medeverdachte 5] - [bijnaam] .
A: Mij is de persoon bekend als [medeverdachte 5] [voornaam medeverdachte 5] . Bij het woord ‘ [bijnaam] ’ gaat het om de bijnaam van [medeverdachte 5] .
(dossierpagina 3281)
V: Wie is de persoon op bijlage 3 (het hof: dossierpagina 3249)?
A: Dat is [medeverdachte 2] . Ik geloof dat hij [medeverdachte 2] heet. Ik heb hem een keer ontmoet toen we twee of drie dagen in zijn woning in Nederland verbleven. Een keer zijn we naar een café in Antwerpen gegaan. Ik, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] .
V: Wanneer was dat met dat verblijf in de woning en in het café?
A: Ik geloof dat het eind februari 2014 was.
(dossierpagina 3283)
V: Wie verbleef de eerste keer ook in de woning van [medeverdachte 2] ?
A: Wij – [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en ik – moesten naar Nederland komen. We moesten naar [plaats 1] . Dat was in februari 2014.
V: Gaf u aan deze uitnodiging gehoor en hoe kwam u naar Nederland?
A: [medeverdachte 1] had een huurauto.
O: Zonder de vraag te stellen antwoordde de heer [medeverdachte 4] dat het om een Renault Scénic gaat met een kenteken uit Zagreb. Het was een zilverkleurige auto.
V: (…)
A: De tweede keer, toen we elkaar in Antwerpen ontmoet hadden, een dag na de moord, had [medeverdachte 1] de genoemde auto daar geparkeerd.
(dossierpagina 3284)
V: Weet u waarom het voertuig weggesleept was?
A: Hij had op een groenstrook geparkeerd. [medeverdachte 1] heeft me verteld dat hij het voertuig op een groenstrook geparkeerd had en toen hij terugkwam was het weggesleept. [medeverdachte 2] en een Albanees hebben ergens opgebeld om te ervaren waar de auto was. [medeverdachte 1] heeft nog een paar dingen uit de auto gehaald, een navigatiesysteem, daar ben ik zeker van, en de auto heeft hij niet gekregen.
(dossierpagina 3285)
V: (…)
A: Ze hebben aangekondigd dat ze een job uit te voeren hadden. Ik heb zelfs het wapen in de woning gezien.
V: Kunt u dat wapen nader omschrijven?
A: Het was geen grootkaliber wapen, er was een geluidsdemper op aangebracht. Het zag eruit als zilverkleurig of vernikkeld.
(dossierpagina 3286)
V: Kunt u de geluidsdemper omschrijven?
O: De heer [medeverdachte 4] wordt een A4 blad overhandigd en wordt verzocht de grootte van het wapen met inbegrip van de geluidsdemper te tekenen.
De heer [medeverdachte 4] vertelt intensief over de grootte van het wapen en tekent dit op het papier. Hem wordt verzocht zijn handtekening op de tekening te zetten. De geluidsdemper was ook zilverkleurig of zwart.
V: Wie heeft het wapen onder de bank gehaald?
A: [verdachte] .
V: Onder welke bank lag het wapen?
A: In de woning bij [medeverdachte 2] .
(dossierpagina 3287)
O: [medeverdachte 4] wordt verzocht de ruimte te tekenen waar hij gezeten heeft en waar de bank stond waar onder vandaan het wapen gehaald werd.
A: Hier staat een sofa. Hier staat een grote tv. Ik heb hier gezeten en hij heeft van hier het pistool en de geluidsdemper er onderuit gehaald. Die lag daaronder. Hier zat [medeverdachte 5] , [verdachte] was hier en [medeverdachte 1] zat hier. Later kwam toen [medeverdachte 2] erbij.
(dossierpagina 3289)
V: Welke personen, buiten u, hebben nog in de woning overnacht?
A: Ik, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] .
(dossierpagina 3291)
V: (…)
A: [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn weggegaan. Zij reden met de eerder genoemde Scénic. [medeverdachte 2] bleef bij ons in de woning.
V: Hoe lang bleven die twee weg en hoe laat was dat?
A: We zijn in de woning achtergebleven. [medeverdachte 2] heeft met iemand getelefoneerd. Ze waren de hele nacht deze dag, toen de hele daarop volgende dag weg.
V: (…)
A: Op de dag dat [medeverdachte 1] en [verdachte] weg waren, reden wij ( [medeverdachte 2] , [voornaam medeverdachte 5] en ik) naar een café in Antwerpen. We reden met de auto van [medeverdachte 2] . We bleven ongeveer anderhalf uur in het café. [medeverdachte 2] verliet in die tijd het café.
(dossierpagina 3292)
V: Bent u tijdens de heen- of terugrit nog ergens anders heen gereden of bent u ergens gestopt?
A: [medeverdachte 2] wachtte op een Albanees. Hij is met zijn voertuig achter ons gaan staan. [medeverdachte 2] ging naar het voertuig van de Albanees, heeft deze flessen aangenomen en kwam naar ons terug.
(dossierpagina 3293)
V: Werd er voorheen al over de ‘opdracht’ gesproken?
A: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben daar al over gesproken. Ik heb gehoord dat deze plaats ongeveer 40 kilometer weg was.
(dossierpagina 3294)
V: Wat werd er later over deze plaats nog verteld?
A: Dat was op de volgende dag, toen ze teruggekeerd waren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben een nacht lang op iemand gewacht, die niet gekomen is. Toen reden ze van die plaats weg en hielden zich aan zee op. Ik heb bij de politie een foto gezien waarop ik [medeverdachte 1] herken (bijlage 4, het hof: dossierpagina 3250).
V: De heer [medeverdachte 4] wordt nu een foto voorgelegd (bijlage 12, het hof: dossierpagina 3256).
A: Ja, op de foto herken ik [verdachte] .
(dossierpagina 3297)
V: Heeft u de Albanees bij andere gelegenheden gezien?
A: Ja. Dat was onze laatste ontmoeting in het café in Antwerpen. Dat was na de moord. We reden met twee auto’s. [voornaam medeverdachte 5] en ik reden in de auto van [medeverdachte 2] , die ons reed. [medeverdachte 1] en [verdachte] ontmoetten we in het café in Antwerpen. Zij reden apart met de Renault Scénic.
V: Toen u alle vijf in het café was, kwam er nog ene persoon bij?
A: [medeverdachte 2] verliet meerdere keren het café en wachtte klaarblijkelijk op iemand. Hij kwam toen met iemand terug. De persoon kwam naar ons toe, gaf ons de hand. Ik kan met zekerheid zeggen dat het om een Albanees ging. Zowel zijn uiterlijk als ook zijn accent wezen hier duidelijk op.
V: Wat was de reden voor het verschijnen van de Albanees?
A: [medeverdachte 2] is met de Albanees naar buiten gegaan.
(dossierpagina 3298)
Ik kom terug op de plaats waar we in het café waren en nu begon de nervositeit met de auto, die door de afsleepdienst weggebracht werd. Ik weet dat het voor [medeverdachte 1] oneindig belangrijk was bij het navigatieapparaat in de auto te komen.
Ik weet dat [medeverdachte 1] in de Renault Scénic geen navigatieapparaat had. [medeverdachte 2] gaf [medeverdachte 1] een nieuw navigatieapparaat wat ze gebruikten om in het dorp te komen. Beiden waren, nadat de auto weggesleept was, bang dat het navigatieapparaat gevonden zou worden.
(dossierpagina 3299)
V: Hoe kwamen [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] na het wegslepen van de personenauto aan het navigatieapparaat?
A: Ik denk dat [medeverdachte 2] in opdracht van de Albanees gehandeld heeft. Ik had de indruk dat [medeverdachte 2] de ‘overdragende’ of ‘uitvoerende’ voor de Albanees was.
V: Kunt u de Albanees omschrijven?
A: Ik zou hem wel herkennen, wanneer ik een foto van hem zou zien. Ik kan mij herinneren dat hij heel kort haar had, een groot hoofd en een hoog voorhoofd.
O: De heer [medeverdachte 4] wordt nu een foto voorgelegd (bijlage 7, het hof: dit betreft een foto van [medeverdachte 3] , dossierpagina 3253).
A: Ja, dat is de persoon.
V: Laat de foto de persoon zien, zoals hij er bij de ontmoeting uitzag?
A: Ja, precies. Ik weet nog dat de Albanees getrouwd is en twee of drie kinderen heeft. Dit werd me door [medeverdachte 2] verteld.
(dossierpagina 3301)
V: U heeft gezegd dat het navigatieapparaat zich in de auto bevond, toen deze weggesleept werd. Hoe kwam [medeverdachte 1] aan het navigatieapparaat?
A: Toen we in het café zaten zijn [medeverdachte 2] en de Albanees naar buiten gegaan. De meeste tijd was de Albanees buiten, [medeverdachte 2] kwam steeds weer binnen en ging weer naar buiten.
Zoals ik begrepen heb, was de Albanees erachter gekomen, waar de auto naartoe gebracht werd of waar deze zich bevond.
(dossierpagina 3302)
V: Wat gebeurde er daarna in het café?
A: [medeverdachte 2] wachtte op een telefoontje.
(dossierpagina 3303)
Mij werd duidelijk dat dit de betaling was voor die zaak, die de vorige avond afgewikkeld was.
(dossierpagina 3305)
V: Toen u in het café in Antwerpen was en de betaling van [medeverdachte 1] en [voornaam medeverdachte 5] besproken werd, kwam het daar tot verdere uitbetalingen?
A: Ja, daartoe kwam het. Later heb ik de overhandiging gezien.
V: (…)
A: [medeverdachte 2] verliet het lokaal (het hof begrijpt: het café).
V: Heeft u de overhandiging van geld of kilo’s gezien?
A: Na vijf minuten kwam [medeverdachte 2] terug. Hij zat met ons aan tafel, toen ging hij aan de telefoon, verliet het lokaal en kwam met een zwarte zak terug. [medeverdachte 2] haalde een stapeltje bankbiljetten uit de zak en gaf ze aan [medeverdachte 1] .
(dossierpagina 3309)
V: Hoe lang bleef u in het café?
A: Zeker drie tot vier uur.
(dossierpagina 3322)
Voor de rit werd een van de twee via Western Union een bedrag van € 150,00
overgemaakt.
(dossierpagina 3331)
We reden op 23 februari 2014 naar Antwerpen, ontmoetten daar de Albanees en werd de zak geld overhandigd.
55. De verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 24 november 2015, afgelegd ten overstaan van de rechter aan het kantongerecht te Straubing, los opgenomen in het dossier, voor zover inhoudende:
(pagina 15 van het verhoor)
De auto van [medeverdachte 1] stond niet waar hij hem geparkeerd had. Er werd toen vastgesteld dat de auto waarschijnlijk was weggesleept, omdat hij verkeerd stond geparkeerd. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben toen ergens opgebeld om vast te stellen waar de auto was.
56. De verklaring van getuige [medeverdachte 4] d.d. 15 januari 2018, opgemaakt tijdens de besloten zitting van het Amtsgericht Straubing, los opgenomen in het dossier, voor zover inhoudende:
(pagina 8 van het verhoor)
In het tweede café werd over geld en drugs gepraat. Ik was aanwezig bij de geldoverdracht. Ik heb een plastic zak gezien.
(pagina 9 van het verhoor)
[medeverdachte 3] was erbij. Hij is weliswaar later die dag in het café verschenen. Toen het geld en de drugs werden aangeboden was [medeverdachte 3] aanwezig. [medeverdachte 2] vroeg [medeverdachte 1] of hij drugs of geld wilde en [medeverdachte 1] vroeg [voornaam medeverdachte 5] of hij amfetamine of geld wilde hebben. Tien minuten later kwam [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] binnen en hij had die spullen bij zich. [medeverdachte 2] ging naar buiten, kwam terug, ging weer naar buiten en kwam met [medeverdachte 3] terug. [medeverdachte 2] had zijn telefoon aan en tien minuten later verscheen [medeverdachte 3] en had hij die spullen bij zich. [medeverdachte 2] ging naar buiten, kwam enkele minuten later terug, ging toen weer naar buiten en kwam met [medeverdachte 3] terug. [medeverdachte 3] was erbij toen het geld en de drugs werden uitgedeeld.
57. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 maart 2015, dossierpagina’s 3349-3364, betreffende de verklaring van [medeverdachte 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 3351)
V: Wanneer was je in Duitsland?
A: Februari 2014.
V: Met wie was je in München?
A: Met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] is mijn oom.
(dossierpagina 3352)
V: Waar hebben jullie [medeverdachte 1] ontmoet?
A: In Duitsland.
(dossierpagina 3360
O: Wij zien de auto van [medeverdachte 1] 20 februari op 21 februari naar [plaats 1] rijden. De telefoon van [medeverdachte 1] rijdt mee. De telefoon van [voornaam medeverdachte 4] rijdt mee. En jouw telefoon rijdt ook mee.
A: Dat klopt.
V: (…)
A: Ik ben met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] in [plaats 1] geweest. We zijn daar een of twee dagen geweest. Daarna zijn we samen met [medeverdachte 2] naar Antwerpen gegaan met zijn Passat. Daarna zijn we in dat café aangekomen.
V: Je zegt net dat [medeverdachte 2] jou naar Antwerpen heeft gebracht. Wie zaten er in de auto van [medeverdachte 2] ?
A: [medeverdachte 2] , ik en [voornaam medeverdachte 4] .
V: Waar was [medeverdachte 1] ?
A: Hij was niet meer samen met ons. Ik was met [voornaam medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] thuis en we zijn naar Antwerpen gegaan. Ik denk op de dag van de foto in het café.
(dossierpagina 3361)
V: (…)
A: Wij waren met zijn allen bij [medeverdachte 2] thuis. [medeverdachte 2] , ik, [voornaam medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] .
V: (…)
A: [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn ergens naartoe gegaan. Ze zijn ’s nachts niet thuisgekomen. Alleen [voornaam medeverdachte 4] en ik zijn daar blijven slapen.
(dossierpagina 3362)
V; Wanneer en waar zag je [medeverdachte 1] en [verdachte] weer nadat ze de woning hadden verlaten?
A: In Antwerpen in dat café, van die foto.
Verklaringen van [getuige 3] , [getuige 4] en Kwiatowski en onderzoek naar aanleiding van hun verklaringen
58. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 maart 2014, dossierpagina’s 5100-5103, betreffende de verklaring van R. [getuige 3] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5101)
V: (…)
A: De laatste keer dat ik [slachtoffer] heb gesproken was op 19 of 20 februari 2014. Hij vertelde tegen mij dat de persoon die hij volgde op GPS een week daarvoor had gereden langs het huis aan de [adres woning slachtoffer] te [plaats 5] .
Hij vertelde mij dat hij een GPS in een auto van een man had gezet en dat hij die kon volgen via de computer. Dat was een man die in Nederland woont. Hij vertelde mij dat hij nog geld tegoed zou hebben van die man. De naam van die man is [naam 2] .
59. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 maart 2014, dossierpagina’s 5109-5124, betreffende de verklaring van [getuige 4] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5109)
M: [getuige 4] , we weten dat [slachtoffer] zich regelmatig bevond in zonnestudie “ [naam 11] ”, gevestigd aan de [adres 5] 71 te [plaats zonnetudio] .
(dossierpagina 5116)
V: Wanneer ben je met de zonnestudio begonnen?
A: September 2012.
(dossierpagina 5117)
V: Hoe is het pand ingedeeld?
A: (…) Daarnaast ligt de ruimte waar [slachtoffer] altijd zat.
V: Je zei de ruimte waar [slachtoffer] altijd zat.
A: Als [slachtoffer] er was, dan zat hij daar.
(dossierpagina 5120)
V: Hoe vaak in de week zat [slachtoffer] ’s avonds na sluiting nog in de studio?
A: Vaak.
(dossierpagina 5128)
[slachtoffer] kreeg van iemand nog veel geld. Toen heeft hij een ding bij iemand onder de auto gedaan. Waar hij precies wist waar hij was. [slachtoffer] had mij laten zien dat diegene rond zijn huis was gereden.
V: Wanneer was dat?
A: Een paar weken daarvoor.
(dossierpagina 5129)
V: Wat liet hij jou zien op de computer met betrekking tot dat ding onder de auto?
A: Route zonnestudio, richting [plaats 5] , langs zijn huis en toen weer terug. Volgens mij richting [plaats 3] . Hij was gestrest van het feit dat ze rond zijn huis hadden gereden.
V: Wat is zijn naam?
A: [naam 2] . Hij is een Marokkaan. Hij zat altijd in [growshop] . [slachtoffer] had gezegd dat de auto van [naam 2] langs zijn huis was gereden.
(dossierpagina 5131)
V: Wanneer heb jij [slachtoffer] en [naam 2] voor het laatst gezien samen?
A: Ik denk dat dit vorig jaar is geweest.
60. Een proces-verbaal van relaas opsporingsonderzoek d.d. 26 augustus 2015, dossierpagina’s 4875-4945, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina’s 4883 en 4886)
Met [naam 2] wordt bedoeld [naam 2] , geboren op [geboortedatum 5] te Beni Chicar (Marokko). Uit onderzoek aan de mobiele telefoons van [naam 2] bleek dat in twee contactenlijsten de namen [namen 1, 2, 3, 4 en 5] vermeld stonden. Bij [getuige 4] stond onder meer vermeld het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , dit nummer gaf getuige [getuige 4] in het onderzoek TGO Hainichen op als telefoonnummer dat bij haar in gebruik was.
61. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 november 2014, dossierpagina’s 6089-6092, betreffende de verklaring van [getuige 6] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 6090)
Ik kan inloggen in het GPS-systeem en heb alle verplaatsingen van de auto’s nog in mijn bezit.
(dossierpagina 6091)
Ik geef toestemming de verplaatsingen van de GPS aan de politie over te dragen voor verder onderzoek.
O: De getuige gaf het kenteken 6SFP64 van de Audi door. Dit was de auto waarover hij verklaard had, de auto waaronder de GPS was aangebracht.
[slachtoffer] heeft het GPS-systeem onder de Audi geplaatst. Ik heb de batterijen van het GPS-systeem bij de Audi vervangen.
62. Een proces-verbaal van bevindingen gebruiker [kenteken 2] d.d. 15 juni 2015, dossierpagina’s 6443-6446, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 6443)
Uit onderzoek aan veiliggestelde gegevens van de mobiele telefoon van slachtoffer [slachtoffer] die in het ziekenhuis te België werd aangetroffen in de kleding van slachtoffer [slachtoffer] bleek dat op 31 januari 2014 een kentekencheck was uitgevoerd via de website van Autoweek, het kenteken dat bevraagd werd betrof [kenteken 2] .
Uit onderzoek RDW bleek dit voertuig van 23 september 2013 tot 1 oktober 2013 op naam stond van [naam 9] , de partner van verdachte [naam 2] . Van 1 oktober 2013 tot 4 juli 2014 stond voornoemd voertuig op naam van R. Tennan, de zus van [naam 9] .
Door getuige [getuige 6] werd verklaard dat een GPS-baken was aangebracht op een Audi voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Van dit voertuig werden de ARS-registratie van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2014 opgevraagd.
Uit het onderzoek bleek dat de geregistreerde locaties van het GPS-baken voornoemd op 10, 11, 12 en 13 februari 2014 grotendeels overeenkwamen met de locaties van zendmasten die werden aangestraald door de mobiele telefoonnummers in gebruik bij verdachte [naam 2] en de ARS-registraties van de personenauto
voornoemd.
(dossierpagina 6446)
Gezien bovenstaande bevindingen bleek dat verdachte [naam 2] in de periode van 10 tot en met 13 februari 2014 gebruik maakte van de personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 2] waaronder het GPS-baken was aangebracht waarmee op 11 februari 2014 werd gereden over de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] .
Proces-verbaal van feiten, bevindingen en omstandigheden betreffende de vermoedelijke toedracht
63. Een proces-verbaal van feiten, bevindingen en omstandigheden betreffende de vermoedelijke toedracht van de moord op [slachtoffer] , opgenomen in het proces-verbaal aanvulling dossier 20TGO14005, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 23] , voor zover inhoudende:
(pagina 15 van 69)
Uit onderzoek ex artikel 126n Sv op het Nederlandse telefoonnummer [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] , in gebruik bij [medeverdachte 2] en het Bosnische telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] in gebruik bij [verdachte] blijkt onder andere het volgende:
[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben op 3 oktober 2013 middels deze telefoonnummers contact met elkaar. Van 3 oktober 2013 tot 23 februari 2014 (144 dagen) hebben zij tenminste 272 maal telefonisch contact met elkaar. Het betrof behoudens vier uitzonderingen allemaal sms-berichten. Er vonden vier telefoongesprekken plaats en wel op 23 januari 2014 (drie keer) en 24 januari 2014 (één keer).
(pagina 16 van 69)
[verdachte] werd laatstelijk gecontroleerd op 1 februari 2014 aan de grensplaats Brod tussen Bosnië en Herzegovina en Kroatië. Uit onderzoek ex artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat de mobiele telefoon van [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] eerst op 2 februari 2014 een zendmast in Nederland aanstraalt en wel te Duiven, Maarn en Driebergen. [verdachte] heeft hierbij sms-contact met [medeverdachte 2] . Op 3 februari 2014 te 19.14 uur straalt de mobiele telefoon van [verdachte] [telefoonnummer 2 verdachte] de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan.
(pagina 28 van 69)
20 februari 2014: reizen naar en aankomst in Nederland, [plaats 1] .
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
|
21.35 uur |
[verdachte] zendmastlocatie [zendmast 1] |
Vanaf het nummer [telefoonnummer 1 verdachte] , in gebruik bij [verdachte] , wordt een sms gestuurd naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] |
|
21.58 uur |
Zendmastlocatie Venlo |
|
|
22.12 uur |
Zendmastlocatie Helenaveen |
|
|
22.15 uur |
Zendmastlocatie Neerkant |
N.N.) stuurt sms-berichten naar [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] , in gebruik bij [medeverdachte 4] . De mobiele telefoon van [medeverdachte 4] verplaatst zich op datum en tijdstip vanuit Venlo in westelijke richting zeer waarschijnlijk via de A67.
(pagina 29 van 69)
21 februari 2014
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
15.08 uur |
[plaats 1] , zendmastlocatie [zendmast 1] |
[medeverdachte 1] wordt gebeld. De mobiele telefoon straalt dan een zendmast aan te [plaats 1] , [zendmast 1] . |
126n Sv, IMEI-nummer [IMEI-nummer] |
|
18.34 uur |
N59 Nieuwerkerk |
Het voertuig met het kenteken [kenteken 1] in gebruik bij [medeverdachte 1] , rijdend over de N59 vermoedelijk in oostelijke richting naar Nieuwerkerk. |
ARS |
pagina 30 van 69)
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
19.30 uur |
[medeverdachte 3] zendmast [plaats 3] , [zendmast 7] ; [medeverdachte 2] zendmast [zendmast 8] . |
[medeverdachte 3] zendt een sms-bericht naar [medeverdachte 2] . De mobiele telefoon van [medeverdachte 3] straalt een zendmast te [plaats 3] aan en die van [medeverdachte 2] straalt de zendmast te Kapelle aan. |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
pagina 32 van 69)
Vervolg van 21 februari 2014
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
20.11 uur |
[medeverdachte 3] zendmast Antwerpen, [zendmast 9] . |
De mobiele telefoon van [medeverdachte 3] straalt een zendmast te Antwerpen, [zendmast 9] aan bij ontvangst van een sms-bericht (servicenummer Provider). |
126n Sv [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
|
20.12 uur |
[medeverdachte 4] zendmastlocatie Antwerpen [zendmast 9] 732. |
[medeverdachte 4] ontvangt een sms-bericht van de provider. |
126n Sv [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] |
|
20.16 uur |
[medeverdachte 2] te Antwerpen, zendmast [zendmast 10] . |
De mobiele telefoon van [medeverdachte 2] [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] ontvangt een sms-bericht. Zendmastlocatie Antwerpen, [zendmast 10] . |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
20.22 uur |
[medeverdachte 5] zendmastlocatie Schijnpoortweg/ Biezenhof Merksen te Antwerpen. |
[medeverdachte 5] ontvangt sms-berichten van de provider. [medeverdachte 5] is dan in Antwerpen (servicenummer Provider). |
126n Sv [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] |
pagina 33 van 69)
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
21.14 uur |
[medeverdachte 2] zendmastlocati Antwerpen, Ankerrui 26-30. [medeverdachte 3] zendmastlocatie Antwerpen, Dordrechtlaan. |
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [medeverdachte 3] . |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
pagina 34 van 69)
22 februari 2014
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
00.46 uur |
[medeverdachte 2] zendmastlocatie te Deurne, Antwerpen, Boterlaarbaan 150; [medeverdachte 3] Antwerpen, Dordrechtlaan. |
[medeverdachte 2] stuurt twee sms-berichten naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verblijven dan beiden in Antwerpen. |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
01.52 uur |
[medeverdachte 3] zendmastlocatie in Rilland, Nederland; [medeverdachte 2] zendmastlocatie Krabbendijke |
Te 01.52 uur maakt [medeverdachte 3] weer gebruik van het Nederlandse telecomnetwerk wat zou betekenen dat [medeverdachte 3] weer terug is in Nederland. [medeverdachte 3] belt met [medeverdachte 2] . |
126n Sv [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
|
02.28 uur |
[medeverdachte 2] N59 [plaats 1] |
Het voertuig met kenteken [kenteken 4] wordt op ARS geregistreerd, rijdend over de N59. Vermoedelijk keert [medeverdachte 2] terug uit Antwerpen via [plaats 3] . |
ARS |
pagina 35 van 69)
22 februari 2014
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
06.27 uur |
[medeverdachte 1] zendmastlocatie [plaats 5] , [adres 12] |
00119 (provider) stuurt 4 keer een sms naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] |
126n Sv [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] |
|
07.36 uur |
[medeverdachte 1] en [verdachte] , N59 [plaats 1] |
Het voertuig met kenteken [kenteken 1] wordt op ARS geregistreerd, rijdend over de N59 in westelijke richting ten noorden van [plaats 1] . |
126n Sv op IMEI-nummer GPS voertuig [kenteken 1] |
|
08.48 uur |
[verdachte] , zendmastlocatie Renesse, [adres 11] |
[verdachte] [telefoonnummer 1 verdachte] stuurt een sms-bericht naar [medeverdachte 5] [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] . |
126n Sv [telefoonnummer 1 verdachte] en [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] |
|
08.49 uur |
[medeverdachte 5] , zendmastlocatie [plaats 1] , [zendmast 1] |
[medeverdachte 5] [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] ontvangt een sms-bericht. |
pagina 42 van 69)
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
21.06 uur |
Eerste melding aan de hulpdiensten in verband met de moord op [slachtoffer] . |
Regionale Meldkamer |
|
|
21.14 uur |
[verdachte] zendmastlocatie [plaats 5] Weg naar Wouw 17; [medeverdachte 5] zendmastlocatie [plaats 1] , [zendmast 1] . |
[verdachte] belt naar [medeverdachte 5] , duur 8 seconden. |
126n Sv [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] en [telefoonnummer 1 verdachte] |
|
21.16 uur |
[verdachte] , zendmastlocatie Nispen, Dorpsstraat (Nispen is ongeveer 2,5 kilometer afstand van Essen). |
[verdachte] stuurt een sms-bericht naar [medeverdachte 5] . |
126n Sv [telefoonnummer 1 verdachte] |
|
21.16 uur |
[medeverdachte 5] , zendmastlocatie [plaats 1] , [zendmast 1] . |
[medeverdachte 5] ontvangt het door [verdachte] verzonden sms-bericht. |
126n Sv [telefoonnummer 1 medeverdachte 5] |
|
21.16 uur |
Huislijn [medeverdachte 2] [plaats 1] , [adres medeverdachte 2] ; [medeverdachte 3] zendmastlocatie [plaats 2] , [zendmast 11] . |
Met de vaste huislin [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] van [medeverdachte 2] wordt gebeld naar [medeverdachte 3] [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] , verblijvende te [plaats 2] . |
126n Sv [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
21.18 uur |
[verdachte] zendmastlocatie Nispen, Dorpsstraat; [medeverdachte 5] zendmastlocatie [plaats 1] , [zendmast 1] . |
[verdachte] stuurt nogmaals een sms-bericht naar [medeverdachte 5] . |
126n Sv [telefoonnummer 1 verdachte] |
pagina 43 van 69)
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
21.27 uur |
[medeverdachte 1] zendmastlocatie Oudebaan 61A te Essen. |
[medeverdachte 1] ontvangt een sms-bericht over datagebruik in België. |
126n [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] |
|
23.03 uur |
[verdachte] , zendmastlocatie België, Schoten, Klamperdreef/ Spechtendreef. |
[verdachte] belt tweemaal naar [medeverdachte 4] . |
126n Sv 0613382616 |
|
23.41 uur |
[medeverdachte 4] , zendmastlocatie [plaats 1] , [zendmast 22] |
[medeverdachte 4] ontvangt een sms-bericht. |
126n Sv [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] |
februari 2014
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
00.15 uur |
[verdachte] zendmastlocatie België, Merksem, [adres 9] and Groenendaallaan. |
[verdachte] belt naar [medeverdachte 4] , duur 8 seconden. |
126n Sv [telefoonnummer 1 verdachte] |
pagina 44 van 69)
Zogenaamde triploggegevens verkregen uit de TomTom, eigendom van [medeverdachte 2] , bevestigen de aanwezigheid van deze TomTom op 23 februari 2014 van 00.16.18 uur tot en met 01.18.57 uur rijdend op de Sint Michielskaai te Antwerpen. De hiervoor genoemde triploggegevens tonen de aanwezigheid aan en die van het voertuig [kenteken 1] op 23 februari 2014 van 07.49.19 uur tot en met 08.03.53 uur het voertuig rijdende vanaf de Cockerillkaai naar [adres 3] te Antwerpen, waar het voertuig wordt geparkeerd.
(pagina 45 van 69)
De [straat 2] is gelegen in de directe nabijheid van ontmoetingscafé [café] aan de [straat 1] te Antwerpen.
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
07.55 uur |
Huislijn [medeverdachte 2] [plaats 1] , [adres medeverdachte 2] ; [medeverdachte 1] . |
Vanaf de vaste lijn [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] wordt gebeld naar [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] , in gebruik bij [medeverdachte 1] . |
126n Sv [vaste telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
09.22 uur |
[verdachte] zendmastlocatie België, Antwerpen, [zendmast 2] . |
Door [verdachte] wordt gebeld naar [medeverdachte 4] [telefoonnummer 1 medeverdachte 4] , duur 8 seconden (aan de [straat 1] is het café [café] gevestigd). |
126n Sv [telefoonnummer 1 verdachte] |
|
09.26 uur |
[medeverdachte 2] zendmastlocatie [plaats 1] ; [medeverdachte 3] zendmastlocatie [plaats 2] . |
[medeverdachte 3] belt uit naar [medeverdachte 2] . |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
09.29 uur |
[verdachte] zendmastlocatie Antwerpen, De [zendmast 3] 58; [medeverdachte 4] zendmastlocatie [zendmast 22] te [plaats 1] . |
[verdachte] belt naar [medeverdachte 4] [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] , duur 8 seconden. |
126n [telefoonnummer 1 verdachte] en 126n [telefoonnummer 2 medeverdachte 4] |
pagina 46 van 69)
|
Tijd |
Locatie |
Gedraging |
Bron |
|
11.14 uur |
[medeverdachte 2] zendmastlocatie Antwerpen, [zendmast 2] |
[medeverdachte 2] is in Antwerpen. |
|
|
12.58 uur |
[medeverdachte 3] zendmastlocatie [plaats 3] . |
Dit is het laatste tijdstip dat de mobiele telefoon van [medeverdachte 3] een zendmast aanstraalt te [plaats 3] . |
126 Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
13.54 uur |
[medeverdachte 3] , zendmastlocatie [plaats 2] . |
De mobiele telefoon van [medeverdachte 3] straalt een zendmast aan te [plaats 2] bij ontvangst van een bericht van de telecomprovider. |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
|
14.34 uur |
[medeverdachte 3] , zendmastlocatie Merksem, Antwerpen. |
[medeverdachte 3] is in Antwerpen. |
126n Sv [mobiele telefoonnummer medeverdachte 2] |
pagina 47 van 69)
Op een onder van [medeverdachte 1] aangetroffen SD-kaart worden enkele foto’s aangetroffen van hem samen met [medeverdachte 5] in café [café] . De bij deze foto weergegeven ‘eigenschappen’ geven aan dat deze foto is genomen op 23 februari 2014 te 11.26 uur.
Proces-verbaal vermoedelijke voorverkenningen
64. Een proces-verbaal vermoedelijke voorverkenningen aan de [straatnaam woning slachtoffer] [plaats 5] en [adres 5] [plaats zonnetudio] d.d. 11 en 12 februari 2014, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 23] , voor zover inhoudende:
(pagina 2 van 29)
In de morgen van 11 februari 2014 vonden drie telefoongesprekken plaats tussen [verdachte] enerzijds en [medeverdachte 1] (1 keer) en [medeverdachte 4] (2 keer) anderzijds. Deze gesprekken duren 7, 6 en 8 minuten. Het laatste telefoongesprek wordt beëindigd omstreeks 12.18 uur.
De telefoon van [verdachte] straalt dan de zendmast aan de [zendmast 1] te [plaats 1] aan. Vervolgens zijn er op 11 februari 2014 8 sms-contacten tussen [medeverdachte 3] en [naam 2] . Deze vangen aan te 12.58 uur.
(pagina 3 van 29)
|
Telefoonnummer [medeverdachte 3] |
Telefoonnummer |
Datum |
Tijd |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] [naam 2] |
11-02-2014 |
12.58.16 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
13.00.25 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
13.05.10 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
13.06.01 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
13.06.50 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
22.31.16 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
22.58.49 |
|
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] |
[telefoonnummer 2] |
11-02-2014 |
22.59.09 |
Op 11 februari 2014 zijn er bewegingen die tonen dat [medeverdachte 3] zich verplaatst van [plaats 2] naar [plaats 3] . Te 22.59 uur hebben [medeverdachte 3] en [telefoonnummer 2] hun laatste sms-contact naar elkaar waarbij hun mobiele telefoons beide de zendmast [zendmast 7] te [plaats 3] aanstralen. Deze locatie is kort nabij een verblijfsadres van [naam 2] gelegen, namelijk [adres 4] te [plaats 3] waar een vriendin van [naam 2] , [naam 13] , woont.
(pagina 4 van 29)
Blijkens de ANWB-routeplanner is de afstand [zendmast 7] – [adres 4] circa 1,2 kilometer.
11 februari 2014
|
Tijdstip |
Telefoonnummer |
Zendmastlocatie |
|
22.58 uur |
[telefoonnummer 2 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] zendt een sms naar [telefoonnummer 2] . |
Beide gsm’s stralen aan op de zendmast [zendmast 7] te [plaats 3] . |
|
22.59 uur |
Tweemaal sms-verkeer tussen [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] en [telefoonnummer 2] [naam 2] |
Beide gsm’s stralen aan op de zendmast [zendmast 7] te [plaats 3] . |
|
23.20 uur |
[telefoonnummer 2] wordt gebeld. |
Zendmast [plaats 3] , [zendmast 7] . |
|
23.47 uur |
[telefoonnummer 2] ontvangt een sms-bericht. |
Zendmast [zendmast 12] te [plaats zonnetudio] . |
|
23.59 uur |
[telefoonnummer 2] ontvangt een sms-bericht. |
Zendmast [zendmast 13] te [plaats 3] . |
februari 2014
|
Tijdstip |
Telefoonnummer |
Zendmastlocatie |
|
00.00 uur |
[telefoonnummer 2] zendt een sms-bericht. |
Zendmast [zendmast 13] te [plaats 3] . |
|
00.01 uur |
[telefoonnummer 2] ontvangt een sms-bericht. |
Zendmast [zendmast 14] [plaats 3] . |
|
00.08 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] zendt een sms. |
Zendmast [zendmast 14] te [plaats 3] . |
|
00.09 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] belt uit. |
Zendmast [zendmast 15] te [plaats 3] . |
pagina 7 van 29)
Vorenstaande geeft het sterke vermoeden dat op de late avond van 11 februari 2014 [medeverdachte 3] en [naam 2] elkaar ontmoetten aan/nabij de [adres 4] te [plaats 3] .
Op 11 februari 2014 was een GPS-baken bevestigd aan de Audi met kenteken [kenteken 2] , op dat moment in gebruik bij [naam 2] .
Gegevens van dit GPS-baken met betrekking tot 11 februari 2014 zijn:
uur: vertrek vanaf [adres 4] ter hoogte van nummer 13 te [plaats 3] .
De rit die volgt gaat in een directe route naar de woning van het latere slachtoffer [slachtoffer] aan de [adres woning slachtoffer] te [plaats 5] .
(pagina 8 van 29)
Dan volgt volgens de gegevens van dit GPS-baken een rit vanaf de [adres 4] te [plaats 3] . Onder andere via de Huijbergselaan en de Weg naar Wouw gaat de autorit naar de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] .
Volgens de gegevens van het GPS-baken rijdt het voertuig het chaletpark op aan de [straatnaam woning slachtoffer] waar op [chaletnummer] [slachtoffer] woont.
Zoals hiervoor gerelateerd vindt er kort voor aanvang van deze rit, gedurende deze rit en kort na deze rit, telecommunicatie plaats. Zowel met de mobiele telefoon in gebruik bij [naam 2] als met mobiele telefoons in gebruik bij [medeverdachte 3] worden telefoongesprekken gevoerd en vindt er uitwisseling van sms-berichten plaats.
(pagina 9 van 29)
- 23.31 uur: Voertuig Audi kenteken [kenteken 2] vertrekt vanaf de locatie [adres 4] te [plaats 3] .
- 23.45 uur: Voertuig Audi kenteken [kenteken 2] is aanwezig op chaletpark [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] .
(pagina 10 van 29)
- 00.05 uur: Voertuig Audi kenteken [kenteken 2] is terug van de locatie [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] en stopt aan de [adres 4] te [plaats 3] .
(pagina 12 van 29)
Vermoedelijk vertrek [medeverdachte 3] uit [plaats 3]
|
Tijdstip |
Telefoonnummer |
Zendmastlocatie |
|
00.08 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] |
[plaats 3] , [zendmast 14] |
|
00.09 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] |
[plaats 3] , [zendmast 15] |
|
00.55 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] |
[plaats 4] , [straat 4] |
|
02.55 uur |
[telefoonnummer 1 medeverdachte 3] [medeverdachte 3] |
[plaats 2] , [straat 5] |
Het door [slachtoffer] en [getuige 6] gebruikte en aan voertuigen bij [naam 2] in gebruik zijnde GPS-baken was verkregen via CienGps. [getuige 6] had het onderzoeksteam bekend gemaakt met de gebruikte gebruikersnaam en het bijbehorende password om toegang te krijgen tot en gebruikt te kunnen maken van deze gegevens.
(pagina 13 van 29)
Uit de loggegevens blijkt dat het voertuig na vertrek vanuit de [adres 4] te [plaats 3] in een niet onderbroken rit heeft gereden naar de [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] en weer rechtstreeks terug naar de [adres 4] . Op de [straatnaam woning slachtoffer] werd met een snelheid gereden van 9 kilometer per uur. Er werd daar niet gestopt. Hier wordt tevens opgemerkt dat blijkens Google Maps de afstand [adres 4] te [plaats 3] – [straatnaam woning slachtoffer] te [plaats 5] 11 kilometer bedraagt. Dit betekent dat in een tijdsbestek van 24 minuten 22 kilometer via B-wegen is gereden. Gesteld kan worden dat in een tijdsbestek van 24 minuten, waarin 22 kilometer is gereden, er nagenoeg geen gelegenheid is tot een sociale visite.
(pagina 14 van 29)
Op 12 februari 2014 vinden de navolgende telefooncontacten plaats tussen de telefoonnummers die in gebruik zijn bij de daarbij genoemde personen. Hierbij zijn de tijdstippen en zendmastlocaties weergegeven.
|
Tijd |
Soort/duur |
Van zendmastlocatie |
Naar zendmastlocatie |
|
11.23 uur |
Gesprek, 5 minuten en 30 seconden |
[medeverdachte 3] , [plaats 2] |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
|
14.41 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
[medeverdachte 3] , Middelburg |
|
14.46 uur |
Sms |
[medeverdachte 3] , Middelburg |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
|
14.47 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
[medeverdachte 3] , Middelburg |
|
14.54 uur |
Sms |
[naam 12] |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
|
14.55 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] |
[naam 12] |
|
16.29 uur |
Sms |
N.N. |
[verdachte] , [plaats 1] |
|
17.35 uur |
Sms |
[medeverdachte 3] , [plaats 2] |
[telefoonnummer 2] |
|
17.36 uur |
Sms |
[telefoonnummer 2] |
[medeverdachte 3] ( [plaats 2] ) |
pagina 15 van 29)
|
Tijd |
Soort/duur |
Van zendmastlocatie |
Naar zendmastlocatie |
|
18.05 uur |
Gesprek, 23 seconden |
[medeverdachte 3] , Goes, [zendmast 4] |
[medeverdachte 2] , Goes, [zendmast 4] |
|
18.33 uur |
Sms 4 keer |
1330 (telecomprovider) |
[medeverdachte 2] |
|
18.36 uur |
Sms 4 keer |
1330 (telecomprovider) |
[verdachte] [telefoonnummer 1 verdachte] |
|
20.18 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats 3] , [zendmast 13] |
[naam 12] |
|
20.36 uur |
Sms |
[naam 12] |
[medeverdachte 2] , [plaats 5] , Boomstraat |
|
20.37 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats 5] , Boomstraat |
[naam 12] |
|
20.38 uur |
Sms |
[naam 12] |
[medeverdachte 2] , [plaats 5] , Boomstraat |
|
20.46 uur |
Sms |
[naam 12] |
[medeverdachte 2] , [plaats zonnetudio] , [zendmast 17] |
|
21.23 uur |
Sms |
[naam 12] , [plaats zonnetudio] , [zendmast 16] |
[medeverdachte 2] , [plaats zonnetudio] , [zendmast 18] |
|
21.24 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [plaats zonnetudio] , [zendmast 17] |
[naam 12] |
|
22.49 uur |
Sms |
[telefoonnummer 1] (Ahjane [medeverdachte 3] ) |
[medeverdachte 3] , Goes, [zendmast 4] |
pagina 16 van 29)
|
Tijd |
Soort/duur |
Van zendmastlocatie |
Naar zendmastlocatie |
|
22.52 uur |
Sms |
N.N. |
[medeverdachte 2] , Goes, [zendmast 4] |
|
22.52 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , Goes, [zendmast 4] |
N.N. |
|
22.55 uur |
Sms |
[medeverdachte 3] , Goes, [zendmast 19] 25 |
Campara 0646162345 |
|
23.00 uur |
Sms |
[medeverdachte 2] , [zendmast 20] |
Sms centrale 31653131313 |
|
23.08 uur |
Sms |
N.N. |
[medeverdachte 2] , [plaats 1] , Kleine Zelkeweg 4 |
|
23.20 uur |
Gesprek 1 minuut en 43 seconden |
Campara |
[medeverdachte 3] , [plaats 2] , [zendmast 21] |
Blijkens voorgaande gegevens zijn [verdachte] en [medeverdachte 2] respectievelijk te 16.29 uur en 17.04 uur te [plaats 1] . [medeverdachte 3] verblijft te 17.35 uur nog te [plaats 2] , op welk tijdstip hij contact legt met [telefoonnummer 2] . Te 18.05 uur stralen echter de mobiele telefoons van zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] de zendmast aan op de locatie [zendmast 4] .
Deze locatie is de eerste kruising in de route [plaats 1] - [plaats zonnetudio] / [plaats 5] en [plaats 2] - [plaats zonnetudio] / [plaats 5] .
(pagina 19 van 29)
Aan de hand van de door de provider aangeleverde Cell ID kan de positie van de mobiele telefoon van [medeverdachte 2] ten tijde van het ontvangen en verzonden sms-bericht (20.37 uur en 20.38 uur) bepaald worden ten opzichte van de zendmast die aangestraald werd.
(pagina 20 van 29)
Deze gegevens maakten met grote mate van zekerheid bekend dat de mobiele telefoon van [medeverdachte 2] zich in het dekkingsgebied bevond waaronder ook het woonadres en de latere plaats delict, [adres woning slachtoffer] te [plaats 5] , zich bevond.
Het onder [medeverdachte 2] in beslag genomen navigatiesysteem
65. Een proces-verbaal inbeslagname goederen uit personenauto Volkswagen Passat [kenteken 4] d.d. 6 augustus 2014, dossierpagina’s 5710-5711, betreffende het relaas van verbalisanten AOT Zuid 307, AOT Zuid 313 en AOT Zuid 314:
(dossierpagina 5710)
In de nacht van 5 augustus 2014 op 6 augustus 2014 was ik, AOT Zuid 307, als leider van een inzetploeg belast met een vroegtijdige inbeslagname van goederen.
Ik was vergezeld met AOT Zuid 313 en AOT Zuid 314. Op genoemd tijdstip stond een personenauto van het merk Volkswagen Passat, voorzien van het kenteken [kenteken 4] , geparkeerd op de [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] , ter hoogte van het pand nummer 26. Door ons werd het slot van genoemde personenauto ontgrendeld en de auto geopend. Ik, AOT Zuid 314, zag dat in een dashboardvakje links naast het stuur in genoemde personenauto een navigatiesysteem lag van het merk Tom Tom. Dit goed werd door ons in beslag genomen.
66. Een proces-verbaal van bevindingen TomTom verdachte [medeverdachte 2] d.d. 29 september 2014, dossierpagina’s 5712-5713, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] , voor zover inhoudende:
(dossierpagina 5712)
Op 6 augustus 2014 werd vanuit de Volkswagen Passat voorzien van het kenteken [kenteken 4] , op naam en in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] , onder meer een navigatiesysteem van het merk TomTom in beslag genomen.
Door de digitale recherche werd onderzoek verricht aan deze TomTom. Uit dit onderzoek bleek dat in de gegevens 145 ingevoerde bestemmingen werden aangetroffen, waaronder te [plaats 5] en te [plaats zonnetudio] .
Op 29 september 2014 werd door mij onderzoek ingesteld aan de veiliggestelde gegevens, vastgelegd op een compact-disk.
Zes keer werd de bestemming [adres medeverdachte 2] te [plaats 1] ingevoerd, het woonadres van [medeverdachte 2] .
Twee keer werd de bestemming [plaats 5] ingevoerd.
Twee keer werd de bestemming [adres woning slachtoffer] te [plaats 5] ingevoerd.
Twee keer werd de bestemming [adres manege] te [plaats 5] ingevoerd.
Twee keer werd de bestemming [adres 5] 10 te [plaats zonnetudio] ingevoerd. Uit onderzoek is gebleken dat aan de [adres 5] 71 te [plaats zonnetudio] was gevestigd [naam 11] , alwaar [slachtoffer] zich regelmatig ophield.
Bijlagen:
1. PV Digitale Expertise 14-0198-001-pv-01
2. Excelbestand locaties
(dossierpagina 5718)
Locations (145)
1. [adres medeverdachte 2] [plaats 1]
26. [adres medeverdachte 2] [plaats 1]
27. Essen
28. [plaats 5]
30. [adres medeverdachte 2] [plaats 1]
33. Essen
34. [plaats 5]
(dossierpagina 5719)
35. [adres woning slachtoffer]
(dossierpagina 5720)
86. [adres medeverdachte 2] [plaats 1]
92. [adres medeverdachte 2] [plaats 1]
97. [adres 5] 10 [plaats zonnetudio]
100. [adres woning slachtoffer] [plaats 5]
107. [adres 5] 10 [plaats zonnetudio]
111. [adres manege] [plaats 5]
(dossierpagina 5721)
116. Renesse
117. [adres manege]
143. [adres medeverdachte 2] [plaats 1] .