Strafrecht overig

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 juni 2021

Zaakgegevens

Op 18 juni 2021 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18 juni 2021
Datum publicatie
30 november 2021
Zaaknummer
20-000899-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:3594
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Uitspraak

Parketnummer: 20-000899-19

Uitspraak : 18 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 11 maart 2019, in de strafzaak onder parketnummer 96-252048-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende te [adres] .

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Gepleegd op 2 december 2018 te Helmond.

Toegepaste wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete mag worden voldaan in 4 (vier) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is mondeling gewezen door mr. A.M.G. Smit.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2021.