Strafrecht overig

bevestiging vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 april 2026

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
15 april 2026
Zaaknummer
20-002591-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1007
E-mail

Samenvatting

bevestiging vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de strafmotivering.

Poging tot doodslag.

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 september 2024

    ECLI:NL:RBZWB:2024:6416
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHSHE:2026:1007

Uitspraak

Parketnummer : 20-002591-24

Uitspraak : 14 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-233884-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:

- poging tot doodslag (feit 1 primair), en

- overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 2),

de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijke strafdeel, naast een algemene voorwaarde, tevens bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren aan de verdachte opgelegd.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen

en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Subsidiair is door de verdediging bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de strafmotivering.

Aanvulling en verbetering bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen (pagina’s 9 t/m 11), met aanvulling en verbetering van het volgende.

I.

Verbetering van bewijsmiddel 4 (ten aanzien van feit 1).

Voor wat betreft het onder feit 1 bewezenverklaarde merkt het hof op dat pagina 11 van het vonnis onder het bewijsmiddel 4. ‘De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 september 2024’ is opgenomen:

“Het klopt dat ik op 26 juli 2023 een auto heb bestuurd en dat op de [locatie] te
Tilburg een botsing heeft plaatsgevonden met mijn auto en een fietser. U toont mij beelden
waarop een persoon in een auto te zien is die zegt: "opgeflikkerd voordat ik jullie pak" en
vraagt mij of ik de persoon ben in de auto. Dat klopt. Dat is mijn stem. U houdt mij voor dat
aangever mij eerst op de [locatie] heeft zien rijden richting het Paletplein en vraagt
mij of dit richting mijn woning is. Ja, het Paletplein is richting mijn woning. U toont mij
beelden van de [locatie] van 26 juli 2023. U zegt mij dat vanaf de rechterkant van
het beeld een auto komt aanrijden en vraagt mij of dit mijn auto was. Dat klopt. U vraagt mij of ik daar richting het Paletplein reed. Ja. U zegt mij dat u op de beelden bij de boom een auto-onderdeel ziet liggen. Dat is een stuk bumper.”

Het hof zal voornoemde passage verbeteren in:

“Ik heb op 26 juli 2023 een auto bestuurd onder invloed van 500 microgram alcohol en er heeft een botsing plaatsgevonden op de [locatie] in Tilburg waarbij mijn auto een fiets heeft geraakt waarop het slachtoffer fietste. U toont mij de beelden met bestandsnaam: “Video-2023-08-10-12-54-39” [het hof begrijpt: de camerabeelden beschreven in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 21 van het procesdossier]. Dat is mijn stem. Het Paletplein is richting mijn woning. U toont mij de beelden met bestandsnaam:“Camera [locatie] woning” en houdt mij voor dat er harde geluiden van een voertuig zijn te horen en aan de rechterkant een auto in beeld komt. De auto die net voorbij kwam, was mijn auto. Ik reed op de [locatie] richting het Paletplein. U zegt mij dat u op de beelden links bij de boom een auto-onderdeel ziet liggen. Dat is een stuk bumper.”

II.

Aanvulling bewijsmiddelen (ten aanzien van feit 1).

Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring voor feit 1 mede te berusten op de eigen waarneming van dit hof, inhoudende:

Het hof heeft op de camerabeelden van digitaal bestand, getiteld Camera [locatie] woning.mp4 in het procesdossier, het volgende waargenomen. De auto en fietsers die te zien zijn op de beelden en waarvan, in combinatie gezien met de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, duidelijk is wie het betreffen, duidt het hof bij naam.

Het hof ziet om 03:43:22 uur de donkerblauwe personenauto van de verdachte vanuit de rechterzijde het beeld in komen rijden over de [locatie] en hoort daarbij het geluid van piepende banden. Vanuit de linkerzijde komt op vrijwel datzelfde moment een lichtkleurige bestelbus over de [locatie] in beeld langsrijden. Het hof ziet dat de twee voertuigen elkaar passeren en dat de donkerblauwe auto van de verdachte beduidend harder over de [locatie] rijdt dan de lichtkleurige bestelbus. De donkerblauwe auto van de verdachte verdwijnt dan om 03:43:25 uur met hoge snelheid links uit beeld. Uit beeld is te horen dat de auto afremt. Kort daarna zijn piepende banden en een brullende motor te horen.

Om 03:43:47 uur zijn lichten van de auto van de verdachte vanuit links in beeld te zien. Om 03:43:49 uur komt aangever op zijn fiets vanuit rechts in beeld. Hij fiets over het voetpad aan de [locatie] . Om 03:43:50 is te zien dat de donkerblauwe auto van de verdachte met hoge snelheid in de richting van aangever rijdt – op het oog vergelijkbaar met de hoge snelheid waarmee de auto van de verdachte eerder in beeld kwam. Het hof ziet om 03:43:51 uur – precies op het moment dat aangever ter hoogte van de oprit van een woning is en waar het voetpad niet langer door bosschage is gescheiden van de rijbaan – dat de donkerblauwe auto van de verdachte uitwijkt naar rechts, met piepende banden richting de oprit rijdt en aangever op zijn fiets raakt. De fiets van aangever vliegt dan door de lucht over het tuinhek en aangever zelf valt op de grond van de oprit voor het tuinhek. De auto van de verdachte komt tot stilstand tegen het tuinhek.

III.

Aanvullende bewijsoverwegingen (ten aanzien van feit 1).

Gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, zal het hof de bewijsoverwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 1, zoals weergegeven op pagina’s 2 en 3 van het beroepen vonnis (onder het kopje ‘4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1’) geheel vervangen.

In hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit omdat bij de verdachte de opzet om aangever iets aan te doen ontbrak – ook in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft de aangever slechts bang willen maken. Kern van de zaak voor de verdediging is dat er, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen sprake is geweest van een bewuste en doelgerichte stuurbeweging gericht op het raken van aangever. Dat hiervan geen sprake is geweest, volgt volgens de verdediging uit het aan het dossier toegevoegde filmfragment waarop te zien is dat de verdachte zo dronken was dat hij nauwelijks in staat was de bocht richting de [locatie] te nemen. Dit roept de vraag op of de verdachte wel in staat was doelgericht op iemand in te rijden. De verdediging heeft verder gewezen op het hoogteverschil tussen de weg waarop verdachte reed en de stoep waarop aangever reed, hetgeen de auto minder bestuurbaar maakte. Ook heeft de verdediging gewezen op het feit dat verdachte zichzelf (en zijn auto) niets heeft willen aandoen. Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever nu er geen objectieve gegevens in het dossier zitten waaruit kan volgen hoe hard verdachte heeft gereden.

Ter terechtzitting heeft de verdachte nog naar voren gebracht dat het niet zijn bedoeling was om aangever aan te rijden. Hij is achter aangever en zijn vrienden aangereden om hen aan te spreken over het eerdere filmen met de telefoon. Hij wilde zijn auto stilzetten voor aangever, maar kreeg de auto niet op tijd tot stilstand.

Vol opzet

Met de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat vol opzet op de dood van aangever niet kan worden bewezen. Daarvoor is vereist dat verdachte met zijn handelen daadwerkelijk de intentie heeft gehad om aangever van het leven te beroven. Daarvan is niet gebleken. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier op de dood van aangever – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Bij de beoordeling of er in de onderhavige zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden (pagina 20 t/m 11 van het procesdossier) het volgende vast.

De verdachte heeft op 26 juli 2023 als bestuurder in zijn auto op de [locatie] aangever op zijn fiets aangereden. Voorafgaand aan de aanrijding heeft de verdachte twee keer boos naar aangever en zijn vrienden geroepen “nou opgeflikkerd voordat ik jullie pak”. Toen aangever en zijn vrienden wegfietsten is de verdachte hen achterna gereden. Op enig moment heeft de verdachte aangever en zijn vrienden ingehaald op de [locatie] vanuit de richting van de Reeshofdijk.

Op de camerabeelden (Camera [locatie] woning.mp4) is hoorbaar dat een auto met piepende banden en met luid brullende motor optrekt. Vervolgens verschijnt de auto van de verdachte met piepende banden rechts in beeld en rijdt de auto met hoge snelheid links uit beeld in de richting van het Paletplein. Te horen is dat een auto afremt en wederom klinken piepende banden en een brullende motor.

Vervolgens komt er een fietser, de aangever, vanuit de richting van de Reeshofdijk, de [locatie] oprijden. De verdachte heeft zijn auto buiten beeld gekeerd en verschijnt dan vanaf links weer in beeld. Met hoge snelheid rijdt de auto van de verdachte in de richting van de oprit van een woning. Precies op het moment dat de aangever ter hoogte is van de oprit wijkt de auto van de verdachte met piepende banden uit naar rechts en raakt aangever. De fiets van aangever vliegt door de lucht over het tuinhek, de aangever komt ten val op de grond van de oprit en de auto van de verdachte komt tot stilstand tegen het tuinhek met daarachter een boom.

Na de aanrijding rijdt de verdachte zijn auto met een luid brullende motor achteruit en rijdt in de richting van de Reeshofdijk. Hoorbaar is dat de verdachte roept: “kom dan hier”, “kom dan hier stelletje kankermongolen” en “ik ben kankergek”. De auto van de verdachte is dan total loss.

Aanmerkelijke kans en wetenschap daarvan

De verdachte heeft in zijn auto met hoge snelheid gereden over de [locatie] in de richting van aangever die op zijn fiets reed. Op het moment dat aangever bij de oprit van een woning was heeft de verdachte zijn auto naar aangever toe gestuurd en is op hem ingereden. Alhoewel op basis van het bewijs niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden, kan naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen – blijkens de camerabeelden, de piepende banden en luid bulderende motor – wel worden afgeleid dat dit met aanzienlijke snelheid is geweest. De impact van de aanrijding volgt ook uit de omstandigheid dat de fiets van aangever door de lucht over het tuinhek is gevlogen en de auto van de verdachte total loss was. Een fietser is ten opzichte van een auto een kwetsbare verkeersdeelnemer. Het hof beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat bij een aanrijding met hoge snelheid tussen een auto en een fietser de kans op een dodelijke afloop aanmerkelijk is. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat in onderhavige zaak naar algemene ervaringsregels sprake was van een aanmerkelijke kans dat de verdachte een aanrijding zou veroorzaken met een dodelijke afloop.

Bewuste aanvaarding

Aan het hof ligt vervolgens voor de beantwoording van de vraag of door de verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard (op de koop toe is genomen). Het hof betrekt in dit verband de omstandigheid dat de verdachte onder invloed van alcohol was, dat de verdachte aangever en zijn vrienden – nadat zij wegfietsten – in zijn auto achterna is gereden en heeft opgejaagd. De verdachte heeft, zelfs nadat hij aangever en zijn vrienden al had ingehaald, zijn auto gekeerd en is daarna weer met hoge snelheid in de richting van aangever gereden. Ook betrekt het hof daarbij dat de verdachte precies ter hoogte van de oprit van een woning – waar bosschage het voetpad niet langer scheidde van de rijbaan en waar op dat moment aangever fietste–met piepende banden met zijn auto naar het voetpad is uitgeweken en op aangever is ingereden. Daarbij heeft de verdachte zowel voor- en na de aanrijding zijn boosheid scheldend geuit.

Het hof is gelet hierop van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht waren op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Contra-indicaties die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust zou hebben aanvaard, ontbreken. De omstandigheid dat de verdachte volgens de verdediging te dronken was om te kunnen rijden, wordt door de feitelijke gang van zaken weerlegd (de verdachte reed en heeft zelfs de auto gekeerd om naar aangever en zijn vrienden op hun fietsen terug te keren) en doet bovendien aan bovenstaande niets af.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de auto heeft willen doen stoppen voor aangever, maar de auto niet op tijd tot stilstand kreeg. De raadsman van de verdachte heeft in dit verband nog aangevoerd dat er een hoogteverschil zou zijn tussen de weg waarop verdachte reed en de stoep waarop aangever fietste waardoor de auto minder bestuurbaar zou zijn geweest. Het hof is van oordeel dat die omstandigheden op geen enkele wijze steun vinden in het procesdossier en evenmin in de camerabeelden, zodat het verweer van de verdediging feitelijke grondslag mist en reeds daarom zal worden verworpen. Het hof merkt hierbij nog op de indruk te hebben dat deze herinnering van de verdachte, waarover hij ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst heeft verklaard, een latere invulling van de verdachte lijkt te zijn die niet werkelijk heeft plaatsgevonden.

In hoger beroep is van de zijde van de verdediging nog aangevoerd dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte ook zichzelf iets wilde aandoen en dat aldus niet aannemelijk is dat de verdachte er zoveel aan gelegen was om aangever te raken dat hij voor lief zou nemen dat hij de auto – en mogelijk ook zichzelf – total loss zou rijden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Voor zover de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zich heeft beroepen op het Porsche-arrest overweegt het hof ten eerste dat dit arrest ziet op de situatie waarbij sprake is van twee sterke verkeersdeelnemers. In die situatie kan relevant zijn of een verdachte met zijn gedragingen ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt op zijn eigen dood. In dit verband merkt het hof op dat in de onderhavige zaak geen sprake is van gelijkwaardige verkeersdeelnemers. Een fiets heeft te gelden als zwakkere verkeersdeelnemer ten opzichte van een personenauto. Ten tweede overweegt het hof – voor zover de overwegingen van de Hoge Raad in het Porsche-arrest al enige relevantie zouden hebben voor de onderhavige zaak – dat niet is gebleken van gedragingen van de verdachte die erop gericht waren een aanrijding – met door de verdediging gesteld mogelijk fatale gevolgen voor zichzelf – te voorkomen. Het hof is bovendien van oordeel dat evenmin is gebleken van reëel levensgevaar voor de verdachte door zijn eigen handelen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het hof is, alles overziende, van oordeel dat de verdachte door op de wijze en onder de omstandigheden te rijden zoals hiervoor is beschreven zodanig heeft gehandeld dat hij de aanmerkelijke kans dat aangever, als zwakkere verkeersdeelnemer, het leven zouden verliezen, bewust heeft aanvaard.

Het in feit 1 subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Op te leggen sanctie

Aanvullende strafmotivering

Het hof verenigt zich met de strafoplegging in het vonnis van de openbare zitting van de rechtbank Breda op 18 september 2024, met aanvulling van het volgende.

Het hof stelt vast dat in deze de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, maar volstaat met de enkele constatering ervan nu het een geringe termijnoverschrijding van anderhalve maand betreft.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,

en op 14 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.