Strafrecht overig

Het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid 4-MMC. Bijdragen aan de productie van en handel in harddrugs…

Zaakgegevens

Op 17 april 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17 april 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
20-001036-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1390
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid 4-MMC.

Bijdragen aan de productie van en handel in harddrugs die, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Parketnummer : 20-001036-25

Uitspraak : 17 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 7 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-394246-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet geven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk strafdeel – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden verbonden:

- een meldplicht bij reclassering Nederland;

- een actieve deelname aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden;

- een verblijfsverplichting bij een instelling voor begeleid wonen;

- een inspanningsverplichting voor het vinden en behouden van een dagbesteding;

- een medewerkingsverplichting aan schuldhulpverlening.

Aan de reclassering is opdracht gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de verdachte partieel vrij te spreken van het tenlastegelegde gewicht van 27.000 gram. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft het hof verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de periode overstijgt die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht maar te volstaan met een taakstraf in combinatie met een (flinke) voorwaardelijke gevangenisstraf zonder bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan het voorhanden

hebben van een grote hoeveelheid 4-MMC. Door zijn handelwijze heeft de verdachte

bijgedragen aan de productie van en handel in harddrugs die, eenmaal in handen van

gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. De productie

van en handel in harddrugs gaat bovendien (steeds meer) gepaard met andere (zware)

vormen van criminaliteit zoals witwassen, bedreigingen en levensdelicten. De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit winstbejag en heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs.

Met de rechtbank gaat het hof bij de straftoemeting uit van een netto gewicht van 20.000 gram. Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van 10.000 tot en met 20.000 gram harddrugs is 30 maanden gevangenisstraf en bij meer dan 20.000 gram harddrugs een gevangenisstraf vanaf 36 maanden. In het onderhavige geval sluit het hof aan bij het oriëntatiepunt voor een hoeveelheid tot en met 20.000 gram.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een grote hoeveelheid

harddrugs voorhanden heeft gehad. Daarbij zijn anderen betrokken. De verdachte heeft slechts zeer beperkt openheid van zaken gegeven. Hij heeft verklaard dat hij opdracht kreeg van een persoon om de goederen over te dragen, heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de aard van de goederen en heeft ook niet willen verklaren over de persoon van wie hij de opdracht kreeg.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte hulp heeft gezocht bij de gemeente, begeleid woont, een re-integratietraject is gestart, zich heeft aangemeld voor schuldhulpverlening en dat hij heeft deelgenomen aan meerdere trainingen bij [hulpverlening 1] , gericht op persoonlijke ontwikkeling en weerbaarheid. Door een motorongeluk in december 2025 heeft de aanmelding van het traject [hulpverlening 2] vertraging opgelopen en heeft de verdachte moeten stoppen met zijn werk.

Naar het oordeel van het hof kan in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in het de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. In de door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet - gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht - geen aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,

en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.