Strafrecht overig
Intrekking hoger beroep na aanvang van de terechtzitting.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1834 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1834
Zaakgegevens
Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-000513-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1834
Samenvatting
Intrekking hoger beroep na aanvang van de terechtzitting.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-000513-25
Uitspraak : 24 juni 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-242621-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ (zoals primair tenlastegelegd), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Met de behandeling van de onderhavige strafzaak is op de terechtzitting van 23 september 2025 een aanvang genomen. Op deze zitting heeft echter geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, omdat de zaak toen op verzoek van de verdediging is aangehouden (omdat de verdachte verhinderd was wegens een operatieve ingreep in het ziekenhuis).
Het hoger beroep van de verdachte is vervolgens bij ‘akte intrekken hoger beroep’ d.d. 29 mei 2026 ingetrokken.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Zij heeft ter terechtzitting van 10 juni 2026 gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, wegens gebrek aan belang daarbij.
Ontvankelijk van het hoger beroep
Uit de ‘intrekking’ van het hoger beroep door de verdachte op 29 mei 2026 is het hof gebleken dat de verdachte geen belang meer hecht aan een behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep. Echter, het namens de verdachte ingestelde hoger beroep is ‘ingetrokken’ nadat de terechtzitting in hoger beroep op 23 september 2025 is aangevangen.
In aanmerking genomen dat:
? ter terechtzitting van 23 september 2025 geen sprake was van een behandeling van de strafzaak ten gronde;
? alleen de verdachte tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat de verdachte, blijkens de intrekking van het hoger beroep, geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep;
? het Openbaar Ministerie met deze intrekking heeft ingestemd;
? geen sprake is van een door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding,
zal het hof, nu het belang van de verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.