Strafrecht overig
Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 juli 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2194 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-2194
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- 20-000883-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2194
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren. De verdachte is partieel vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid (zwaar lichamelijk letsel). Het beroep op noodweer(exces) is verworpen. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen.
Uitspraak
Parketnummer : 20-000883-25
Uitspraak : 28 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-300322-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres 1]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 3.000,00 bestaande uit € 1.200,00 aan materiële schade en
€ 1.800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
7 augustus 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Tot slot is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis telkens begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de materiële schade zal schatten op een bedrag van € 1.200,00 en het gevorderde bedrag aan immateriële schade ten belope van € 2.000,00 zal toewijzen.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd en heeft de verdediging de vordering van de benadeelde partij op onderdelen betwist.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 augustus 2024 te Veldhoven, althans in Nederland,
[benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde]
- in/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of stompen, en/of
- meermalen, althans eenmaal, met kracht te duwen tegen het lichaam, en/of
- tegen het lichaam te schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm ten gevolge heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
Uit de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte op 7 augustus 2024 aangeefster [benadeelde] tegen het lichaam heeft geschopt. Het hof is, met de verdediging, van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte aangeefster in het gezicht of tegen het lichaam heeft geslagen of gestompt. Voor dit onderdeel van de verklaring van aangeefster bevat het dossier onvoldoende steunbewijs. Ten aanzien van het met kracht duwen van aangeefster zal hierna worden overwogen dat de wederrechtelijkheid daaraan ontbreekt. Het hof zal de verdachte voor deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Voorts stelt het hof op grond van de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen vast dat aangeefster [benadeelde] door het handelen van de verdachte letsel heeft bekomen. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het letsel van aangeefster kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit de zich in het dossier bevindende medische gegevens met betrekking tot het letsel blijkt dat aangeefster een gebroken ellepijp heeft opgelopen. Onder omstandigheden kan worden geconcludeerd dat bij een botbreuk sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Dat is, zoals hiervoor overwogen, afhankelijk van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de stukken, waaronder de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding van aangeefster, volgt dienaangaande dat aangeefster gedurende zes weken haar arm in het gips heeft gehad. Een operatieve ingreep was niet nodig en (blijvende) restschade is niet medisch onderbouwd noch op andere wijze gebleken. Onder deze omstandigheden is het hof, anders dan de politierechter, van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 augustus 2024 te Veldhoven [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tegen het lichaam te schoppen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant met registratienummer PL2100-2024179994, gesloten d.d. 24 september 2024 door verbalisant [verbalisant] , doorgenummerde pagina's 1 tot en met 72, nader te noemen: het dossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 augustus 2024 (pg. 6-13 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde]:
Ik wil aangifte doen van mishandeling gepleegd door mijn ex vriend, genaamd [verdachte] (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]).
Ik woon op het adres [adres 2] in Veldhoven.
Op woensdag 7 augustus 2024 om 07.50 uur kwam [verdachte] bij mij binnen met zijn eigen sleutel. Hij wilde kennelijk hals over kop al zijn spullen die bij mij lagen, meenemen. Toen zijn auto zo goed als vol zat, kwam hij binnen en wilde het speelgoedkeukentje van [kind] onder de trap weghalen, wat [kind] van mijn ouders gekregen had. Ik pakte [verdachte] achter bij zijn T-shirt vast en zei "Doe dat nou niet, alles gaat kapot zo". Op dat moment draaide [verdachte] zich ineens om mijn richting in. Ik had zijn shirt nog vast en [verdachte] gaf mij een flinke duw, waardoor ik naar achteren viel en in mijn val zijn shirt kapottrok. Vervolgens zag en voelde ik dat ik met kracht door [verdachte] , terwijl ik op de grond lag, tegen mijn rechterbovenbeen geschopt werd. Dat deed heel veel pijn. Uit reflex pakte ik mijn rechterbovenbeen vast met mijn rechterarm. Meteen daarop zag en voelde ik dat [verdachte] mij met kracht nog een keer schopte tegen mijn rechteronderarm.
Ik ben in het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven naar de afdeling Röntgen gegaan. Er is een röntgenfoto gemaakt waarop werd vastgesteld dat mijn onderarm gebroken was. Mijn rechteronderarm is vanuit mijn pols tot midden onderarm gebroken. Mijn onderarm werd in het gips gezet.
2. Een geschrift, te weten een brief van het Maxima MC ziekenhuis aan het Gezondheidscentrum [naam 2] t.a.v. [naam huisarts] (huisarts),
d.d. 27 augustus 2024 (opgenomen op pagina 21 van het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] , d.d. 25 maart 2025), voor zover inhoudende als relaas van [naam chirurg] (chirurg):
Betreft: mevrouw [benadeelde] , geb. [geboortedatum] .
Zij presenteerde zich op 7 augustus op mijn poli met de verwijzing dat zij een
trauma had ondergaan van de onderarm rechts met pijn, waarbij bij lichamelijk
onderzoek er een duidelijke pijnlijkheid was over de ulna (het hof begrijpt na het raadplegen van openbare bronnen op het internet: de ellepijp) van haar rechterarm, net
proximaal van het polsgewricht.
Het röntgenbeeld liet het typische beeld van een pareerfractuur zien. Dat is een geïsoleerde distale ulnafractuur (het hof begrijpt na raadplegen van openbare bronnen op het internet: een breuk van het onderste deel van de ellepijp, vlak bij de pols, zonder andere botbreuken in de onderarm) met een goede stand.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 september 2024 (pg. 49-59 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte
[verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: In de ochtend (het hof begrijpt: de ochtend van 7 augustus 2024) heeft [slachtoffer] geappt naar je moeder dat ze jouw kleren klaar zou leggen. Jij zou om 07:50 aan de deur gekomen zijn. Wat kun je hierover verklaren?
A: (…) Ik ben daar inderdaad naar binnen gelopen.
V: Wat gebeurde er toen je binnen was?
A: Ik ben naar boven gegaan en ben mijn spullen gaan pakken.
Uiteindelijk ben ik beneden verdergegaan met spullen opruimen.
Het speelkeukentje van [kind] stond onder de trap. Ik wilde dit oppakken en ik werd van achter in mijn rug gesprongen. Ik heb haar van me afgegooid en in een reflex een trap na gegeven.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Aangeefster heeft de verdachte van achteren aangevallen waarna de verdachte haar uit reflex van zich af heeft geduwd en daarbij zijn been heeft gebruikt. Hij had derhalve geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) op het toebrengen van pijn of letsel bij aangeefster, aldus de verdediging. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de verdachte gehandeld zou hebben uit noodweer(exces). Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat er op 7 augustus 2024 te Veldhoven een incident heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en aangeefster. De verdachte kwam zijn spullen ophalen in het huis van aangeefster. Toen de verdachte het speelgoedkeukentje mee wilde nemen, is de situatie geëscaleerd en heeft aangeefster letsel in de vorm van een gebroken arm opgelopen. Over de loop van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het letsel van aangeefster verschillen de verklaringen van aangeefster en de verdachte van elkaar.
Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij verdachte tegen wilde houden en hem daardoor achter bij zijn T-shirt vastpakte. Op dat moment draaide de verdachte zich om en gaf haar een duw waardoor zij op de grond viel. Toen zij op de grond lag, voelde zij dat de verdachte haar tegen haar rechterbovenbeen schopte. Uit reflex pakte zij haar rechterbovenbeen vast met haar rechterarm. Meteen daarop voelde zij dat de verdachte haar nogmaals schopte tegen haar rechterarm, aldus aangeefster.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangeefster in zijn rug sprong en hem op zijn hoofd sloeg en aan zijn haren trok. Hij heeft aangeefster van zich afgegooid en in een reflex een trap na gegeven, aldus de verdachte. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij aangeefster van zich af heeft gegooid en daarbij zijn been heeft gebruikt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zijn been heeft gebruikt, maar geen bewuste schop heeft gegeven.
Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het letsel van aangeefster. Naar het oordeel van het hof is op grond van voorstaande verklaringen voldoende aannemelijk geworden dat aangeefster, op het moment dat de verdachte het speelgoedkeukentje mee wilde nemen, als eerst geweld heeft toegepast door de verdachte vanachteren vast te pakken. De verdachte heeft aangeefster vervolgens van zich afgeduwd waardoor zij op de grond terecht kwam. Het hof gaat er van uit dat de verdachte aangeefster heeft geschopt toen zij op de grond lag. Het hof baseert dat mede op de verklaring van de verdachte zelf bij de politie. Dat de verdachte zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgezwakt door te zeggen dat hij niet heeft getrapt maar enkel zijn been heeft gebruikt, naar het hof begrijpt om aangeefster van zich af te duwen, doet naar het oordeel van het hof aan de inhoud van zijn verklaring zoals afgelegd bij de politie, welke verklaring door de verdachte na het verhoor is doorgelezen en ondertekend, niets af. Bovendien sluit de verklaring van de verdachte bij de politie feilloos aan bij de verklaring van aangeefster en de constateringen rondom haar letsel.
Nu het hof ervan uitgaat dat de verdachte aangeefster geschopt heeft terwijl zij op de grond lag, is zonder meer duidelijk dat sprake is geweest van een opzettelijke mishandeling van aangeefster, zoals bewezen is verklaard. Het verweer van de verdediging dat geen sprake was van opzet op de mishandeling van aangeefster faalt daarom.
De verdediging heeft subsidiair een beroep op noodweer gedaan. In het begrip ‘mishandeling’ als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht ligt de wederrechtelijkheid van die gedraging besloten. In het geval een beroep op noodweer, zijnde een rechtvaardigingsgrond, slaagt, ontvalt de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van de verdachte en moet hij bijgevolg van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Op grond van bestendige jurisprudentie stelt het hof vast dat voor een geslaagd beroep op noodweer in de eerste plaats sprake dient te zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
Zoals hiervoor overwogen is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat aangeefster als eerste geweld heeft toegepast. Op dat moment was er naar het oordeel van het hof dan ook sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. De verdachte heeft zich dan ook verdedigd door aangeefster van zich af te duwen, waardoor aangeefster op de grond terecht kwam. Voor zover de tenlastelegging ziet op het met kracht duwen van aangeefster slaagt het beroep op noodweer en zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken. Het hof is evenwel van oordeel dat de noodweersituatie voor de verdachte op dat moment is beëindigd. Aangeefster lag op de grond waardoor er geen noodzaak bestond tot verdere verdediging. De aan de verdachte verweten gedraging, namelijk het schoppen tegen het lichaam van aangeefster terwijl zij op de grond lag, kan derhalve niet worden aangemerkt als een verdedigingshandeling. De verdachte komt ten aanzien het schoppen van aangeefster reeds daarom geen succesvol beroep op noodweer toe.
Resumerend verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer ten aanzien van het schoppen van aangeefster en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces.
Het hof stelt voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging ook sprake kan zijn indien – zoals in het onderhavige geval – op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat zijn gedragingen het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, zijnde de trappende beweging van de verdachte, het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging nu de verdachte geschrokken was en pijn had door de onverwachte aanval van aangeefster. Dat deze overschrijding zijn oorzaak zou vinden in de gemoedstoestand van de verdachte vindt echter op geen enkele wijze steun in het dossier. Uit de verklaring van de verdachte bij de politie, noch uit de verklaring van aangeefster is aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld uit een hevige gemoedsbeweging. Ook overigens is het hof van een dergelijke hevige gemoedsbeweging bij de verdachte niet gebleken. Het hof is van oordeel dat het beroep op noodweerexces derhalve evenmin kan slagen.
Nu er ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een taakstraf op te leggen.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij aangeefster [benadeelde] heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te schoppen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar pijn en letsel toegebracht. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in de relationele sfeer en in de woning van aangeefster, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof heeft ook gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij zijn zaken op orde heeft. Hij woont bij zijn moeder, ziet zijn zoon om het weekend, heeft geen schulden en werkt fulltime. De werkgever van de verdachte is op de hoogte van onderhavige strafzaak en heeft nog altijd het volste vertrouwen in de verdachte. Hij heeft dan ook met zijn werkgever kunnen regelen dat hij, als het zover komt, de ruimte krijgt om een taakstraf te verrichten, aldus de verdachte.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 september 2024. Hieruit volgt dat de reclassering geen noodzaak ziet tot interventies en/of toezicht. De verdachte heeft immers een blanco strafblad en de reclassering heeft geen problemen op praktische leefgebieden geconstateerd.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van een lichtere straf dan de politierechter nu het hof minder bewezen verklaart dan de politierechter in eerste aanleg.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.805,17, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten:
- materiële schade: € 1.805,17
o reiskosten: € 26,53;
o huishoudelijke hulp: € 990,00;
o beveiligingskosten: € 143,20;
o facturen Tranceformare (psychologische behandelingen): € 600,00;
o medicatiekosten: € 45,44;
- immateriële schade: € 2.000,00.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,00, waarvan € 1.200,00 aan materiële schade en € 1.800,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2024. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist. De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te
verklaren wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om het gevorderde bedrag aan schadevergoeding te matigen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat het rechtstreekse verband tussen de ten laste gelegde mishandeling en het psychisch letsel wordt betwist, vanwege een mogelijk bij aangeefster aanwezig trauma. Ten aanzien van de materiële schade betwist de raadsman eveneens het rechtstreekse verband tussen de ten laste gelegde mishandeling en de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof dezelfde beslissingen dient te nemen als de politierechter heeft gedaan voor wat betreft de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de advocaat-generaal de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Aldus heeft hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden tot vergoeding van de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een totaalbedrag van € 2.671,97. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Materiële schade
Ten aanzien van de reiskosten, de facturen van Tranceformare (psychologische behandelingen) en de medicatiekosten is het hof van oordeel dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en dat deze kosten voldoende door de benadeelde partij zijn onderbouwd dan wel aannemelijk zijn gemaakt. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte tot vergoeding van deze schade is gehouden en dat dit gedeelte van de vordering toewijsbaar is.
Ten aanzien van de gevorderde kosten van huishoudelijke hulp overweegt het hof het navolgende. Op grond van bestendige jurisprudentie staat vast dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen.
Hoewel het hof wil aannemen dat de benadeelde partij door haar letsel moeilijkheden heeft ervaren met het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, is het hof onvoldoende gebleken dat zij daartoe in zijn geheel niet in staat was. Voorts is het hof niet gebleken dat het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde partij verkeerde normaal en gebruikelijk is dat zij zouden worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. De benadeelde partij in de gelegenheid stellen om de vordering op dit punt nader te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal daarom bepalen dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Datzelfde geldt voor de gevorderde beveiligingskosten, te weten de aanschaf van een videodeurbel, nu beantwoording van de vraag in hoeverre deze schadepost rechtstreekse schade is, naar het oordeel van het hof evenzeer een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal daarom bepalen dat dit deel van de vordering eveneens niet-ontvankelijk is en in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.?
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen. De verdachte heeft de benadeelde partij geschopt terwijl zij op de grond lag. Als gevolg van deze mishandeling heeft de benadeelde partij haar arm gebroken, zes weken gips gedragen en meerdere controles bij het ziekenhuis gehad. Daarnaast heeft de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit geestelijk letsel opgelopen en daarvoor EMDR-behandelingen gehad. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij de gevolgen van de daden van de verdachte nog elke dag bij zich draagt. Het hof is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit, dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is en deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen), zal het hof de immateriële schade naar billijkheid schatten op het verzochte bedrag van € 2.000,00. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen en wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Wettelijke rente
Wat betreft de materiële schade merkt het hof op dat deze schade op verschillende tijdstippen is ontstaan. Het hof zal derhalve bij wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente ter zake van de materiële schade zal aanvangen op 25 maart 2025, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend. Ten aanzien van de immateriële schade zal het hof bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 7 augustus 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 2.671,97. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 2.671,97, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 26 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.671,97 (tweeduizend zeshonderdeenenzeventig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit
€ 671,97 (zeshonderdeenenzeventig euro en zevenennegentig cent) als vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 7 augustus 2024 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.671,97 (tweeduizend zeshonderdeenenzeventig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 671,97 (zeshonderdeenenzeventig euro en zevenennegentig cent) aan materiële schadevergoeding en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
25 maart 2025 ten aanzien van de materiële schade en vanaf 7 augustus 2024 ten aanzien van de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 28 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.C. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.