Strafrecht overig

Overtreding artikel 162 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 (feit 1) en overtreding artikel 5 Wegenverkeerswet 1994…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juli 2026

Zaakgegevens

Op 27 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27 juli 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
20-003345-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2209
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overtreding artikel 162 lid 3 Wegenverkeerswet 1994 (feit 1) en overtreding artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (feit 2). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd met uitzondering van de straf. Het hof heeft de verdachte ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde een voorwaardelijke geldboete opgelegd ter hoogte van € 500,00, subsidiair 5 dagen hechtenis. Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde heeft het hof aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen, opgelegd en heeft het hof de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 60 dagen met aftrek van de tijd welke het rijbewijs reeds ingehouden is geweest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003345-25

Uitspraak : 27 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 december 2025, in de strafzaak met parketnummer 96-233596-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1) veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis. Ten aanzien van ‘overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2) heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 60 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Namens de verdachte is ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd en in dat kader onder meer aangevoerd dat het ten onrechte aanleggen van transportboeien een vormverzuim oplevert dat tot strafvermindering dient te leiden.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komt de strafoverweging van de politierechter te vervallen en zal deze worden vervangen door hetgeen hierna daaromtrent zal worden overwogen.

Ten slotte zal het hof, gelet op de vernietiging van het vonnis ten aanzien van de opgelegde straf, tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.

Verbetering c.q. aanvulling van de bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de Politie Eenheid Limburg, district Zuid-West-Limburg, basisteam Maastricht, registratienummer PL2300-2024115005, gesloten d.d. 29 juli 2024 (doorgenummerde dossierpagina’s 1-41). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Opsomming van de bewijsmiddelen t.a.v. feit 1

  • Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2024 (pg. 5-8), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

  • Een schriftelijk bescheid, te weten een beschikking rij- en/of begeleidingsverbod d.d. 15 juli (pg. 39-41);

  • Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 17 december 2025, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] ;

  • De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 13 juli 2026.

Verbetering c.q. aanvulling van de bewijsmiddelen t.a.v. feit 2

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2024 (pg. 5-8), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op dinsdag 16 juli 2024 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met de incidentenafhandeling voor het basisteam van Maastricht in de eenheid Limburg. Op genoemde dag en datum, omstreeks 21.00 uur, reden wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , tijdens onze surveillance over de Sint Maartenslaan in Maastricht, komende uit de richting van de Parallelweg en rijdende in de richting van de Wilhelminasingel. Wij zagen dat er een donkerblauwe Mercedes 220 D met Nederlandse taxi-kentekenplaat [kenteken 1] ons tegemoet gereden kwam. Het genoemde kenteken en de kentekenhouder, [verdachte] , geboren op [geboorteplaats] 1996 in [geboorteplaats] , waren ons beiden ambtshalve bekend door twee casussen de dag voordien, op 15 juli 2024. Voor meer informatie verwijzen wij naar het separaat opgestelde proces-verbaal van bevindingen 2024114323-7. [verdachte] kreeg een rijverbod fysiek uitgereikt door [verbalisant 2] voor de duur van 24 uur. Dit rijverbod gold van maandag 15 juli 2024, 22.03 uur, tot dinsdag 16 juli, 22.03 uur. Dit deelde [verbalisant 2] [verdachte] ook nog eens mondeling mede.
Wij zagen dat:
- de Mercedes richting aangaf naar rechts en rechtsaf de Alexander Battalaan indraaide
- er een zwartkleurige brom-/snorfiets achter de Mercedes over het fietspad reed, deze rechtdoor wilde rijden en de Mercedes geen voorrang verleende aan deze brom-/snorfiets
- de brom-/snorfiets vertraagde en uitweek naar links


Toen wij ter hoogte van de Alexander Battalaan [nummer 1] reden, zagen wij dat de Mercedes nog meer zijn snelheid verhoogde en met een scherpe stuurbeweging linksaf, de Bourgognestraat, indraaide. Wij zagen dat de achterzijde van de Mercedes hierbij lichtjes uitbrak. Wij kregen het vermoeden dat de Mercedes wilde ontkomen van de politie.

Toen wij de Bourgognestraat inreden, ter hoogte van huisnummer [nummer 2] , zagen wij dat de Mercedes bijna aan het einde van de Bourgognestraat was. Wij zagen dat de Mercedes ter hoogte van de kruising Bourgognestraat/Spoorweglaan zijn snelheid iets verlaagde en vervolgens doortrok. Wij zagen dat er een witte/beige Mini Cooper met Nederlands kenteken [kenteken 2] over de Spoorweglaan, komende uit de richting van de Akerstraat, in de richting van het Stationsplein aangereden kwam. Wij zagen dat de Mercedes en de Mini Cooper beiden vol in de rem moesten. Wij zagen dat de Mercedes uitweek naar links en op de tegengestelde weghelft tot stilstand kwam. Had de Mercedes niet uitgeweken naar links, dan was een aanrijding, ondanks het remmen van beiden voertuigen, onvermijdelijk geweest. Er kwam geen verkeer aangereden op de weghelft waarop de Mercedes eindigde. Mocht hier wel een verkeersdeelnemer hebben gereden/gelopen, was ook hier een aanrijding onvermijdelijk geweest.

Op dinsdag 16 juli 2024, om 21.02 uur, zei ik, [verbalisant 1] , tegen [verdachte] dat hij was aangehouden ter zake het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg en het rijden tijdens een rijverbod.

Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , zagen dat [verdachte] :

- bloeddoorlopen ogen had

- rode vlekken ter hoogte van zijn wangen had

- vertraagd leek te spreken

Op dinsdag 16 juli 2024, om 21.05 uur, vorderde ik, [verbalisant 1] , de medewerking voor een voorlopige blaastest en een speekseltest. Gezien bovengenoemde indicatie en de informatie van de dag voordien. Hiervoor verwijs ik opnieuw naar het separaat opgestelde proces-verbaal van bevindingen 2024114323-7. Wij, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , hoorden dat [verdachte] zei dat hij hieraan mee zou werken.

Wij zagen en hoorden dat [verdachte] heel zacht blies en niet aan een stuk doorblies. Wij legden [verdachte] gezamenlijk uit dat hij krachtig moest uitblazen, net zolang totdat [verbalisant 2] stop zei. Wij zagen en hoorden dat [verdachte] opnieuw zacht uitblies en niet aan een stuk door uitblies.

Ik, [verbalisant 1] , zei dat [verdachte] niet meewerkte, bewust de voorlopige blaastest negatief beïnvloede en hij dus de medewerking weigerde.

De route welke [verdachte] aflegde was in het centrum van Maastricht in de omgeving van het centraal station in Maastricht. Langs deze route liggen verschillende horecagelegenheden met terrassen. Ook is het een komen en gaan van toeristen, studenten en werkende burgers die gebruik maken van de treinen welke stoppen aan het Centraal Station. Deze mensen verplaatsen zich veelal te voet en/of met de fiets. De Alexander Battalaan kruist zich halverwege met de Stationsstraat. Dit kruispunt is zeer onoverzichtelijk en ingericht met vluchtheuvels en een ruim voetpad. Er reden ook nu meerdere fietsers, er waren meerdere voetgangers, er zaten mensen op de terrassen en er reden ook auto's en bussen op de route welke [verdachte] aflegde.

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 16 juli 2024 (pg. 16-19), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :

O: Bij wegrijden richting het stationsplein sloeg je links af vanuit de Bourgognestraat en raakte je bijna een ander voertuig die van rechts kwam?
V: Had je het voertuig [naar het hof begrijpt: de Mini Cooper] die van rechts kwam überhaupt gezien?
A: Ik had die niet gezien.

Verbetering c.q. aanvulling van de bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe is primair aangevoerd dat geen sprake is van voldoende gevaar of hinder zoals in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is omschreven, omdat de lezing van de verdachte afwijkt van de lezing van de verbalisanten ter plaatse, in die zin dat de verweten gedragingen niet hebben plaatsgevonden op de wijze als door de verbalisanten gerelateerd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat indien het hof de lezing van de verbalisanten volgt, eveneens geen sprake is van voldoende gevaar of hinder, omdat de verweten gedragingen niet per definitie strafbare gedragingen zijn in de zin van artikel 5 van de WVW 1994.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van het primair aangevoerde overweegt het hof dat sprake is van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal waarin twee verbalisanten hun, voor zover hier relevant: eenduidige, bevindingen hebben neergelegd over het rijgedrag van de verdachte. Tegenover deze twee juridische bewijsmiddelen staan de verklaringen van de verdachte zoals afgelegd bij de politie, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze verklaringen bevatten ten opzichte van elkaar echter, op een belangrijk punt, een tegenstrijdigheid, te weten op het punt of de verdachte ter hoogte van de kruising van de Bourgognelaan met de Spoorweglaan de Mini Cooper al dan niet heeft waargenomen. De bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte op dit punt kan daarbij, anders dan de verdediging, bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat de verdachte met het woord ‘voertuig’ doelt op deze Mini Cooper, in het bijzonder omdat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de aanwezigheid (buiten het door de verdachte bestuurde voertuig) van een ander (rijdend) voertuig op deze locatie op het desbetreffende tijdstip dan deze Mini Cooper. Voorts is van belang dat voor de verklaringen van de verdachte dat, kortweg, op geen enkel moment sprake is geweest van een door hem veroorzaakte gevaarlijke verkeersituatie geen steun is te vinden in de overige inhoud van het dossier. Bovendien mag worden bedacht dat een verdachte als zodanig belang heeft bij het afleggen van een hem ontlastende verklaring, teneinde voor hem negatieve gevolgen in een strafrechtelijke procedure te voorkomen. Anders dan de verdediging lijkt te suggereren, is daarentegen niet aannemelijk dat de twee desbetreffende verbalisanten reden hadden om, in het nadeel van de verdachte onjuist te verklaren. Ook overigens ziet het hof geen redenen om aan de juistheid van de bevindingen van deze verbalisanten over het verkeersgedrag van de verdachte te twijfelen. Het hof zal daarom bij de beoordeling van het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde uitgaan van deze bevindingen, onder voorbijgaan aan de andersluidende verklaringen van de verdachte daarover.

Het hof verwerpt het primaire tot vrijspraak strekkende verweer.

Ten aanzien van het subsidiair aangevoerde overweegt het hof als volgt.

Het is op grond van artikel 5 van de WVW 1994 een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Voor wat betreft het veroorzaken van gevaar op de weg geldt dat sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt. Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval. Een enkele overtreding van een verkeersregel zal niet zonder meer het gevaar opleveren zoals bedoeld in artikel 5 van de WVW 1994 (vgl. Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 66).

De vraag is vervolgens of de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen aan te merken zijn als gedragingen waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd, in de zin van artikel 5 van de WVW 1994.

Uit het dossier volgt dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte op 16 juli 2024 als bestuurder van een Mercedes zagen rijden. Zij herkenden de verdachte ambtshalve, omdat zij de verdachte op 15 juli 2024 een rijverbod hadden opgelegd, die op dezelfde dag fysiek aan de verdachte in de vorm van een beschikking is uitgereikt. Vervolgens constateerden de verbalisanten dat de verdachte rechtsaf de Alexander Battalaan indraaide, waarbij hij geen voorrang verleende aan een brom-/snorfiets die rechtdoor ging. Hierdoor moest de bestuurder van de brom-/snorfiets vertragen en uitwijken (situatie 1). Vervolgens constateerden de verbalisanten dat de verdachte zijn snelheid verhoogde en met een scherpe stuurbeweging linksaf de Bourgognestraat indraaide. Daarbij brak de achterzijde van de Mercedes enigszins uit. De verdachte had aldus op dat moment zijn voertuig niet onder controle (situatie 2). Voorts zagen de verbalisanten dat de verdachte op de kruising tussen de Bourgognestraat en de Spoorweglaan geen voorrang verleende aan een Mini Cooper die van rechts kwam, waarna zowel de verdachte als de bestuurder van de Mini Cooper vol op de rem moesten. De verbalisanten verklaarden dat als de bestuurders niet hadden geremd, een aanrijding onvermijdelijk was geweest. Tevens moest de verdachte uitwijken naar links, waarbij zijn voertuig op de tegengestelde weghelft tot stilstand kwam. De verbalisanten relateerden dat als er op de andere weghelft verkeersdeelnemers waren geweest, een aanrijding eveneens onvermijdelijk was geweest (situatie 3)

Op grond van voormelde bevindingen is het hof van oordeel dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt zoals in artikel 5 van de WVW 1994 bedoeld. Zowel in de hiervoor als situatie 1 als situatie 3 omschreven situatie is concreet gevaar op de weg, in de zin van gevaar voor een aanrijding tussen het door de verdachte bestuurde voertuig en een andere verkeersdeelnemer, ontstaan.

Het hof verwerpt ook het subsidiaire tot vrijspraak strekkende verweer.

Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Op te leggen sanctie

De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht bij een bewezenverklaring van feit 1 aan de verdachte een geldboete op te leggen van € 500,00, te betalen in 5 termijnen. Indien het hof tot een bewezenverklaring van beide feiten komt, heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een geldboete op te leggen van in totaal € 750,00, te betalen in 10 termijnen. In het kader van de straftoemeting is tevens aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu bij de aanhouding van de verdachte transporthandboeien zijn aangelegd zonder dat daar een goede reden voor bestond zoals bedoeld in artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en overige opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie). Volgens de raadsman bestond geen aanleiding voor het gebruik van de transporthandboeien. Dit vormverzuim dient dan ook te leiden tot strafvermindering.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt vast dat op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie de ambtenaar ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing bij een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd handboeien kan aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor ontvluchting of de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

Als er redelijkerwijs geen gevaar voor ontvluchting of voor de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden, valt te vrezen, legt de ambtenaar geen handboeien aan. Als dit gevaar er redelijkerwijs wel is, dan is het aan de professionele inschatting van de ambtenaar om de beslissing te nemen tot het aanleggen van handboeien over te gaan (NvT, Stb. 2021, 46, p. 38).

Het hof stelt vast dat op grond van artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) de ambtenaar ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing bij een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd handboeien kan aanleggen indien op grond van de feiten of omstandigheden redelijkerwijs gevaar valt te vrezen voor ontvluchting of de veiligheid van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden. Het hof is met de verdediging van oordeel dat de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden, zonder een nadere onderbouwing van de verbalisanten, die ontbreekt, niet is gebleken dat er gevaar viel te vrezen voor ontvluchting, dan wel de veiligheid van de verdachte, de verbalisanten of van derden. Het hof is dan ook van oordeel dat het gebruik van de transportboeien onrechtmatig was, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, welk verzuim plaatsvond in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Bij de vraag of dit verzuim moet leiden tot strafvermindering, moet rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. In dit geval is niet gebleken dat het aanleggen van de transportboeien heeft geleid tot een zodanige ernstige schending van de rechtens te respecteren belangen van de verdachte, dat aan dit vormverzuim verdergaande gevolgen moeten worden verbonden dan na te melden. Het hof zal gelet op het voorgaande dan ook volstaan met de constatering van het vormverzuim.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf (voorts) gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 162, derde lid, van de WVW 1994, door een personenauto te besturen op de openbare weg, terwijl aan hem een rijverbod was opgelegd. Tevens is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 5 van de WVW 1994. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2026 betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder strafrechtelijk is veroordeeld, namelijk voor het ontwijken van een wegcontrole/politiecontrole in België.

Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is taxichauffeur van beroep en in verband met de onderhavige feiten verwacht hij dat zijn chauffeurskaart volgend jaar niet meer aan hem zal worden verstrekt. Tevens is de verdachte zijn auto voor lange tijd kwijt geweest, waardoor hij klanten en inkomsten is misgelopen.

Al het vorenstaande afwegende acht het hof ten aanzien van feit 1 een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, te betalen in 5 termijnen, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Het hof heeft hierbij acht geslagen op de draagkracht van de verdachte, voorzover hiervan ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van feit 2 acht het hof een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 60 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de WVW 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, passend en geboden. Een lagere straf, zoals opgelegd door de politierechter of bepleit door de verdediging, acht het hof gelet op de ernst van het bewezenverklaarde verkeersgedrag niet passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24a, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 162, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-233596-24 onder 1 bewezenverklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis;

bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) maandelijkse termijnen van elke termijn groot € 100,00 (honderd euro).

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;

ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 60 (zestig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 51 (eenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,

en op 27 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.