Strafrecht overig

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Mishandeling. Eenvoudige…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
20-002269-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2280
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Mishandeling. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd. Wederspannigheid, meermalen gepleegd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002269-25

Uitspraak : 21 juli 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-189310-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als

  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’(feit 1),

  • ‘mishandeling’(feit 2),

  • ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’(telkens feit 3 en feit 5) en,

  • ‘wederspannigheid, meermalen gepleegd’, (feit 4),

de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren alsmede de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsrapport.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat het hof deze integraal zal toewijzen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft voor wat betreft het onder feit 1, feit 2, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Tilburg, een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 5] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of verkrachting, door hun dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik steek jouw moeder en huis in de fik" en/of

"Jouw moeder steek ik in de fik en je vader steek ik in de fik",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Tilburg, politieambtenaar [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door [slachtoffer 1] te spugen in het gezicht, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer 1] teweeg heeft gebracht;

3.
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Tilburg, opzettelijk, een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 5] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:

"Kankerlijers", en/of

"Ik neuk je moeder, hoerenkankerkutkind", en/of

"Ik neuk je kankermoeder", en/of

"Ik zet jouw moeder en je huis in de fik", en/of

"Ik ga je kankermoeder ontmaagden", en/of

"Kankerhoerenzoon, kankerhoerenkankerkutkinderen",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Tilburg, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 5] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en/of zich met kracht in een andere richting te bewegen en/of een schoppende beweging te maken;

5.
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Tilburg, opzettelijk een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in de richting van [slachtoffer 2] en/of in het gezicht van [slachtoffer 1] te spugen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraken

Ten aanzien van feit 1

Het hof spreekt de verdachte vrij van de bedreiging van verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] nu niet wettig en overtuigend is komen vast te staan dat zij zijn bedreigd.

Ten aanzien van feit 4

Nu uit het dossier niet is komen vast te staan dat de tenlastegelegde wederspannigheid mede gericht is geweest tegen de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] , zal de verdachte ook in zoverre worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 19 juni 2025 te Tilburg, ambtenaren, te weten [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [slachtoffer 5] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door hun dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik steek jouw moeder en huis in de fik" en/of

"Jouw moeder steek ik in de fik en je vader steek ik in de fik",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op 19 juni 2025 te Tilburg, politieambtenaar [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door [slachtoffer 1] te spugen in het gezicht, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer 1] teweeg heeft gebracht;

3.
hij op 19 juni 2025 te Tilburg, opzettelijk, ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] (brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 5] (inspecteur bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:

"Kankerlijers", en/of

"Ik neuk je moeder, hoerenkankerkutkind", en/of

"Ik neuk je kankermoeder", en/of

"Ik ga je kankermoeder ontmaagden", en/of

"Kankerhoerenzoon, kankerhoerenkankerkutkinderen",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.
hij op 19 juni 2025 te Tilburg, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [slachtoffer 4] (agent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door met kracht in een andere richting te bewegen;

5.
hij op 19 juni 2025 te Tilburg, opzettelijk ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [slachtoffer 1] (hoofdagent bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in de richting van [slachtoffer 2] en in het gezicht van [slachtoffer 1] te spugen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd en is in eendaadse samenloop begaan met het onder 5 bewezenverklaarde, voor zover dat feit is gericht tegen verbalisant [slachtoffer 1] :

mishandeling.

Het onder 3 en 5 bewezenverklaarde wordt telkens als volgt gekwalificeerd:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

wederspannigheid, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in een advies van de reclassering d.d. 13 januari 2026 ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris in een nieuwe strafzaak tegen de verdachte.

De raadsvrouw heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met de hiervoor bedoelde bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belediging, bedreiging en mishandeling van een of meer verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte veroorzaakte overlast op de openbare weg waarna de verbalisanten hun werk uitvoerden door de verdachte aan te houden. De verdachte is door het lint gegaan en heeft verbalisanten uitgescholden, bedreigd en zelfs bespuugd. Ook heeft hij zich verzet bij zijn aanhouding. Met dit gedrag heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het openbaar gezag en heeft hij de dienstdoende verbalisanten gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 2 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.

Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte momenteel in een schorsingstoezicht met bijzondere voorwaarden loopt en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dit traject zou doorkruisen.

De advocaat-generaal heeft uitgevraagd hoe dit reclasseringstoezicht verloopt. De toezichthouder van de reclassering heeft te kennen gegeven dat het toezicht kortgeleden is gestart en dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken.

Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in samenhang met het strafblad van de verdachte, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de bijzondere voorwaarden bij een lopend schorsingstoezicht maakt dit niet anders. Voor zover als gevolg daarvan sprake is van een positieve ontwikkeling is die naar het oordeel van het hof nog te pril om in het voordeel van de verdachte tot een andere strafoplegging te komen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.

Met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het advies van de reclassering d.d. 13 januari 2026 ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris ter zake van een nieuwe strafzaak tegen de verdachte. De daarin genoemde bijzondere voorwaarden zijn geadviseerd in het kader van een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis en niet in het kader van deze strafzaak. Verdachtes voorlopige hechtenis is in die andere strafzaak inmiddels onder de geadviseerde voorwaarden geschorst. Het hof ziet geen aanleiding om die bijzondere voorwaarden ook nog in deze zaak te stellen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 505,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering integraal toegewezen tot een totaalbedrag van € 505,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om een lager bedrag aan immateriële schade toe te kennen dan dat de politierechter heeft gedaan.

Het hof overweegt ter zake van de gestelde immateriële schade als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 3 en feit 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is immers door verdachte verbaal beledigd en in het gezicht gespuugd. Hierdoor is de eer of goede naam van de benadeelde partij geschaad als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 505,00.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder feit 3 en feit 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 505,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 505,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 152,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering integraal toegewezen tot een totaalbedrag van € 152,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om een lager bedrag aan immateriële schade toe te kennen dan dat de politierechter heeft gedaan.

Het hof overweegt ter zake van de gestelde immateriële schade als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 3 en feit 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is immers door verdachte bespuugd. Hierdoor is de eer of goede naam van de benadeelde partij geschaad als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 152,00.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder feit 3 en feit 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 152,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 152,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 63, 180, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 505,00 (vijfhonderdvijf euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 505,00 (vijfhonderdvijf euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 5 (vijf) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 152,00 (honderdtweeënvijftig euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 152,00 (honderdtweeënvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. Y. van Setten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,

en op 21 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.