Strafrecht overig

De verdachte wordt veroordeeld ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1…

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
20-000722-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2696
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (feiten 1 en 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000722-25

Uitspraak : 2 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 82-194012-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van (telkens) ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ (feiten 1 en 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 slechts een bewezenverklaring kan volgen ten aanzien van 36 stuks vuurwerk. Tevens heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 december 2023 te [plaats] , in elk geval te Nederland, al dan niet opzettelijk, één of meer stuks professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten

- 308 stuks Super Cobra 6;

- 36 stuks Shock Bull Dog;

- 58 stuks Bomba Kolista (shell 3);

- 35 stuks Bomba Kolista (shell 4)

heeft opgeslagen in zijn woning aan [adres] , en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 5 december 2023 te [plaats] , in elk geval te Nederland, al dan niet opzettelijk, teneinde handelingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, te weten het ter beschikking stellen aan een ander van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, voor te bereiden of te bevorderen:

a. heeft getracht een ander te bewegen om die handelingen te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

b. heeft getracht zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het verrichten van die handelingen te verschaffen, en/of

c. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het verrichten van die handelingen,

immers, heeft verdachte via de applicatie Telegram, een advertentie en/of bericht geplaatst waarin hij professioneel vuurwerk te koop heeft aangeboden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is – mede gezien het verhandelde ter terechtzitting en de gevoerde verdediging – daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 6 december 2023 te [plaats] opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten

- 308 stuks Super Cobra 6;

- 36 stuks Shock Bull Dog;

- 58 stuks Bomba Kolista (shell 3);

- 35 stuks Bomba Kolista (shell 4)

heeft opgeslagen in zijn woning aan [adres] , en voorhanden heeft gehad;

2.
hij op 5 december 2023 te [plaats] , in elk geval te Nederland, opzettelijk, teneinde handelingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, te weten het ter beschikking stellen aan een ander van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, voor te bereiden of te bevorderen:

b. heeft getracht zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het verrichten van die handelingen te verschaffen

immers, heeft verdachte via de applicatie Telegram, een advertentie geplaatst waarin hij professioneel vuurwerk te koop heeft aangeboden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West -Brabant, registratienummer PL2000-2023310575, gesloten d.d. 27 april 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 81). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde onder 1 en 2 heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 december 2023, p. 7-9, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Telegramgebruiker ‘ [accountnaam] ’ biedt vuurwerk aan

Ik zag dat er op 5 december 2023 omstreeks 20:49 uur in de groep ‘ [naam] ’ een bericht was geplaatst door het Telegramaccount met de naam: ‘ [accountnaam] ’ en uniek ID: [nummer] . Dit betrof het volgende bericht:

[accountnaam]

Wees er snel bij om niet mis te grijpen !! !!

Vandaag GRATIS bezorging in de regio !!

Cobra 6

1 pak 20€

10 pakken 190€

Shock Bulldogs 18 gram ✓

1 pak 20€

5 pakken 90€

10 pakken 180€

3"Shells (Triplex) ✓

1 bal 20€

5 ballen 90€

Karton 72 stuks 700€

Ophalen ✓ omgeving [plaats]

Bezorgen rond [plaats] ✓

Geld wordt gecontroleerd ✓

Gelijk oversteken niks voorafbetalen

Opsturen ×

Serieuze mensen met geld ✓

Bezorgen buiten [plaats] mogelijk tegen betaling ✓

Ik zag dat bij het bericht een video was geplaatst. Ik zag op de video meerdere dozen met vuurwerk wat ik ambtshalve herkende als Cobra 6 vuurwerk, vuurwerk shells en Bulldogs vuurwerk. Ik zag dat op het vuurwerk een briefje was geplaatst met de tekst: ‘ [accountnaam] 5-12-23 20.48’.

Naar aanleiding van het bovenstaande, werd door mij een onderzoek ingesteld in de politiesystemen en heb ik onderzoek gedaan via Telegram. Hieruit bleek dat aan het Telegramaccount met weergegeven naam ‘ [accountnaam] ’ en het unieke kenmerkende gebruikers-ID ‘ [nummer] ’, het telefoonnummer ‘ [telefoonnummer] ’ was gekoppeld.

Na onderzoek in de politiesystemen bleek dat het telefoonnummer ‘ [telefoonnummer] ’ gekoppeld is aan de persoon: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , woonachtig op [adres] .

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 december 2023, p. 17-20 (met fotobijlage, p. 21-31), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 6 december 2023, omstreeks 20.50 uur, kreeg ik de opdracht om te gaan naar [adres] . Inspecteur [verbalisant 3] toonde mij een proces-verbaal van bevindingen van inspecteur [verbalisant 4] , waarin een onderzoek was ingesteld met betrekking tot de bewoner van [adres] . Dit in verband met informatie dat hij mogelijk zou handelen in illegaal vuurwerk. In de politiesystemen stond dat [verdachte] woonachtig was op dit adres.

Op 6 december 2023, omstreeks 21.10 uur, kwam ik samen met brigadier [verbalisant 5] , inspecteur [verbalisant 6] en aspirant [verbalisant 7] aan op [adres] . Ik belde bij de woning op [adres] aan. Op 6 december 2023, omstreeks 21.15 uur, zag ik dat een man de voordeur opende. Ik zag dat het signalement van de man overeenkwam met de foto uit SKDB uit de politiesystemen van de verdachte [verdachte] die ingeschreven stond op [adres]

Op 6 december 2023, omstreeks 21.15 uur, vroeg brigadier [verbalisant 5] aan de man in de deuropening wat zijn naam was en of hij woonachtig was op [adres] . Ik hoorde dat de man zij dat hij [verdachte] was en dat hij hier woonde.

Op 6 december 2023, omstreeks 21.30 uur, zag ik, nadat wij de woning betraden, dat tegenover de voordeur, in de woning, onder een blauw kleed voorwerpen waren opgestapeld. Ik haalde het blauwe kleed van de voorwerpen af en zag vijf dozen op elkaar gestapeld. Ik zag dat de bovenste doos open was en dat er in de doos negen verpakkingen lagen met daarin in iedere verpakking vier staven. Ik zag dat op de verpakking stond ‘Shock Bulldog TripleX’, wat ik ambtshalve herken als illegaal vuurwerk.

Ik haalde de doos van de stapel dozen en zag in de eerst volgende doos acht verpakkingen met in iedere verpakking drie staven. Ik zag dat op de staven ‘Super Cobra 6’ stond, wat ik ambtshalve herken als illegaal vuurwerk.

Op 6 december 2023, omstreeks 21.35 uur, zag ik dat in de overige dozen op de stapel zich ook ambtshalve herken als illegaal vuurwerk bevond. Al het aangetroffen vuurwerk werd vervolgens in beslag genomen.

3. De kennisgeving van inbeslagneming, p. 36-37, voor zover inhoudende:

Inbeslagneming

Plaats: [adres]

Datum en tijd: 6 december 2023 te 21:35 uur

Beslagene

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedag] 1997

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Volgnummer 1

Goednummer: PL2000-2023310343-2667109

Object: vuurwerk

Aantal/eenheid: 248 stuks

Merk/type: Cobra 6

Volgnummer 2

Goednummer: PL2000-2023310343-2667110

Object: vuurwerk

Aantal/eenheid: 36 stuks

Merk/type: Bulldog

Volgnummer 3

Goednummer: L2000-2023310343-2667111

Object: vuurwerk

Aantal/eenheid: 59 stuks

Merk/type: Shell 3

Volgnummer 4

Goednummer: PL2000-2023310343-2667114

Object: vuurwerk

Aantal/eenheid: 35 stuks

Merk/type: Shell 4

4. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk d.d. 23 april 2024, p. 40-59, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :

Op 23 januari 2024 is door mij, [verbalisant 8] , brigadier van politie, werkzaam als materiedeskundige vuurwerk, behorende tot het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV), te Ulicoten, het inbeslaggenomen vuurwerk op uiterlijke kenmerken onderzocht.

Ik zag dat de door mij onderzochte partij was voorzien van: de PL-code en BVH-nummer: PL2000-2023310343.

Het onderzochte vuurwerk is door mij ingedeeld in de Lijsten I t/m IV conform de Richtlijn Voor Strafvordering Vuurwerkdelicten en de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt. De resultaten daarvan vermeldde ik in onderstaande tabel.

Lijst III

Professioneel vuurwerk ingedeeld in categorie F4, vuurwerk dat volgens opschrift niet is voorzien van een F categorie (categorie F1, F2, F3) en vuurwerk voorzien van de categorie P1 of P2 met uitzondering van handfakkels.

Lijst III

Shells (Mortierbommen).

93 st.

Lijst III

Bangers (zwaar knalvuurwerk: categorie F4 en/of niet ingedeeld).

344 st.

Bijlage 2: Knalvuurwerk – Lijst III (1)

Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk (banger/flashbanger). Mijn bevindingen heb ik weergegeven in onderstaande tabel.

Naam

Super Cobra 6

Producent

Di Blasio Elio Fireworks

Artikel nr.

006 C CE

Lengte in mm.

131

NEM etiket in gr.

28,0

CE marketing

Ja

Aantal stuks

308

CE reg.nr.

0163-F4-1018

Ik heb dit vuurwerk ingedeeld in Lijst III van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4. Op basis van mijn bevindingen stel ik vast dat dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk.

Bijlage 3: Knalvuurwerk – Lijst III (1)

Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk (banger/flashbanger). Mijn bevindingen heb ik weergegeven in onderstaande tabel.

Naam

SHOCK BULL DOG

Producent

ARPI shpk

Artikel nr.

XP4002 (TIG1)

Lengte in mm.

100

NEM etiket in gr.

18

CE marketing

Ja

Aantal stuks

36

CE reg.nr.

0163-F4-3262

Ik heb dit vuurwerk ingedeeld in Lijst III van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4. Op basis van mijn bevindingen stel ik vast dat dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk.

Bijlage 4: Shell - Lijst III (Mortierbom) (1)

Ik zag dat dit vuurwerk was van de soort shell (mortierbom). Mijn bevindingen heb ik weergegeven in onderstaande tabel.

Naam

Bomba Kulista

Producent

Artikel nr.

divers

Diameter in inch

4

NEM etiket in gr.

298/328

CE marketing

Ja

Aantal stuks

35

CE reg.nr.

Zie tabel hieronder

Ik heb dit vuurwerk ingedeeld in Lijst III van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4. Op basis van mijn bevindingen stel ik vast dat dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk.

Bijlage 5: Shell - Lijst III (Mortierbom) (2)

Ik zag dat dit vuurwerk was van de soort shell (mortierbom). Mijn bevindingen heb ik weergegeven in onderstaande tabel.

Naam

Bomba Kulista

Producent

Artikel nr.

DS03

Diameter in inch

3

NEM etiket in gr.

145

CE marketing

Ja

Aantal stuks

58

CE reg.nr.

0163-F4-4338

Ik heb dit vuurwerk ingedeeld in Lijst III van de Richtlijn voor Strafvordering Vuurwerkdelicten. Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van de categorie-indeling F4. Op basis van mijn bevindingen stel ik vast dat dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk.

5. Het proces-verbaal relaas d.d. 27 april 2024, p. 4-6, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 6 december, omstreeks 21:10 uur, is door de politie een bezoek gebracht aan de woning op bovengenoemd adres. In de woning zagen zij dat er, onder een kleed, voorwerpen waren opgestapeld. De bovenste doos was open. Toen men erin keek zagen zij dat hier illegaal vuurwerk in lag. Het inbeslaggenomen vuurwerk is onderzocht door het Centraal Onderzoek Vuurwerk (COV).

Opmerking verbalisant

Uit het rapport van het COV blijkt dat de aantallen van het in beslag genomen vuurwerk afwijken van de aantallen die vermeld staan op de kennisgeving van inbeslagname.

- Cobra 6 volgens KVI 248 stuks. Moet zijn 308 stuks volgens de telling van het COV;

- Shell 3 volgens KVI 59 stuks. Moet zijn 58 stuks volgens de telling van het COV.

6. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 18 september 2026, voor zover inhoudende:

U, voorzitter, houdt mij voor dat de politie op 5 december 2023 ziet dat er een advertentie op Telegram wordt geplaatst waarin allerlei vuurwerk te koop wordt aangeboden. Na onderzoek blijkt dat bij dit account het telefoonnummer hoort eindigend op ‘999’ en dat dit mijn nummer betreft. Dit is juist. Op 6 december 2023 heb ik politieagenten in mijn woning (het hof: [adres]) binnen gelaten. Er stonden dozen met vuurwerk in de woonkamer.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging primair integrale vrijspraak bepleit Hiertoe heeft de verdediging – op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – in de kern aangevoerd dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking van de woning van de verdachte. De in het dossier voorhanden zijnde machtiging tot binnentreden is uitgeschreven op grond van artikel 96, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 20 van de Wet op de economische delicten. Artikel 20 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) bevat geen bevoegdheid tot doorzoeking, maar slechts tot het betreden/de toegang van plaatsen. Artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering bevat evenmin een doorzoekingsbevoegdheid. Het optillen van een kleed en het daarmee in het zicht brengen van daaronder verborgen goederen valt niet aan te merken als zoekend rondkijken, maar dient te worden gekwalificeerd als doorzoeken. Voor het doorzoeken van de woning is geen machtiging afgegeven. Dit onherstelbaar vormverzuim dient volgens de verdediging op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te leiden tot bewijsuitsluiting van alles dat na de onrechtmatige doorzoeking is gevonden, waardoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen, aldus de verdediging. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat, indien het hof van oordeel is dat met het optillen van het kleed geen sprake is geweest van doorzoeken, dit ten aanzien van de overige vier dichte dozen wel het geval is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit het dossier volgt dat aan de verbalisanten een machtiging tot binnentreden ter inbeslagneming is verstrekt op grond van onder meer artikel 20 WED, op grond waarvan opsporingsambtenaren toegang hebben tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs nodig is om hun taak te vervullen. Op 6 december 2023 is men naar de woning van de verdachte aan [adres] gegaan en is hem medegedeeld dat men een machtiging had om zijn woning te betreden ter inbeslagneming van vuurwerk. Hierop vorderde verbalisant [verbalisant 2] op 6 december 2023 aan de verdachte de uitlevering van al het vuurwerk dat zich in de woning bevond, waarop de verdachte heeft gezegd dat ze zelf moesten kijken. Dat is in dit geval gebeurd door in de woonkamer een kleedje op te tillen dat op een geopende doos lag waarin illegaal vuurwerk zat.

Op grond van artikel 21 WED mogen opsporingsambtenaren onderzoek aan zaken doen en verpakkingen openen. Artikel 21 WED is bij wet van 4 december 1997, Stb. 1997, 580 geredigeerd overeenkomstig artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Volgens de toelichting bij de tweede Aanpassingswet derde tranche Awb (Stb. 1997, 580) is de redactionele aanpassing een gevolg van de omstandigheid dat het oude artikel 21 WED in reikwijdte ‘geen of nauwelijks verschil’ te zien gaf met die van de meer algemeen geformuleerde bevoegdheid in artikel 5:18 Awb. Dat was het gevolg van dat de wetgever de in WED opgenomen opsporingsbevoegdheden heeft willen ‘harmoniseren’ met de regeling van de bevoegdheden in Titel 5.2 van de Awb.

Op 14 oktober 2025 heeft de Hoge Raad in een uitspraak over de reikwijdte ter zake van het begrip ‘onderzoeken’ in artikel 23 WED – dat ziet op de bevoegdheid tot onderzoek van vervoermiddelen en hun lading – geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 5:18 en 5:19 Awb volgt dat de wetgever niet heeft beoogd de reikwijdte van die bevoegdheden te normeren aan de hand van het (strafvorderlijke) onderscheid tussen ‘zoekend rondkijken’ en ‘doorzoeken’, maar dat het zelfstandige bevoegdheden betreffen. Onderzoek op grond van artikel 5:18 en 5:19 Awb vindt plaats met het oog op vervulling van betreffende taak van de toezichthouder en strekt, gelet op artikel 5:13 Awb, niet verder dan voor vervulling van die taak nodig is. In relatie tot de bevoegdheid van artikel 23 WED geldt volgens de Hoge Raad in lijn hiermee, dat het in die bepaling genoemde ‘onderzoeken’ moet plaatsvinden in het belang van de opsporing met het oog op naleving van de in die bepaling genoemde voorschriften en dat dit onderzoek niet verder strekt dan redelijkerwijs voor vervulling van die taak nodig is. Met inachtneming van deze begrenzing hoeft de uitvoering van het ‘onderzoeken’ op grond van artikel 23 WED zich dan ook niet te beperken tot uitsluitend ‘zoekend rondkijken’.

Het hof oordeelt dat in lijn met deze uitspraak dat het begrip ‘onderzoeken’ in artikel 21 WED, gezien de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling, op gelijke wijze dient te worden benaderd. Ook ‘onderzoeken’ in artikel 21 WED dient plaats te vinden in het belang van de opsporing met het oog op naleving van de in die bepaling genoemde voorschriften en dient niet verder te strekken dan redelijkerwijs voor vervulling van de taak nodig is. Dat betekent eveneens dat ‘onderzoeken’ op grond van artikel 21 WED zich niet hoeft te beperken tot uitsluitend ‘zoekend rondkijken’.

Tegen voornoemde achtergrond valt naar het oordeel van het hof het door opsporingsambtenaren optillen van een kleed en het daarmee in het zicht brengen van daaronder verborgen goederen binnen de bevoegdheid van artikel 21 WED, is de uitvoering ervan in het belang van de opsporing en strekt de onderzoekshandeling niet verder dan redelijkerwijs nodig is om hun taak te vervullen. Het hof heeft hierbij betrokken de omstandigheid dat de verdachte op de vordering van de opsporingsambtenaren tot uitlevering van al het in de woning aanwezige vuurwerk heeft gereageerd met de opmerking dat de opsporingsambtenaren zelf maar moesten kijken. Voorts is van belang dat uit het politiedossier in elk geval niet blijkt dat de woning verder indringend, laat staan stelselmatig, is doorzocht.

Het verweer dat het bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is verkregen, zal dan ook worden verworpen. Gelet op het voorgaande kan ook het subsidiaire verweer niet slagen. Van de aangetroffen dozen was de bovenste doos open. Toen men erin keek, zagen de opsporingsambtenaren dat hier illegaal vuurwerk in lag. De dozen zijn rechtmatig op grond van artikel 94 Sv ter waarheidsvinding in beslag genomen en voor nader onderzoek overdragen aan het Centraal Onderzoek Vuurwerk Domeinen. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is geen sprake.

Ambtshalve overweegt het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde dat het hof van oordeel is dat ten behoeve van de verkoop van het vuurwerk het publiek op de hoogte wordt gebracht (inlichtingen wordt verschaft) van de mogelijkheid om professioneel vuurwerk te kopen, tegen een bepaalde prijs dan wel dat de klant in de gelegenheid wordt gesteld om vuurwerk aan te kopen. Door de klant via reclame te bewegen vuurwerk te kopen wordt het ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan die klant voorbereid/bevorderd.

Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang beschouwd met de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde wordt (telkens) als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk opslaan, voorhanden hebben en te koop aanbieden van professioneel vuurwerk. Dit handelen van de verdachte getuigt ervan dat verdachte zich niets gelegen laat liggen aan de veiligheid van anderen. Het voorhanden hebben van vuurwerk bij particulieren ziet uiteindelijk steeds op het gebruik van dat vuurwerk met name door het af te steken. Het afsteken van het zware knalvuurwerk dat bij verdachte is aangetroffen en waar hij reclame voor heeft gemaakt, door personen zonder gespecialiseerde kennis, brengt ernstige risico’s met zich, niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor omstanders, omwonenden en dieren. Daarnaast wordt dergelijk vuurwerk de laatste tijd steeds vaker ook (zo nodig na aanpassing) gebruikt als geweldsmiddel ten behoeve van criminele doeleinden. Het hof rekent de verdachte het bewezenverklaarde dan ook ernstig aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij kampt met gezondheidsproblemen, nu hij diabetes type 1 en de ziekte van Addison heeft. Daarnaast heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij sinds twee maanden als logistiek medewerker werkt voor een bedrijf in ledverlichting.

Gelet op de hoeveelheid vuurwerk en de omstandigheden waaronder deze goederen zijn aangetroffen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Bij de strafoplegging houdt het hof eveneens rekening met de omstandigheid dat de verdachte, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep, enig voortschrijdend inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen, dat hij op geen enkele wijze inzicht heeft willen geven in de beweegredenen voor zijn handelen en zijn houding ter terechtzitting. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Al het voorgaande afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof ziet aanleiding om hieraan een proeftijd van 3 jaren te verbinden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven vuurwerk, met betrekking tot hetwelk het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 308 stuks Super Cobra 6;

- 36 stuks Shock Bull Dog;

- 58 stuks Bomba Kolista (shell 3);

- 35 stuks Bomba Kolista (shell 4).

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. W.F. Koolen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 2 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 464, nr. 3, p. 13-14. Vgl. Kamerstukken II 1994/95, 23 700, nr. 5, p. 63. Vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1511, rov. 2.3.2-2.5.2. Het hof merkt daarbij tevens op dat ‘zoekend rondkijken’ blijkens de bestendige jurisprudentie weldegelijk ook ruimte laat tot meer dan alleen met de handen op de rug kijken: vgl. Kamerstukken II 1992/93, 23 251, nr. 3, p. 17; HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238; HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:642 en GHAMS 21 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1746. Dit alles geldt temeer ter zake van voor de hand liggende voorwerpen (in casu de dozen).