Strafrecht overig

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 februari 2026

Zaakgegevens

Op 4 februari 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 februari 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
Zaaknummer
20-001671-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:683
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001671-24

Uitspraak : 4 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-174454-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 4.679,59 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] volledig toe zal wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren, primair in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde schadebedrag aanzienlijk dient te worden gematigd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling en verbetering van de gronden, behalve voor wat betreft de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen van de politierechter in zijn geheel worden vervangen op de wijze zoals hierna vermeld.

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zal het hof voor zover nodig de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring aanvullen en uitwerken in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bewijsoverweging

De politierechter heeft in het vonnis onder ‘Nadere bewijsoverwegingen’ een bewijsoverweging opgenomen (pagina’s 9 en 10). Het hof neemt met uitzondering van enkele passages deze over en maakt deze tot de zijne. Het hof geeft daarom hierna dat oordeel van de politierechter integraal cursief weer en waar het hof op onderdelen komt tot een aanvulling, wijziging of verbetering, zal het hof dit in niet gecursiveerde tekst aangeven, dan wel de door het hof verwijderde tekst zichtbaar doorhalen.

‘Het staat vast dat aangever en verdachte op 13 mei 2021 op het terras in Gemert waren. De duw heeft rond sluitingstijd plaatsgevonden. Uit de verklaringen van [getuige 1] , verdachte en [getuige 2] is af te leiden dat het uit de hand is gelopen op het moment dat de tent werd opgeruimd. De diverse verklaringen in het dossier zijn niet altijd even duidelijk en lopen ook uiteen. Het is van belang welke delen van de verklaringen wel ondersteund worden.

Verdachte verklaart dat hij twee keer is geslagen door aangever en dat hij zelf niet heeft geslagen, maar mogelijk wel heeft geduwd. Maar volgens verdachte was iedereen aan het duwen en aan het trekken. Het dossier bevat geen steun voor de bewering van verdachte dat

aangever de verdachte twee keer zou hebben geslagen.

De raadsvrouw heeft aangegeven dat herinneringen na verloop van tijd kunnen veranderen. Aangever zegt dat hij is gevallen en dat hij later heeft gehoord dat dat tegen een paaltje was, aangever zegt niet dat hij zich dat zelf kan herinneren. Verdachte zegt dat hij niet heeft geslagen, maar getuigen [getuige 3] en [getuige 4] spreken wel van een klap die is gegeven. Er is ook letsel vastgesteld bij aangever dat past bij een klap in het gezicht. Uit de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] is af te leiden dat verdachte degene is die de klap heeft gegeven. Dat blijkt uit het gegeven dat de jongen die de klap gaf is weggelopen en dat getuige [getuige 1] aangeeft dat verdachte is weggelopen. Gezien het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft geslagen.

Ten aanzien van de duw heeft aangever consequent verklaard, waaronder onder ede bij de rechter-commissaris. Datzelfde geldt voor getuige [getuige 5] . [getuige 4] en [getuige 1] spreken over een kleine jongen met kort blond haar en getuige [getuige 1] noemt verdachte bij naam. Getuige [getuige 4] heeft aangegeven dat de wegrennende jongen de duw heeft gegeven en er is gebleken dat dat verdachte is. Getuige [getuige 1] benoemt het duwen en het trekken en aangever heeft ook gesproken over een duw. Gezien het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft geduwd. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij misschien wel geduwd heeft, dit heeft hij ter terechtzitting genuanceerd. Door de duw is aangever tegen de paal ten val gekomen, daardoor is bij aangever pijn en letsel ontstaan. Anders dan door de raadsvrouw bepleit is hiermee sprake van een mishandeling mede gelet op de context van de ruzie.

Nu uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat aangever de verdachte twee klappen heeft gegeven, is geen sprake geweest van een noodweersituatie.

Ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel is de enkele vaststelling dat aangever een hersenschudding had onvoldoende. Er dient te worden gekeken naar de aard van het letsel, noodzaak tot een medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel. Aangever had een flinke hersenschudding en is zijn bewustzijn verloren. Er was geen medisch ingrijpen

noodzakelijk . Ten aanzien van het uitzicht op volledig herstel is relevant dat aangever een lang revalidatietraject achter de rug heeft en nog altijd arbeidsongeschikt is. Er zijn veel behandelingen van ergo- en fysiotherapie nodig (geweest). Aangever heeft nog steeds pijn en er is sprake van een chronisch pijnsyndroom. Gezien het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.’

In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt.

Bij de raadsheer-commissaris heeft getuige [getuige 6] (voor het eerst) verklaard dat [slachtoffer] de verdachte zou hebben geslagen. Nu deze verklaring meer dan vier jaar na het incident is afgelegd, strijdig is met de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en ook overigens niet aannemelijk is geworden, hecht het hof aan deze verklaring geen geloof, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

Dat doet het hof niet bij de belastende verklaring van de getuige [getuige 5] . Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat deze getuige op verschillende momenten, te weten op 10 september 2021, 7 februari 2024 en 15 juli 2025 verklaringen heeft afgelegd. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 5] , in navolging van haar schriftelijke verklaring en de verklaring bij de rechter-commissaris, concreet en consistent verklaard over hetgeen zij heeft waargenomen. Uit deze verklaringen volgt dat zij die dag op het werk was op het terras van het café waar de mishandeling heeft plaatsgevonden en heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] een duw heeft gegeven, als gevolg waarvan [slachtoffer] achterover ten val kwam en met zijn hoofd op een paaltje terecht is gekomen. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat [getuige 5] zich heeft vergist in hetgeen zij heeft waargenomen of dat zij niet heeft kunnen waarnemen wat zij zegt te hebben waargenomen. Nu haar verklaringen voldoende concreet en zonder tegenstrijdigheden zijn afgelegd en bevestiging vinden in de overige bewijsmiddelen, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, en zal het hof deze tot het bewijs bezigen.

Ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel, overweegt het hof dat - anders dan de politierechter overweegt - medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest nu de aangever meerdere ergo- en fysiotherapiebehandelingen heeft moeten ondergaan. Tevens overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [slachtoffer] , ruim 4,5 jaar nadat het incident heeft plaatsgevonden, nog altijd niet volledig is hersteld. Het hof is van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij [slachtoffer] is veroorzaakt, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar normaal spraakgebruik zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

De verweren van de verdediging vinden aldus hun weerlegging in de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven door de politierechter gebezigde, en door het hof aangevulde, bewijsmiddelen en bewijsoverweging.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte, met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzondere het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer] door hem in zijn gezicht te slaan en
te duwen, waardoor [slachtoffer] tegen een paaltje is gevallen. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaring komt naar voren dat dit letsel een grote impact had en nog altijd heeft op het dagelijks leven van het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Het gaat in deze zaak om zwaar lichamelijk letsel dat bij het slachtoffer is opgetreden als gevolg van het handelen van de verdachte. Dat gevolg is geobjectiveerd, hetgeen wil zeggen dat een vastgesteld causaal verband tussen het gedrag van de verdachte en het zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer toereikend is voor toepasselijkheid van het verhoogde strafmaximum als bedoeld in art. 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Opzet op dat zwaar lichamelijk letsel is dus niet vereist. Door de objectivering van het gevolg onderscheidt art. 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zich dus van de ‘zware mishandeling’ als bedoeld in art. 302 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor opzet op het zwaar lichamelijk letsel een vereiste is. In dat geval gaat het om zwaar lichamelijk letsel dat een door de verdachte al dan niet voorwaardelijk gewild gevolg betreft en dus veel strafwaardiger is dan een handeling die – zoals in deze zaak – door de verdachte ongewild datzelfde gevolg heeft.

Dat betekent dat het zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer weliswaar doorwerkt in de op te leggen straf, in die zin dat het een verhoging van de op te leggen straf meebrengt ten opzichte van een eenvoudige mishandeling zonder zwaar lichamelijk letsel, maar dat de straf, vanwege het wezenlijke verschil in opzet en het gewilde gevolg, aanzienlijk lager en anders kan uitvallen dan bij een ‘opzettelijk’ gepleegde zware mishandeling.

Het hof heeft daarom bij de op te leggen straf tevens acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. In het Landelijk Overleg Strafrecht (hierna: LOVS) is géén oriëntatiepunt vastgesteld voor het bestraffen van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’. Wel zijn in het LOVS oriëntatiepunten vastgesteld voor het bestraffen van mishandeling middels een ‘droge klap of schop’, te weten een geldboete ten bedrage van € 700,00.

Het hof acht een geldboete, gezien de gevolgen die de handelswijze van de verdachte voor het slachtoffer heeft gehad, in deze zaak echter geen passende strafmodaliteit. Om de nadelige gevolgen die verdachtes handelen tot op heden voor het slachtoffer heeft gehad voldoende tot uitdrukking te kunnen brengen, komt het hof tot de oplegging van een taakstraf. In verband met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit een oud feit betreft, acht het hof een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 23.573,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:

  1. Eigen risico 2021 € 885,00

  2. Eigen risico 2022 € 385,00

  3. Eigen risico 2023 € 285,77

  4. Verlies arbeidsvermogen voorshot: € 16.547,00

  5. Reiskosten € 470,34

  6. Immateriële schade van € 5.000,00

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van

€ 4.679,59, bestaande uit € 2.179,59 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep de oorspronkelijke vordering in volle omvang gehandhaafd, zodat deze in hoger beroep opnieuw ter beoordeling aan het hof voorligt.

Het hof overweegt daartoe als volgt

De materiële schade

Eigen risico (2021, 2022 en 2023) en reiskosten

Ten aanzien van de posten i., ii. iii en v is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, bestaande uit reiskosten en eigen risico van de zorgverzekering. Het hof zal daarom een bedrag van € 2.026,11 toewijzen.

Verlies arbeidsvermogen

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor verlies van arbeidsvermogen (post iv.) overweegt het hof als volgt. Hoewel het hof wil aannemen dat de benadeelde partij inkomstenverlies zal hebben gehad, acht het hof de vordering van de benadeelde partij op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd met concrete en verifieerbare informatie om te komen tot een begroting van deze schadepost als door de benadeelde partij is gemaakt. Naar het oordeel van het hof vormt het alsnog daartoe in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering nader te onderbouwen, een onevenredige belasting van het strafgeding. Voor een begroting/schatting van een (redelijk) voorschot ziet het hof in dit strafproces evenmin ruimte. Het hof zal deze schadepost derhalve niet verder betrekken in dit strafproces en de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zich voor dit deel wenden tot de burgerlijke rechter.

De immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde, zoals hier aan de orde, lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten. Deze kostenposten worden aan de zijde van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.026,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.026,11 (drieduizend zesentwintig euro en elf cent) bestaande uit € 2.026,11 (tweeduizend zesentwintig euro en elf cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.026,11 (drieduizend zesentwintig euro en elf cent) bestaande uit € 2.026,11 (tweeduizend zesentwintig euro en elf cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 mei 2021.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,

en op 4 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.