Strafrecht overig
Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994' en…
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 maart 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:901 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-901
Zaakgegevens
Op 10 maart 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 2 april 2026
- Zaaknummer
- 20-002045-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:901
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 'overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994' en 'opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod' tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde omdat - gelet op het ontbreken van een (deugdelijk) onderzoek naar de inhoud van de cilinders, niet wettig en overtuigend is vast te stellen dat er distikstofmonoxide in de cilinders heeft gezeten.
Uitspraak
Parketnummer : 20-002045-25
Uitspraak : 24 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-132130-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen zal bevelen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte integraal vrijspreekt. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging bepleit dat het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen beveelt.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te ' s-Hertogenbosch , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig ( [automerk] voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Het Wielsem en/of de A59 en/of de A2 en/of de A65 en/of de Vughterweg en/of de Bruistensingel en/of de Eerste Reitse Dreef en/of de Harendonkweg , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
? een of meermalen slingerend te rijden,
? met hoge snelheid (176 kilometer per uur), althans een snelheid hoger dan de aldaar maximale toegestane snelheid van 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan toegestaan, te rijden,
? een of meermalen door een rood verkeerslicht te rijden en/of
? tegen de rijrichting in, de rotonde aan de Harendonkweg , op te rijden
door welke verkeersgedraging(en) van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te ' s-Hertogenbosch , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig ( [automerk] voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Het Wielsem en/of de A59 en/of de A2 en/of de A65 en/of de Vughterweg en/of de Bruistensingel en/of de Eerste Reitse Dreef en/of de Harendonkweg ,
? slingerend over de weg heeft gereden,
? met hoge snelheid (176 kilometer per uur), althans een snelheid hoger dan de aldaar maximale toegestane snelheid van 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan toegestaan, heeft gereden,
? een of meermalen door een rood verkeerslicht heeft gereden en/of
? tegen de rijrichting in over de rotonde aan de Harendonkweg heeft gereden
door welke gedraging(en) van de verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 2 maart 2025 te 's-Hertogenbosch , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad drie, althans meerdere, cilinders met (in totaal) ongeveer 5,21 kilogram lachgas, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide (lachgas), zijnde distikstofmonoxide (lachgas) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Indien in onderstaande bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers dan betreffen dit pagina’s van het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, zaakregistratienummer PL2100-2025045840, afgesloten d.d. 10 april 2025 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 55), hierna te noemen: het politiedossier.
Tenzij anders vermeld, zijn alle te noemen processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, het bewijs dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna is bewezenverklaard.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025, p. 6 t/m 10 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 2 maart 2025 omstreeks 23.30 uur zagen wij in ’ s-Hertogenbosch een [automerk] ons tegemoet rijden. Wij zagen dat deze een opvallend hoge snelheid had. Wij zagen dat dit voertuig een slingerende beweging maakte. Wij zagen dat het kenteken [kenteken] betrof.
Wij zagen dat dit voertuig links Het Wielsem op reed in de richting van de Hambakenweg . Wij zagen dat dit voertuig rechtsaf sloeg de Hambakenweg . Wij zagen dat dit ging met verhoogde snelheid. Wij zagen dat de auto moeite had met het nemen van de bochten.
Omstreeks 23.35 uur zagen wij op de A2 rechts ter hoogte van knooppunt Hintham een rode [automerk] rijden met het kenteken [kenteken] . Wij gingen voor het voertuig rijden en gaven het voertuig een volgteken middels het stoptransparant van ons opvallend dienstvoertuig. Wij reden op de afslag 22 Sint-Michielsgestel en zagen dat het voertuig erg dicht achter ons ging rijden. Om 23.37 uur zagen wij dat het voertuig via het puntstuk de afslag afging en de A2 vervolgde. Wij zagen dat het voertuig zijn snelheid verhoogde naar 160 km/h. Wij zagen dat het voertuig erg slingerde. Wij konden de snelweg weer oprijden en gaven het voertuig een stopteken aan de voorzijde van ons opvallend dienstvoertuig. Wij zagen dat het voertuig dit negeerde en zijn snelheid verhoogde. Wij zagen dat het voertuig bleef slingeren en zijn snelheid bleef verhoogd. Wij zagen op de kilometerteller van ons opvallend dienstvoertuig dat dit betrof 176 km/h.
Wij zagen dat het voertuig de afslag A65, bij knooppunt Vught , nam. Wij zagen dat het voertuig rechts afsloeg de Vughterweg op. Wij zagen dat het voertuig slingerde tussen het verkeer door. Het was druk met overige verkeer, hetgeen moest uitwijken dan wel hard remmen om een aanrijding met de betreffende [automerk] te voorkomen.
Hierna sloeg het voertuig links af de A65 op, in de richting van Sint-Michielsgestel . Hierna reed het voertuig vanaf de A65 de A2 op in de richting van Utrecht . Wij zagen dat de snelheid 160 km/h betrof. Bij beide verkeerslichten reed het voertuig door, terwijl het verkeerslicht op rood stond. Wij zagen dat het voertuig op de A2 afslag 20 Rosmalen West pakte. Op dat moment bleef de snelheid van het voertuig 120 km/h. Bovenaan de afrit zagen wij dat het voertuig links afsloeg in de richting van de Bruistensingel in ’s-Hertogenbosch . Dit deed het voertuig terwijl het verkeerslicht op rood stond. Bij de kruising met de Bruistensingel zagen wij dat het voertuig 120 km/h reed en door rood links afsloeg de Bruistensingel op in de richting van ’s-Hertogenbosch . Bij de twee naderende verkeerslichten reed het voertuig door rood. Het was druk met overig verkeer, dat moest uitwijken dan wel hard remmen om een aanrijding met de betreffende [automerk] te voorkomen.
Wij zagen dat het voertuig links afsloeg de Eerste Reitse Dreef op. Hierbij zagen wij dat het voertuig 70 km/h reed. Door deze snelheid zagen wij dat het voertuig moeite had met het nemen van de bochten. Wij zagen dat het voertuig 70km/h bleef rijden.
Wij zagen dat het voertuig de rotonde met de Harendonkweg naderde. Wij zagen dat er voor de betreffende [automerk] een andere personenauto reed, eveneens in de richting van de genoemde rotonde. Wij zagen dat de betreffende [automerk] de rotonde tegengesteld op reed en de tweede afslag nam.
Wij zagen dat het voertuig hierna de Vierde Rompert op reed in de richting van het Rompertpark . Wij zagen dat het voertuig afremde en tot stilstand kwam op het voetpad aan het einde van de Vierde Rompert . Wij zagen dat beide personen uit het voertuig stapten en wegrenden.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , bestuurde ons opvallend dienstvoertuig. Ik zag dat de bestuurder uit wilde stappen. Ik reed ons dienstvoertuig langs het voertuig dat wij achtervolgden om de bestuurder te blokkeren. Hierbij raakte ik het voertuig linksachter met ons dienstvoertuig aan de rechtervoorzijde. Uiteindelijk wist de bestuurder alsnog uit te stappen en weg te rennen.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat beide inzittenden het voetpad oprenden in de richting van het Rompertpark . Ik zag dat de bestuurder de achterste persoon betrof. Ik zag dat de bestuurder een nektas om had die hing op zijn buik. Ik zag dat het ging om een mannelijk persoon. Ik riep naar de verdachte: “Staan blijven of de taser wordt gebruikt”. Ik richtte mijn stroomstootwapen op de wegrennende verdachte. Ik drukte het stroomstootwapen af. Ik hoorde de verdachte schreeuwen. Ik zag dat de verdachte vooruit viel op de grond. Om 23.46 uur hielden wij de verdachte aan.
Wij, verbalisanten, bekeken ter plaatse het voertuig met kenteken [kenteken] . Wij zagen dat er 3 lachgasflessen in het voertuig stonden. Wij zagen dat er meerdere lachgasballonnen lagen.
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 3 maart 2025, p. 35 t/m 37 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en
[verbalisant 2] :
Op 2 maart 2025 om 23.46 uur, werd door ons op de locatie Vierde Rompert ,
’s-Hertogenbosch , aangehouden als verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] .
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 10 maart 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik die avond ben weggerend voor de politie. Ik had toen een nektasje om. Ook klopt het dat ik degene ben die toen door de politie is getaserd.
De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 3 maart 2025, p. 54 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats : Vierde Rompert ’s-Hertogenbosch
Datum en tijd : 2 maart 2025 te 23.46 uur
Omstandigheden : Na achtervolging aangetroffen in het voertuig met verdachte
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag] 2005
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Goednummer : PL2100-2025045766-2314278
Object : Verdovende middelen (Lachgas)
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025, p. 23 en 24 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Wij waren doende met het wegen van de aangetroffen lachgasflessen (goednummer PL2100-2025045766-2314278).
Wij zagen dat er 3 dozen waren. Wij zagen dat er twee dichte dozen voor ons stonden en dat er een doos open was. Wij zagen op de fles die in de geopende doos zat, ijs zat. Ambtshalve is dit bekend als zijnde een gebruikte lachgasfles.
Wij wogen de flessen met een geijkte weegschaal. Het totale gewicht stond niet geschreven op de lachgasfles. Op de fles stond dat het een netto gewicht had van 2.000 (het hof begrijpt:) gram. Wij zagen dat de gebruikte fles 4.790 gram woog. Wij wogen de twee niet geopende lachgasflessen: één woog 5,580 kg en één woog 5,540 kg.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2025, p. 2 en 3 van het aanvullend procesdossier met proces-verbaalnummer PL2100-2025045766-22, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op 2 maart 2025 was ik doende met de afhandeling bezit lachgasflessen na aanleiding van een achtervolging. Nadat ik op 2 maart 2025 de verdachte aanhield met collega [verbalisant 1] , zag ik 3 dozen met lachgascilinders in het voertuig van verdachte. Ik zag dat dat er 2 dozen dicht waren en een doos geopend.
Ik zag dat de 3 cilinders dezelfde opdruk hadden. Ik zag dat er op het etiket stond:
? Fast Deluxe High purity creamwhip
? UN1070 E942 Nitrous Oxide Food Grade
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, nu het hof op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet de overtuiging kan bekomen dat de verdachte de bestuurder van de [automerk] is geweest. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman – in de kern genomen – aangevoerd dat onduidelijk is op grond waarvan de verbalisanten de verdachte als bestuurder hebben herkend, nu een omschrijving van de inzittenden van de personenauto in het proces-verbaal ontbreekt en zij slechts hebben gerelateerd dat de bestuurder de achterste persoon betrof. Doordat er geen omschrijving is gegeven van de inzittenden, is niet vast te stellen of de verbalisanten zich mogelijk hebben vergist in hun vaststelling wie de bestuurder is geweest, aldus de raadsman. Daar staat volgens de raadsman tegenover dat de verdachte ten stelligste ontkent de bestuurder te zijn geweest en hij bovendien niet in het bezit was van een rijbewijs.
In het geval dat het hof toch vaststelt dat de verdachte de bestuurder van de [automerk] is geweest, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld wat de exacte door de verdachte gereden snelheden zijn geweest, waardoor er vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens het tot het bewijs gebezigd proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025 heeft verbalisant [verbalisant 1] , toen hij zag dat de bestuurder van de achtervolgde personenauto wilde uitstappen, het dienstvoertuig linksachter tegen de auto geplaatst met het doel om hiermee de bestuurder te blokkeren. De bestuurder wist echter alsnog uit te stappen en weg te rennen. Het hof neemt op de foto op pagina 12 van het politiedossier waar dat bij deze poging om de bestuurder te blokkeren het rechter voorwiel van het dienstvoertuig ter hoogte van de linkerzijde van de achterbumper van de [automerk] staat en dat de koplampen van het dienstvoertuig de bestuurdersportier belicht. Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat de bestuurder van de achtervolgde auto volledig in het belichte zicht van de verbalisanten en op slechts op enkele meters van hen vandaan uit zijn personenauto is gestapt, waardoor de verbalisanten goed hebben kunnen waarnemen wie de bestuurder van de personenauto was en waar hij heen rende. Daar komt nog bij dat de verdachte tijdens de behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat hij een nektasje droeg en ook degene was die is getaserd. Dit sluit geheel aan bij de waarneming van verbalisant [verbalisant 2] die een en ander specifiek koppelt aan de bestuurder.
Het hof heeft dientengevolge geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de herkenning van de achterste persoon als de bestuurder door verbalisant [verbalisant 2] . Dat de verbalisanten tijdens en in de hectiek van de achtervolging in de auto geen omschrijving van de inzittenden hebben gegeven, maakt dat niet anders.
Voor het hof is derhalve op grond van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend vast komen te staan dat de verdachte de bestuurder van de achtervolgde [automerk] is geweest, waardoor het verweer wordt verworpen.
Ook het verweer van de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde nu niet vastgesteld kan worden wat de exacte door de verdachte gereden snelheden zijn geweest, wordt verworpen.
Hoewel het hof het met de verdediging eens is dat de door de verdachte gereden snelheden niet exact kunnen worden vastgesteld, volgt uit het gebezigd bewijs niet alleen dat de verdachte wel degelijk met een (veel) hogere snelheid dan toegestaan heeft gereden, maar ook dat hij zich aan ander gevaarzettend verkeersgedrag heeft schuldig gemaakt, zoals het meermalen rijden door een rood verkeerslicht en het tegen de rijrichting in oprijden van een rotonde. Nu eveneens uit de bewijsmiddelen volgt dat een ongeluk slechts is voorkomen doordat andere verkeersdeelnemers hebben geremd of voor de verdachte zijn uitgeweken, staat naar het oordeel van het hof vast dat er door het rijgedrag van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft voorts bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman – in de kern genomen – aangevoerd dat, gelet op het ontbreken van een (deugdelijk) onderzoek naar de inhoud van de cilinders, niet wettig en overtuigend is vast te stellen dat er distikstofmonoxide in de cilinders heeft gezeten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene is voor het hof het volgende komen vast te staan.
Op 2 maart 2025 is de verdachte als bestuurder van de achtervolgde [automerk] aangehouden. De verbalisanten hebben vervolgens in deze door de verdachte bestuurde auto drie dozen met hierin lachgasflessen alsmede meerdere lachgasballonnen aangetroffen. Op één van de cilinders zat ijs, hetgeen bij de verbalisanten ambtshalve bekend is dat dit erop wijst dat het om een al gebruikte lachgasfles gaat. Op de drie cilinders zaten dezelfde etiketten met daarop ‘Nitrous Oxide’. Uit een zoekslag op internet volgt dat het Engelse woord voor lachgas ‘nitrous oxide’ is.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien – en gezien de omstandigheid dat verdachte geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van en de inhoud van de aangetroffen lachglasflessen, is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de in het voertuig aangetroffen lachglasflessen gevuld waren met lachgas, oftewel distikstofmonoxide. Een nader onderzoek aan de lachglasflessen door het NFI, is naar het oordeel van het hof voor deze vaststelling derhalve overbodig.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 2 maart 2025 te 's-Hertogenbosch , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig ( [automerk] voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Het Wielsem en de A2 en de Vughterweg en de Bruistensingel en de Eerste Reitse Dreef en de Harendonkweg , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
? meermalen slingerend te rijden,
? met een (veel) hogere snelheid dan toegestaan, te rijden,
? meermalen door een rood verkeerslicht te rijden en/of
? tegen de rijrichting in, de rotonde aan de Harendonkweg , op te rijden
door welke verkeersgedragingen van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
2.
hij op 2 maart 2025 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad drie cilinders met (in totaal) ongeveer 5,21 kilogram lachgas, zijnde distikstofmonoxide (lachgas) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.
De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een, eventueel voorwaardelijke, taakstraf.
Het hof komt tot een andere strafoplegging dan is gevorderd door de advocaat-generaal en dan is verzocht door de verdediging en overweegt daartoe als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte heeft het hof op de eerste plaats bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige gevaarzetting in het verkeer, hetgeen een
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 oplevert. Door het verkeersgedrag van de verdachte is de verkeersveiligheid in concreto in ernstige mate in gevaar gebracht. Dat er geen gewonden, of nog erger dodelijke slachtoffers te betreuren zijn geweest, is geenszins te danken aan het handelen van de verdachte, maar berust enkel op louter toeval. Ook heeft hij zich niets aangetrokken van het feit dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs en derhalve niet eens gerechtigd was tot het besturen van een personenauto. Kennelijk heeft de verdachte niet alleen geen enkel respect voor de verkeersregels, maar ook niet voor de veiligheid van zijn medeweggebruikers. Het hof rekent de verdachte dit zwaar aan.
Voorts heeft het hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 5,21 kilogram distikstofmonoxide (lachgas). Het gebruik van lachgas brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en leidt tot milieuschade door het in de natuur achterlaten van lege cilinders. Ook gaat de handel vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Om die redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor het bezit strafbaar is. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor verkeersovertredingen. Daaronder bevinden zich evenwel geen veroordelingen voor soortgelijke strafbare feiten, zodat het hof daaraan geen gewicht zal toekennen bij de strafoplegging.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij bezig is met een stage als dakdekker in het kader van het starten van een eigen bedrijf, dat hij nog thuis woont en lichamelijk gezond is. Voorts heeft zijn raadsman nog naar voren gebracht dat de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden bij een schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak tegen de verdachte inmiddels goed contact heeft met de reclassering en samen met hen doende is een goede invulling te geven aan zijn dagbesteding.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat op grond van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. De door de verdachte opgevoerde persoonlijke omstandigheden maken niet dat het hof een andere of lichtere straf aangewezen acht, nu dit geen recht zal doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Al het vorenstaande afwegende ziet het hof geen reden om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter en acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend bij de persoon van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voorts ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzeggen voor de duur van 12 maanden.
Beslag
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen (te weten lachgas), met betrekking tot welke het 2 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. Het hof zal mitsdien de onttrekking aan het verkeer van deze verdovende middelen gelasten.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven 9mm patronen en de patronenhouder, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven werden aangetroffen, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
? 7 7 stuks 9mm patronen (PL2100-2025045766-G2314274);
? 7 een patroonhouder (PL2100-2025045766-G2314275);
? 7 verdovende middelen, lachgas (PL2100-2025045766-G2314278).
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,
en op 24 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.