Belastingrecht

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgedaan m.t.v. artikel 81, lid 1 RO.

Hoge Raad, 13 september 2013

Zaakgegevens

Op 13 september 2013 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 september 2013
Datum publicatie
12 september 2013
Zaaknummer
13/00977
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:688
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgedaan m.t.v. artikel 81, lid 1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 januari 2013

    ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0262
  2. Hoge Raad · 13 september 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:688

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 13/00977

13 september 2013

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van V.O.F. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2013, nr. 12/00174, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 11/2326) betreffende het door belanghebbende op 8 september 2010 op aangifte voldane bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2013.