Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 23 december 2016

Zaakgegevens

Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 december 2016
Datum publicatie
21 december 2016
Zaaknummer
15/02136
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2937
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 november 2014

    ECLI:NL:RBZWB:2014:8360
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 april 2015

    ECLI:NL:GHSHE:2015:1379

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 23 december 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2937

Uitspraak

23 december 2016

nr. 15/02136

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 april 2015, nr. 14/01065, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/649) betreffende een aan belanghebbende gerichte schriftelijke mededeling inzake de motorrijtuigenbelasting.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.