Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 10 februari 2017

Zaakgegevens

Op 10 februari 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 februari 2017
Datum publicatie
9 februari 2017
Zaaknummer
16/01196
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:193
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:RBNHO:2015:5428
  2. Gerechtshof Amsterdam · 9 februari 2016

    ECLI:NL:GHAMS:2016:700

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 10 februari 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:193

Uitspraak

10 februari 2017

Nr. 16/01196

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2016, nrs. 15/00609 en 15/00610, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (AWB HAA 14/4541 en 14/4542) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.