Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 28 september 2018

Zaakgegevens

Op 28 september 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 september 2018
Datum publicatie
27 september 2018
Zaaknummer
18/00615
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:1796
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Gelderland · 21 maart 2017

    ECLI:NL:RBGEL:2017:1561
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 januari 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:165

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 28 september 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:1796

Uitspraak

28 september 2018

Nr. 18/00615

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van fiscale eenheid [X] B.V. c.s. (voorheen: fiscale eenheid [A] B.V. c.s.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2018, nrs. 17/00466 tot en met 17/00468, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 16/14 tot en met AWB 16/16) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de periode 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.