Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 8 juni 2018

Zaakgegevens

Op 8 juni 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juni 2018
Datum publicatie
7 juni 2018
Zaaknummer
17/06039
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:867
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 7 juli 2016

    ECLI:NL:RBZWB:2016:4591
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 november 2017

    ECLI:NL:GHSHE:2017:4845

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 8 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:867

Uitspraak

8 juni 2018

nr. 17/03069

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X 1] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 10 november 2017, nr. 16/03642, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/7562) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van de fiscale eenheid [X 2] Holding B.V. en [X 1] B.V. te [Z] nageheven omzetbelasting over de periode 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.