Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 5 juni 2020

Zaakgegevens

Op 5 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2020
Datum publicatie
31 mei 2020
Zaaknummer
18/02522
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1003
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 11 augustus 2017

    ECLI:NL:RBDHA:2017:11286
  2. Gerechtshof Den Haag · 1 mei 2018

    ECLI:NL:GHDHA:2018:1190

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 5 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1003

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/02522

Datum 5 juni 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 mei 2018, nrs. BK-17/00787 tot en met BK-17/00789, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/521 tot en met SGR 17/223) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken 25 september 2016 tot en met 24 december 2016, 18 september 2016 tot en met 17 december 2016 en 2 oktober 2016 tot en met 1 januari 2017.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat het middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.