Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 26 juni 2020

Zaakgegevens

Op 26 juni 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 juni 2020
Datum publicatie
24 juni 2020
Zaaknummer
19/05284
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1131
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 22 augustus 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:2413
  2. Hoge Raad · 6 juli 2018

    ECLI:NL:HR:2018:1107

    (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

  3. Gerechtshof Amsterdam · 10 oktober 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:4620
  4. Hoge Raad · 26 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:1131

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05284

Datum 26 juni 2020

ARREST

in de zaak van

STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2019, nr. 18/00523, betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 5b, lid 7, AWR.

1 Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 6 juli 2018, nr. 17/04544, ECLI:NL:HR:2018:1107, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-17/00280), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2 Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door A. Laghmouchi, advocaat te Utrecht.

3 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.