Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 15 mei 2020

Zaakgegevens

Op 15 mei 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 mei 2020
Datum publicatie
11 mei 2020
Zaaknummer
18/01687
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:863
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:RBGEL:2017:706
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 april 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:3015

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 15 mei 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2020:863

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/01687

Datum 15 mei 2020

ARREST

in de zaak van

[X1] B.V., [X2] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2018, nr. 17/00319, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. ARN 16/1379) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak oktober 2010.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.