Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie 20/03226.

Hoge Raad, 24 december 2021

Zaakgegevens

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 december 2021
Datum publicatie
23 december 2021
Zaaknummer
20/03228
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1981
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie 20/03226.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 2 augustus 2019

    ECLI:NL:RBDHA:2019:8401
  2. Gerechtshof Den Haag · 11 augustus 2020

    ECLI:NL:GHDHA:2020:1571

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 30 april 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:476
  4. Hoge Raad · 24 december 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1981

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/03228

Datum 24 december 2021

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020, nr. BK-19/00592 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/1144), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door C.J. Roozen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende is de zaak schriftelijk toegelicht door J.W.F. Bevers, advocaat te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 30 april 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

De middelen 1, 2, 4 en 5 falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/03226 (ECLI:NL:HR:2021:1845), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

2.2

Het derde middel kan evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Slotsom

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.

ECLI:NL:GHDHA:2020:1571. ECLI:NL:PHR:2021:476.