Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 5 juli 2024

Zaakgegevens

Op 5 juli 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juli 2024
Datum publicatie
4 juli 2024
Zaaknummer
22/02472
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1029
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 29 juni 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:9235
  2. Gerechtshof Den Haag · 25 mei 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:947

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 5 juli 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1029

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 22/02472

Datum 5 juli 2024

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 mei 2022, nr. BK-21/00684, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/5038) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak augustus 2019.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F. Fruijtier, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2024.

ECLI:NL:GHDHA:2022:947.