Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 9 februari 2024

Zaakgegevens

Op 9 februari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 februari 2024
Datum publicatie
8 februari 2024
Zaaknummer
22/01082
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:204
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 16 december 2020

    ECLI:NL:RBNNE:2020:4475
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 februari 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:1087

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 9 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:204

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 22/01082

Datum 9 februari 2024

ARREST

in de zaak van

de erfgenamen van [A] (hierna: belanghebbenden)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2022, nr. 21/00066, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 19/2014) betreffende de aan [A] voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbenden, vertegenwoordigd door H. Aukema, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.

ECLI:NL:GHARL:2022:1087.