Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 11 juli 2025

Zaakgegevens

Op 11 juli 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juli 2025
Datum publicatie
11 juli 2025
Zaaknummer
23/03896
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1146
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/03896

Datum 11 juli 2025

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de MINISTER VAN FINANCIËN VAN CURAÇAO (hierna: de Minister)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 27 juli 2023, nrs. CUR2022H00180 tot en met CUR2022H00184, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (nrs. CUR202000916 tot en met CUR202000919) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2005, 2006, 2008 en 2009 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.G. Krieger, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.

ECLI:NL:OGHACMB:2023:182.