Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 12 september 2025

Zaakgegevens

Op 12 september 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 september 2025
Datum publicatie
12 september 2025
Zaaknummer
24/03818
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1294
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12 mei 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:2591
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 september 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2863

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 12 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1294

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03818

Datum 12 september 2025

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 september 2024, nr. 22/1196, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een tussenuitspraak van 11 januari 2022 en de einduitspraak van 12 mei 2022 an de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (beide met nr. BRE 20/8165) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente en revisierente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.P. Mulder, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft eveneens een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.

ECLI:NL:GHSHE:2024:2863.